Advisering in ongereguleerd vastgoedfonds en verrichten effectentransacties namens schoonmoeder

Beslissing d.d. 14 juni 2007 van de Tuchtcommissie DSI 

Mr. C.J.B. Ebeling (voorzitter), de heer Mr. J.L.S.M. Hillen en de heer M. Scholten (leden van de Commissie), waarbij Mr. M. van Luyn als secretaris optrad.



1. Het verloop van de procedure

1.1 Bij de Tuchtcommissie is via de directie van het Dutch Securities Institute, nader te noemen “DSI”, een klachtrapport binnengekomen, gedateerd 6 februari 2007. Dit rapport betreft gedragingen van Verweerder, die naar de mening van DSI in strijd zijn met de Gedragscode van het DSI, in het bijzonder artikel 7.1.1, 7.1.2, 7.1.4, 7.3.2, 7.3.3, 7.3.4 en 7.3.5 van het Algemeen Reglement. 

1.2 De Tuchtcommissie heeft de zaak op 12 februari in behandeling genomen. Verweerder is uitgenodigd schriftelijk verweer te voeren en heeft dit middels verweerschrift van 12 maart 2007 gedaan. Daarnaast heeft hij zijn bezwaren tegen de klacht naar voren gebracht in een gesprek met het DSI, dat heeft plaatsgevonden op 11 september 2006. Verweerder is tevens uitgenodigd voor de zitting van de Tuchtcommissie van 9 mei 2007, en is ter zitting verschenen. Hij werd ter zitting vergezeld door zijn raadsman, de heer Mr. W.P.J.M. van Gestel en een getuige, de heer X.

Van de zijde van het DSI was bij de mondelinge behandeling aanwezig de heer Mr. M.A. van der Lecq. Op uitnodiging van DSI waren namens de werkgever aanwezig de heer Y, Vice President Group Compliance NL en de heer Z, hoofd van de afdeling Trading van de afdeling Consumer Banking. De Commissie bestond uit de heer Mr. C.J.B. Ebeling (voorzitter), de heer Mr. J.L.S.M. Hillen en de heer Mr. M. Scholten. De Commissie heeft beraadslaagd, de behandeling van de zaak gesloten en zal thans beslissen.


2. Onderwerp van de klacht

2.1 De klacht is vervat in het klachtenrapport van 7 februari 2007 en bevat de volgende elementen. 

2.2 Sinds 27 oktober 1999 is Verweerder bij DSI geregistreerd als Beleggingsadviseur in register II. Op 8 augustus 2006 ontvangt DSI van Bank X (hierna: de “Werkgever”) een melding van meerdere en structurele overtredingen door Verweerder van de Gedragscode van DSI. Naar aanleiding deze melding heeft DSI Verweerder uitgenodigd voor een mondelinge toelichting op 11 september 2006 en nader onderzoek verricht. Dit onderzoek heeft uitgemond in de onderhavige klacht, welke betreft het doorspelen van vertrouwelijke gegevens van cliënten van Werkgever aan derden, het actief werven van cliënten voor ongereguleerde instellingen en het overtreden van het reglement privébeleggingstransacties. 

2.3 De klacht met betrekking tot het doorspelen van gegevens van cliënten aan, en adviseren tot belegging in, een derde ongereguleerde instelling spitst zich toe op verstrekking van gegevens aan BV Y, een instelling die ten behoeve van beleggers investeert in vastgoed in Montenegro. Deze niet-gereguleerde instelling behoort niet tot de portefeuille van Werkgever waarover door haar adviseurs kan worden geadviseerd en wordt bestuurd door ex-werknemers van Werkgever. Ook zou Verweerder andere beleggingen die (nog) niet op de lijst stonden hebben aangeraden.

2.4 De zaak met betrekking tot overtreding van de privébeleggingsregeling spitst zich toe op het handelen op de rekeningen van de schoonmoeder van Verweerder, waartoe Verweerder gemachtigd was. 

2.5 DSI stelt zich op het standpunt dat de handelingen van Verweerder in beide zaken in strijd zijn met het verbod op misbruik van voorwetenschap als bedoeld in artikel 46 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, doch in elk geval niet stroken met een integere handelswijze zoals neergelegd in de Gedragscode van DSI, in het bijzonder de artikelen genoemd onder 1.1. van deze beslissing, en verzoekt de Tuchtcommissie Verweerder een schorsing op te leggen van zes maanden in combinatie met een boete van EUR 1500, althans één van de maatregelen als bedoeld in artikel 13.11 van het Algemeen Reglement, zodanig als de Commissie in overeenstemming acht met de ernst van de gedragingen. 


3. Het verweerschrift

3.1 Verweerder heeft op 12 maart 2007 schriftelijk verweer tegen de klacht gevoerd. Zakelijk samengevat stelt Verweerder hierin het volgende: 

3.2 Ten aanzien van het doorverwijzen van klanten naar de ongereguleerde instelling zou Verweerder slechts ingegaan zijn op het verzoek van betreffende cliënten om hen op de hoogte te houden van interessante zaken en beleggingen buiten de beurs om. Voorts zou advisering buiten de handelslijst regelmatig voorkomen op de betreffende specialistische afdeling van Werkgever. Duidelijk beleid hieromtrent zou bij Werkgever niet zijn geformuleerd. De betreffende afdeling was zodanig chaotisch georganiseerd dat meer dan de helft van de daar werkzaam zijnde beleggingsadviseurs in het afgelopen jaar zou zijn vertrokken.

3.3 Over het overtreden van de privébeleggingstransactieregeling stelt Verweerder dat hij zijn eigen privétransacties altijd keurig heeft gemeld, de insider-regels niet heeft overschreden en slechts gehandeld heeft op de rekening van zijn schoonmoeder, waarvoor hij gevolmachtigd is, en waarvoor hij op een compliance meeting de verantwoordelijke compliance officer geconsulteerd zou hebben, ter gelegenheid waarvan Verweerder medegedeeld zou zijn dat het handelen op de rekening van de schoonmoeder geen probleem opleverde mits geen sprake was van familieleden op het eigen adres.

4. De mondelinge behandeling 

4.1 De heer Van der Lecq licht de klacht verder toe aan de hand van een pleitnota die hierin is opgenomen. 

De heer Van Gestel licht het standpunt van Verweerder verder toe aan de hand van een pleitnota die hierin is opgenomen. 

Vervolgens zijn ter zitting – zakelijk samengevat – de volgende vragen gesteld en verklaringen afgelegd:

De heer X (getuige):
Het algemeen beleid van Bank X was niet bruikbaar voor een actieve beleggingsafdeling als de onze. De afdeling was op zoek naar een manier om de beleggers te bedienen met een korte route van advisering. We wilden graag een actievere manier om te profiteren van schommelingen op de beurs. Verweerder was een expert op het gebied van grondstoffen en hij zorgde voor scholing naar collega’s en expertise naar klanten toe. Het algemeen beleid van Bank X voorziet daar eigenlijk nauwelijks in, terwijl de vraag bij klanten daar wel duidelijk naar was. Tijdens een periode waarin de afdeling functioneerde zonder leidinggevende – voordat de heren W en Z waren aangesteld – is dat “beleid” om het zo te doen, ontstaan.

De heer Ebeling:
Door het gebrek aan beleid ontstond er een afdelings-eigen beleid bedoelt u?

De heer X (getuige):
Ja.

Verweerder:
Voor wat betreft het beleggingsbeleid, het is bekend dat ik actief voorstander was van het meedoen aan Montenegro 1. Ik heb een beperkte groep geïnformeerd over de opstart van dit project. Ik had een langlopende relatie met die cliënten en zij hadden mij eens gezegd: “Als je eens iets interessants tegenkomt, laat het dan even weten”. Ik heb ze alleen gevraagd of ze interesse hadden en ze een folder laten toesturen, en ik heb me er verder ook niet meer mee bemoeid. Ik heb te goeder trouw gehandeld; ik heb daarin niet geadviseerd. 

Verweerder:
Voor wat betreft het handelen in goud, zilver, olie, mijnbouwbedrijven etc. volg ik wel degelijk het beleggingsbeleid. Wij werkten ook met Turbo’s in de grondstoffen. Overigens heeft mijn directe leidinggevende (de heer W) in het voorjaar van 2006 op FPV, dat is de Finance PV op internet, geadviseerd op Turbo’s in goud en goudmijnen. De heer Z heeft eind juni 2006 geadviseerd om een Turbo op de goudprijs te kopen. Dus het feit dat er nu wordt gezegd dat het geen beleggingsbeleid, strookt daar niet mee.
In het personeelsblad heeft gestaan dat cliënten dik tevreden zijn over de adviezen van onze afdeling, met name ook mijn advisering in beleggen in grondstoffen.
Wat betreft de vermeende privétransactie: ik bestrijd stellig dat ik privé handel op de rekening van mijn schoonmoeder; het is haar geld. Dagelijks overleggen wij met elkaar waarbij ik haar adviseer en het over risicoscenario’s heb, maar zij neemt de beslissing. 

De heer Ebeling:
Wat houdt de volmacht die u heeft, dan in?

Verweerder:
De volmacht houdt in dat ik bijvoorbeeld overboekingen kan doen.

De heer Van Luyn:
En u treedt op als haar beleggingsadviseur?

Verweerder:
Ja. Mijn collega’s zullen bevestigen dat dat zo bekend is op de afdeling.

De heer Y (compliance officer werkgever):
Wij zijn hier vanwege het punt van niet-integer handelen. Er is op kantoor een bijeenkomst geweest over privébeleggingstransacties, een presentatie die verzorgd is door Compliance. Verweerder is daarbij aanwezig geweest. Na afloop van de presentatie is door verweerder gevraagd of het een probleem zou zijn als hij als gemachtigde optrad van zijn schoonmoeder. Ik heb toen geantwoord dat dat op zichzelf geen probleem zou opleveren, maar het is natuurlijk wel zo, en dat had ik net tijdens de presentatie uitvoerig uit de doeken gedaan, dat familieleden waarvoor je de rekening beheert of waardoor je gemachtigd bent of wat dan ook, worden beschouwd in dat reglement als “gelieerde derden”. Dat houdt volgens het reglement in dat je bij transacties die je voor hen doet, vooraf goedkeuring komt vragen. 

De heer Ebeling:
Per transactie?

De heer Y (compliance officer werkgever):
Per transactie. Dat heb ik toen voor verweerder herhaald, maar dat had ik tijdens de bijeenkomst zelf net uitvoerig uit de doeken gedaan. Naar mijn idee zijn de uitlatingen van verweerder dat ik gezegd zou hebben dat het allemaal niet zo’n probleem is, pertinent onjuist, want het is namelijk wèl een probleem. De schoonmoeder is een gelieerde derde en verweerder had per transactie goedkeuring moeten vragen. 

De heer Y (compliance officer werkgever):
Dit is eigenlijk het punt van secundair belang. Het punt wat de aanleiding voor het op non-actief zetten is geweest is dat wij op een gegeven moment klachten kregen van klanten, en dit vernam ik van de heer Z en een collega van de heer Z, dat klanten benaderd waren door beleggingsadviseurs over een beleggingspropositie waarvan klanten vonden dat dat hoogst merkwaardig was. Zeer risicovol, niet passend bij een beleggingsafdeling van een bank, en zij vroegen zich af waar de bank mee bezig was. Zo ben ik over deze zaak benaderd.

De heer Van Luyn:
Verweerder, wat denkt u dat de bedoeling is van de pbt-regeling om gelieerde derden, zeg maar even: familieleden, onder de werking te laten vallen van de pbt-regeling?

Verweerder:
Om te voorkomen dat zij profijt kunnen hebben van mijn voorkennis.
Ik word nu benadeeld omdat zij daar beslissingen over neemt. Als ik er niet ben, handelt ze ook. Daarnaast: het is duidelijk dat kinderen bijvoorbeeld daar wel onder vallen, maar schoonouders…

De heer Van Luyn:
Wat u gedaan heeft is nogal een afwijking van de regeling. Stelt u zich dan niet de vraag: moet ik dit niet nog even checken bij compliance, of ik het goed begrepen heb?

Verweerder:
Achteraf gezien heb ik spijt dat ik dat niet gedaan heb. Daar ben ik het mee eens. 

De heer Ebeling:
(richting Bank X) Moest verweerder weten dat hij als adviseur bij de bank niet dit soort zaken zou mogen aanbevelen?

De heer Z (hoofd afdeling trading werkgever):
Ja. Dat had hij moeten weten op grond het adviesbeleid van de bank, waarin BV Y niet genoemd word om in te adviseren. Alleen de fondsen die in het adviesbeleid worden genoemd, mogen aan klanten worden geadviseerd. Komt de afdeling met een eigen voorstel voor een goede belegging, dan moet dat eerst door het beleggingscomité goedgekeurd worden. Los van dat het beleidstechnisch niet toegestaan was BV Y te adviseren, vind ik ook dat het moreel en ethisch onverantwoord is geweest.

De heer Ebeling:
Als iemand op de afdeling van verweerder een geweldig object tegen zou komen voor de cliënten om in te adviseren, is er dan een soort noodprocedure om dat object snel op de beleidslijst te krijgen?

De heer Z (hoofd afdeling trading werkgever):
Die procedure luidt: in de front-office, naar cliënten toe, eenduidigheid van advies en geen mogelijkheid om af te wijken van de richtlijn zoals ik die net schetste. Maar in de back-office, waar het gaat om het onderling bespreken van zaken en die voordragen aan het beleggingscomité, gunnen wij de beleggingsadviseurs alle ruimte. Dat betekent kort maar krachtig: als verweerder met zijn expertise op grondstoffengebied, een mooie kans zag bijvoorbeeld in goudmijnen, kon hij dat voorleggen aan het beleggingscomité, dat een halve dag de tijd kreeg om object te bestuderen en dan terug te koppelen met een algemeen geldend advies.

De heer Scholten:
(richting de verweerder) Handelde u ook voor eigen rekening?

Verweerder:
Ja.

De heer Scholten:
Maar geen 95 keer per maand denk ik?

Verweerder:
Nee.

De heer Scholten:
Heeft u telkens bij iedere order voor uw schoonmoeder, uw schoonmoeder gesproken?

Verweerder:
Ja. We bellen elke avond met elkaar en dan worden alle belangrijke zaken besproken. 

De heer Van Luyn:
Vroeg u voor uw eigen trades toestemming?

Verweerder:
Ja. Ik ben daarvoor een aantal keer bij de heer Y (compliance officer werkgever) geweest. 

De heer Hillen:
(richring Bank X:) Over de privébeleggingstransacties; wanneer is aan het licht gekomen dat verweerder voor zijn schoonmoeder handelde, en is er toen onmiddellijk actie ondernomen?

De heer Y (compliance officer werkgever):
Het is aan het licht gekomen op het moment dat klanten belden dat zij merkwaardige beleggingsproposities BV Y kregen en toen is verweerder op non-actief gesteld. Toen is de inhoud van zijn kastje bekeken en men stuitte toen op afschriften en dergelijke. Toen is het balletje gaan rollen.


5. De beoordeling van de klacht 

5.1 Uit de stukken, de afgelegde verklaring voor zover wederzijds erkend althans niet of onvoldoende betwist en het overige ter zitting behandelde, is het volgende komen vast te staan. 

5.2 Verweerder heeft meerdere malen op eigen initiatief cliënten gewezen op de mogelijkheid te investeren via de bewuste ongereguleerde instelling en daarbij niet aan de cliënten overgelaten zelf contact op te nemen doch de cliëntgegevens doorgegeven aan de bewuste instelling. De Commissie acht een dergelijke handelswijze niet in overeenstemming met de Gedragscode van het DSI. Ten aanzien van het adviseren van andere beleggingen die (nog) niet op de beleggingsbeleidlijsten van Werkgever stonden, acht de Commissie aannemelijk dat de wijze van organisatie van de afdeling zodanig was, dat Verweerder weliswaar mogelijk een interne regel van Werkgever heeft overtreden, doch dit hem niet zodanig valt aan te rekenen dat dit zelfstandig zou doen twijfelen aan de integriteit van Verweerder. 

5.3 De Commissie stelt vast dat door Verweerder is erkend dat hij met enige regelmaat namens zijn schoonmoeder heeft gehandeld op haar effectenrekening, dat de bewuste transacties vallen onder de privébeleggingstransacties-regeling van Werkgever en Verweerder, gegeven het feit dat hij zijn eigen transacties wèl van te voren aanmeldde bij Compliance, zich bewust is geweest dat voor transacties van zichzelf en gelieerde derden in principe toestemming nodig is van Compliance. Voor zover Verweerder hierover al contact heeft gezocht met de compliance officer, acht de Commissie het weinig aannemelijk dat Verweerder, zeker gegeven het feit dat dit contact plaatsvond na afloop van een compliance-sessie over de privébeleggingstransacties-regeling waarin de situatie rond gelieerde derden uitvoerig is toegelicht, hieruit had mogen begrijpen dat hij geen toestemming nodig had voor de transacties ten behoeve van de effectenrekening van zijn schoonmoeder. De Commissie stelt vast dat het hier gaat om een structurele overtreding van een weliswaar interne, doch integriteitsbeschermende regeling, waardoor zij de bewuste gedragingen niet in overeenstemming acht met de wijze waarop een beleggingsadviseur zich behoort te gedragen.

5.5 Voor de Tuchtcommissie zijn er derhalve gronden om aan te nemen dat de klacht van DSI ten aanzien van het handelen in strijd met de DSI-Gedragscode, deels gegrond is.

5.6 Bij de bepaling van een maatregel dient de Tuchtcommissie rekening te houden met de consequenties die de handelswijze van Verweerder reeds voor hem hebben gehad en weegt zij in dit geval de langdurige non-actiefstelling van Verweerder mee in de sanctie.


6. De beslissing

6.1 De Tuchtcommissie DSI acht de klacht van DSI gegrond.

6.2 De Commissie legt aan Verweerder de maatregel op van een voorwaardelijke schorsing van 6 maanden en een proeftijd van 2 jaar in combinatie met een geldboete van EUR 1000.