Beleggen in hetzelfde aandeel als cliënt, met financiering door cliënt

1. Het verloop van de procedure

1.1
Bij de Tuchtcommissie is via de directie van het Dutch Securities Institute, 
nader te noemen DSI, een klachtrapport binnengekomen, gedateerd 11 april 2001. 
Dit rapport betreft gedragingen van Verweerder die in strijd zouden zijn met 
de gedragscode van het DSI, in het bijzonder de artikelen 7.1.1, 7.1.2, en 
7.3.5 van het Algemeen Reglement.

1.2 
De Tuchtcommissie heeft de zaak in behandeling genomen. Verweerder is uitgenodigd 
voor de zitting van de Tuchtcommissie van 30 augustus 2001 om op de klacht 
gehoord te worden. Bij brief van 23 augustus hebben Verweerder en Werkgever 
(hierna te noemen Bank X) schriftelijk verweer ingediend. Ter zitting is Verweerder 
verschenen, tezamen met de heer K. namens BANK X. Van de zijde van het DSI 
was aanwezig Mr F.B. Demenint en mevrouw Mr N.C. De Haas. De Commissie heeft 
beraadslaagd, de behandeling van de zaak gesloten en zij zal thans beslissen.


2. De inhoud van de klacht

De klacht is vervat in het genoemde klachtrapport en bevat de volgende elementen. 

Een direct belanghebbende die klant was geweest van Verweerder had bij de 
Klachtencommissie Beursbedrijf, mede op grond van dezelfde feiten eerder een 
klacht ingediend, welke klacht was afgewezen.
Tussen die cliënt en Verweerder (althans diens werkgeefster BANK X) heeft 
een adviesrelatie bestaan. De cliënt en Verweerder hebben begin 1998 
een afspraak gemaakt op grond waarvan Verweerder privé op zijn bankrekening 
een bedrag van f 2.200,-- van de cliënt heeft ontvangen. Deze betaling 
hield verband met de koerswinst die cliënt had gerealiseerd op een transactie 
in aandelen Lernout & Hauspie die Verweerder in het kader van de voornoemde 
adviesrelatie voor de cliënt heeft uitgevoerd. In totaal zou voor een 
bedrag van f 35.000,- aandelen zijn gekocht en een koerswinst zijn gemaakt 
van f 12.000,-.
De cliënt verwijt de Verweerder dat laatstgenoemde hem heeft overgehaald 
grotere effectentransacties te doen dan hij wilde door een afspraak over deling 
van het risico. Op grond daarvan heeft de cliënt f 2.200,- aan Verweerder 
betaald.
Verweerder heeft aan zijn werkgever nog een soortgelijke transactie gemeld 
op grond waarvan hij een privé-voordeel heeft genoten van f 1.400,-. 


DSI is van mening dat Verweerder met het bovenstaande strijdig met de gedragscode 
heeft gehandeld. 
Hoewel de gedragingen plaatsvonden vóór registratie van Verweerder 
bij DSI heeft Verweerder bij zijn verzoek tot registratie géén 
melding gemaakt van de door de cliënt aanhangig gemaakte klachtenprocedure, 
zodat deze gedragingen of het niet melden van deze gedragingen tijdens de 
registratieprocedure pas nu ter beoordeling staan.

DSI verzoekt de Tuchtcommissie een disciplinaire maatregel te nemen.


3. Het verweerschrift

De brief van 23 augustus 2001 van Verweerder en BANK X bevat voor zover relevant 
het volgende:

Beide transacties hebben zich eind 1998, begin 1999 afgespeeld, geruime tijd 
voordat de gedragscode van DSI in werking is getreden. Verweerder vraagt zich 
af of in een tuchtzaak niet ook het algemene rechtsbeginsel moet gelden dat 
geen sancties mogen worden opgelegd voor gedragingen die, toen zij plaatsvonden, 
nog niet met een sanctie werden bedreigd.

Verweerder vraagt zich zelfs af of het wel zeker is dat, als zijn gedragingen 
na 1 juni 1999 (bedoeld wordt 1 juli 1999) plaats zouden hebben gevonden, 
deze in strijd zouden zijn met artikel 7.3.5. van het Algemeen Reglement. 


De handelwijze van Verweerder kwam feitelijk neer op het beleggen in dezelfde 
aandelen als de cliënt. Het verschil zit hierin dat de cliënt de 
transactie heeft gefinancierd en dat niet duidelijk is vastgelegd hoe de afwikkeling 
zou verlopen. Uit deze situatie kunnen belangenconflicten ontstaan. Om deze 
reden heeft BANK X destijds maatregelen getroffen tegen Verweerder. Verweerder 
is dus al gestraft.

Het incident is niet aan DSI gemeld omdat noch Verweerder, noch BANK X, zich 
realiseerden dat de gedragingen, respectievelijk de ingediende klacht relevant 
zouden kunnen zijn voor DSI. Verwezen wordt naar vraag 27 van de vragenlijst 
\\\"Zijn er andere feiten of omstandigheden die redelijkerwijs van belang geacht 
kunnen worden voor de toetsing van uw integriteit, deskundigheid en vakbekwaamheid 
in het kader van uw registratie\\\"?). Als er concreet naar was gevraagd, was 
het gemeld.
Daarbij komt nog dat in juli 1999 nog geen ervaring bestond ten aanzien van 
die vraag. Bovendien is het de schuld van BANK X en niet van Verweerder persoonlijk.

Verweerder is (mede) door deze gang van zaken langdurig arbeidsongeschikt 
geweest en is derhalve voldoende gestraft. 

BANK X heeft nog steeds het volste vertrouwen in de vakbekwaamheid en integriteit 
van Verweerder. 

Verweerder verzoekt de Tuchtcommissie om hem geen maatregel op te leggen als 
bedoeld in artikel 13.11 van het Algemeen Reglement.


4. De mondelinge behandeling

Ter zitting zijn - zakelijk samengevat - de volgende verklaringen afgelegd.

De heer Demenint leest pleitnotities voor en legt deze over.

De heer K.:
\\\"Wat hij heeft gedaan past niet in de normen van Bank X, daarom hebben we 
Verweerder hard aangepakt. Wij (de bank en Verweerder) vinden dat dat soort 
handelingen niet in strijd is met de Gedragscode DSI, zelfs als die wel van 
toepassing zou zijn geweest. Ons gevoel was: het is wel fout, maar er is geen 
specifieke regel overtreden.\\\" 

Voor die gedragingen kan geen tuchtmaatregel worden opgelegd. Wel kan het 
DSI zelf de feiten beoordelen in het kader van het registratieverzoek en de 
registratie alsnog weigeren.

De heer Demenint:
\\\"Op een vraag van de Commissie of elk geschil of elk proces waarin men verwikkeld 
is of is geweest, aan het DSI moet melden, antwoord ik als volgt. 
Als er een klachtencommissieprocedure is moet je dat melden. Men kan worden 
geregistreerd onder voorbehoud van goed aflopen van de procedure.\\\"

Mevrouw De Haas:
\\\"Niet elke Klachtencommissieprocedure hoef je te melden maar het hangt van 
het onderwerp af.\\\"

De heer K.:
\\\"Hij is buitengewoon diep getroffen door die hele zaak. Wij staan pal achter 
hem. Het zou buitengewoon naar zijn als hij van u nog een keer straf kreeg.\\\"

De heer Demenint:
\\\"Kennelijk is wel overwogen om de man te ontslaan.\\\"

De heer K.:
\\\"Die advocaat diende een miljoenenclaim in. Als wij niet betaalden zou hij 
overal klachten indienen.\\\"

De heer Demenint:
\\\"Als wij weten dat iemand geld aanneemt van klanten, en hij vraagt registratie 
aan? Als het niet zwaar genoeg was voor de bank om hem te ontslaan dan is 
het voor ons waarschijnlijk ook niet zwaar genoeg. Misschien zouden wij hem 
dan hebben toegelaten onder de bijzondere bepaling van beoordeling door de 
werkgever na 3 en 6 maanden.\\\"


5. De beoordeling van de klacht

Uit de stukken, de afgelegde verklaringen voor zover 
wederzijds erkend althans niet of onvoldoende betwist en het overigens ter 
zitting behandelde is het volgende komen vast te staan.

BANK X heeft destijds als werkgever van Verweerder geoordeeld dat de in de 
klacht omschreven gedragingen materieel strijd opleverden met de strekking 
van haar interne regeling \\\"Integriteit en Gedrag\\\". Op basis daarvan heeft 
BANK X maatregelen tegen Verweerder getroffen, te weten hij moest de genoten 
koerswinst naar een goed doel overmaken, hij kreeg een aanzienlijke korting 
op zijn bonus en een waarschuwing, inhoudende aankondiging van ontslag, als 
in de toekomst mocht blijken dat niet de volledige waarheid was verteld en 
BANK X met een soortgelijke klacht zou worden geconfronteerd. Verweerder is 
vervolgens, mede hierdoor, langdurig arbeidsongeschikt geweest.

Omdat de onderhavige gedragingen hebben plaatsgevonden vóór 
inwerkingtreding van de gedragscode DSI kan Verweerder die code onmogelijk 
hebben overtreden en kan de Commissie daarvoor dan ook geen tuchtmaatregel 
opleggen.

Wel kan de Commissie een oordeel geven over de vraag of Verweerder bij zijn 
registratieverzoek melding had moeten maken bij DSI van een en ander.

Over het verweer dat BANK X en niet Verweerder verantwoordelijk is voor het 
al dan niet melden aan DSI van relevante feiten stelt de Commissie het volgende. 
De beantwoording van de vragenlijst op (in 1999) Formulier 1 (Eigen Verklaring) 
dient slechts door de verzoeker tot registratie in te worden gevuld en ondertekend. 
Deze verklaring hoeft de werkgever niet mede te ondertekenen. Verweerder is 
dus zelf verantwoordelijk voor het al dan niet melden van feiten die relevant 
zijn voor beoordeling tot toelating in een van de registers van DSI, en niet 
zijn werkgever. Het werkt wel verzachtend, want medio 1999 waren de banken 
allicht beter op de hoogte van wie of wat DSI was in de markt, dan dat Verweerder 
dat zelf was. Het is bovendien een bekend gegeven dat het aanvragen en invullen 
bij de banken centraal gestuurd werd. De werkgever heeft kennelijk ook niet 
het idee gehad dat het formulier van Verweerder van een en ander melding moest 
maken.

Voor de beoordeling van de vraag of Verweerder de onderhavige feiten aan DSI 
had moeten melden stelt de Commissie het volgende. Het is begrijpelijk dat 
DSI van die feiten op de hoogte had willen worden gesteld voor beoordeling 
van Verweerders registratieverzoek, mede gelet op het feit dat BANK X de gedragingen 
dermate ernstig opvatte dat zij Verweerder de hiervoor genoemde maatregelen 
oplegde, en zelfs ontslag had overwogen. Verweerder had bij het registratieverzoek 
aan DSI kunnen vragen of melding van deze feiten noodzakelijk was. Verweerder 
heeft dat echter nagelaten.

Daar staat echter tegenover dat DSI geen (duidelijk) beleid heeft ten aanzien 
van de vraag welke feiten bij DSI moeten worden gemeld. Zelfs nu, op de zitting 
bleek bij het DSI intern geen volstrekte duidelijkheid te bestaan over wat 
wèl en wat niet gemeld behoeft te worden, laat staan dat dat twee jaar 
geleden, toen DSI amper was opgericht, voor iedereen duidelijk was. 
Daar komt nog bij dat de Klachtencommissie Beursbedrijf de klacht waar de 
onderhavige gedragingen betrekking op hebben, op alle onderdelen had afgewezen 
en BANK X haar vertrouwen in Verweerder met kracht uitspreekt en hem heeft 
gerehabiliteerd. 

De Commissie ziet geen gronden om aan Verweerder enige disciplinaire maatregel 
op te leggen. Tuchtrechtelijke maatregelen zijn net als straffen in het gemene 
strafrecht, ultimum remedium. 


6. De beslissing 

De Tuchtcommissie wijst de klacht af.