Berisping voor beleggingsadviseur wegens overtreding gedragsregels - I

Een beleggingsadviseur kreeg een berisping opgelegd door de Tuchtcommissie van DSI omdat hij gedragsregels schond. De (inmiddels ontslagen) adviseur heeft zonder toestemming van de cliënt een optietransactie uitgevoerd.

Uitspraak Tuchtcommissie DSI 2018-01 d.d. 4 januari 2019.

prof. mr. dr. K.W.H. Broekhuizen (voorzitter), drs. S. Klep, drs. A. Laghrich, drs. J.N.M. Pieterse, en mr. R.K. Pijpers (leden van de Commissie), waarbij mr. M.L.M.N. Heltzel als secretaris optrad. Deze uitspraak is tot stand gekomen met inachtneming van de bepalingen van het Reglement Tuchtcommissie.

1.              Het verloop van de procedure

De Tuchtcommissie heeft een klachtrapport d.d. 27 februari 2018 van de Algemeen Directeur van de Stichting DSI (‘DSI”) ontvangen. Dit rapport betreft gedragingen van Verweerder die naar de mening van DSI in strijd zijn met de artikelen 7.1.1, 7.1.2, 7.1.4, 7.1.5, 7.2.1 en 7.2.3 van het Algemeen Reglement van DSI (“Gedragscode”).

Verweerder is bij brief van 3 mei 2018 uitgenodigd schriftelijk verweer te voeren en Verweerder heeft dit verweer op 11 juni 2018 aan de Tuchtcommissie doen toekomen.

Op 19 oktober 2018 heeft de zitting plaatsgevonden. Verweerder is verschenen en werd bijgestaan door zijn advocaat mw. mr. S. Coerts. Namens DSI zijn verschenen mr. M.A. van der Lecq en mr. M. Bijleveld.

Ter zitting heeft DSI haar stellingen nader toegelicht aan de hand van een pleitnotitie. Namens Verweerder heeft mr. Coerts het woord gevoerd en het standpunt van Verweerder nader toegelicht, mede aan de hand van een pleitnotitie. Voorts hebben beide partijen vragen van de Tuchtcommissie beantwoord.

De Tuchtcommissie heeft hierna beraadslaagd en de behandeling van de zaak gesloten.

2.             Korte samenvatting van de feiten

Verweerder is vanaf 17 januari 2007 geregistreerd als beleggingsadviseur in het register van DSI. Verweerder werkte vanaf 22 september 2003 bij Bank X (“de bank”) op het kantoor [plaatsnaam] als beleggingsadviseur en sinds begin januari 2016 als specialist beleggingsproposities op het kantoor te [plaatsnaam].

Verweerder was beleggingsadviseur voor klanten die belegden binnen de beleggingsconcepten Comfort Beleggen en Actief Beleggen.

Vanaf 2009 adviseerde Verweerder een aantal (actief beleggen) klanten te beleggen in AEX-opties.

Vanuit het [plaatsnaam] hoofdkantoor van de bank werden begin 2015 zorgen geuit over de risico’s van AEX-opties van bedoelde klanten.  Binnen het kantoor [plaatsnaam] is vervolgens in maart 2015 een ‘Optiebeleid Private Banking binnen beleggingsadvies’ opgesteld, met daarin kaders met betrekking tot onder meer de typen opties waarin binnen het beleggingsconcept Actief Beleggen kan worden belegd en de respectieve omvang daarvan. Verweerder was betrokken bij het opstellen van dit beleid.

In juni 2015 is onder meer nader besloten dat het aantal AEX-opties van klanten die beleggen binnen het beleggingsconcept Actief Beleggen (verder) afgebouwd diende te worden, dat in het kader van dat beleggingsconcept geen weekopties op de AEX meer zouden worden gedaan en dat klanten die in bedoelde weekopties en/of buiten de gestelde omvangkaders in andere opties willen beleggen zouden worden geïntroduceerd bij het beleggingsconcept Trading dat vanuit het [plaatsnaam] hoofdkantoor van de bank wordt aangeboden.

Op 14 december 2015 is in afwijking van eerder ter zake geformuleerde uitgangspunten door het management van het kantoor [plaatsnaam] aangegeven dat optieposities die op 18 december 2015 zouden aflopen kort verlengd mochten worden als dat vanwege de omvang van voorziene verliezen noodzakelijk zou zijn.

Verweerder heeft op 18 december 2015 de optieposities van een aantal beleggers (kort) verlengd.

Begin 2016 heeft de bank van drie klanten van Verweerder klachten ontvangen. Deze klachten hadden betrekking op hun optieposities.

Op 5 april 2016 is Verweerder geïnterviewd door medewerkers van de afdeling Security & Intelligence Management (SIM) van de bank.

De bank heeft op 1 november 2016 de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomst tussen de bank en Verweerder te beëindigen. De kantonrechter heeft bij uitspraak van 26 januari 2017 de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2017 ontbonden.

Op 1 maart 2017 heeft de bank bij DSI een incidentmelding gedaan.

3.             De klacht van DSI

De klacht van DSI strekt tot het opleggen van een boete aan Verweerder van € 2.000 wegens overtreding van de artikelen 7.1.1, 7.1.2, 7.1.4, 7.1.5, 7.2.1 en 7.2.3 van de Gedragscode.

DSI stelt dat Verweerder op vier verschillende wijzen tekortgeschoten is in de naleving van de Gedragscode:

Verweerder heeft onvoldoende voorlichting gegeven aan klanten over de werking en risico’s van AEX-optiehandel;

Verweerder heeft in strijd gehandeld met het beleid ten aanzien van AEX-weekopties;

Verweerder heeft eigenhandig een effectentransactie uitgevoerd zonder opdracht van de betrokken klant; en,

Verweerder heeft onvoldoende aan dossiervorming gedaan: relevante verslagen ontbreken.

DSI legt hieraan - kort weergegeven - de volgende handelingen van Verweerder ten grondslag:

Verschillende klanten van Verweerder hebben aangegeven onvoldoende op de hoogte te zijn geweest van de risico’s verbonden aan de optiehandel. Verweerder is ook niet – ondanks dat dit met zijn leidinggevenden was afgesproken – opnieuw met zijn optieklanten in gesprek gegaan over de werking van opties en de daaraan verbonden risico’s. Tevens heeft Verweerder volgens DSI nagelaten om aan al zijn optieklanten verschillende (risico)scenario’s voor te leggen;

Verweerder heeft begin oktober 2015 voor een klant AEX-weekopties aangekocht terwijl dit in strijd was met het sinds maart 2015 geldende beleid van de bank.
Hierover is geen overleg gevoerd met, of toestemming gekregen van de leidinggevende van Verweerder;

Eind november 2015 heeft verweerder voor een klant opties op een aandeel ‘doorgerold’ zonder dat hiertoe opdracht was gegeven door de klant. Hierover is geen overleg gevoerd met, of toestemming gekregen van de leidinggevende van Verweerder; en,

Verweerder heeft van meerdere klantgesprekken geen verslag opgenomen in het CRM-systeem van de bank (dit betreft een computerprogramma waarin verslagen van relevante gesprekken met klanten worden vastgelegd). Het gaat daarbij om gesprekken die zien op de handel in AEX-opties, waarbij ook verschillende malen wordt afgeweken van het beleid.

Drie klanten van Verweerder hebben bij de bank een klacht ingediend. Deze klanten hebben aanzienlijke bedragen verloren door in opties te beleggen (voor één klant betrof dit verlies ruim € 1 miljoen en voor de andere twee klanten ieder ruim € 600.000). De bank heeft deze verliezen vergoed. Ook met betrekking tot andere klanten van Verweerder heeft de bank zich genoodzaakt gezien schadevergoedingen te betalen.

DSI stelt dat Verweerder op een onverantwoord autonome en onprofessionele wijze heeft gehandeld door beslissingen te nemen die in een beleggingsadviesrelatie niet door een adviseur genomen mogen worden.

Verweerder was gehouden om het interne beleid van de bank na te leven. Ook was het zijn eigen persoonlijke verantwoordelijkheid om de zorgvuldigheidsnormen uit de Gedragscode na te leven.

4.             Het verweer

Verweerder stelt - kort weergegeven - dat hij zich niet kan vinden in de klacht van DSI. Verweerder heeft vanuit zijn functie als beleggingsadviseur altijd het belang van zijn klanten en van de bank in ogenschouw genomen.  

Verweerder betwist dat hij onvoldoende voorlichting heeft gegeven aan klanten over de werking en risico’s van AEX-optiehandel. Verweerder heeft alle klanten die hij bediende meermaals gewezen op de risico’s van het beleggen in opties. Verweerder heeft onder meer aan zijn klanten per e-mail rekenvoorbeelden verstrekt waaruit blijkt welke risico’s de klant loopt bij het beleggen in een bepaald type optie. Ook heeft Verweerder vermogensrapportages verstrekt.

Het ligt volgens Verweerder op de weg van DSI om aan te tonen dat hij tekort zou zijn geschoten in het verstrekken van informatie aan klanten over de risico’s van het beleggen in opties. Dit geldt temeer nu Verweerder geen toegang heeft tot stukken bij de bank waarmee hij aan kan tonen dat hij zijn klanten wel geïnformeerd heeft.

Verweerder heeft in de periode dat hij voor de bank heeft gewerkt altijd goede of uitmuntende beoordelingen gehad. Nimmer is aangegeven dat hij onvoldoende op de risico’s wijst van het beleggen in opties.

Verweerder is zich ervan bewust dat er sinds medio 2015 in beginsel geen weekopties meer geadviseerd mochten worden. In de praktijk werd er in sommige gevallen nog wel belegd in weekopties. Dit met medeweten van het management van de bank. Verweerder heeft eenmalig – op uitdrukkelijk verzoek van de klant – een transactie uitgevoerd om een weekoptie te kopen. Dit kwam mede doordat de klant niet door Trading bediend kon worden. Verweerder heeft daarbij in belang van de klant en de bank gehandeld. Verweerder heeft weliswaar het management niet betrokken bij de beslissing om een weekoptie aan te kopen, maar Verweerder stelt dat het management van de bank toestemming gegeven zou hebben indien Verweerder dit aan het management voorgelegd zou hebben.

Verweerder erkent eenmalig een transactie te hebben uitgevoerd zonder een klantopdracht.

Dit betrof een uitzonderingssituatie. Het ging daarbij om een transactie voor een klant die al jarenlang veelvuldig belegde in opties. Het betrof het ‘doorrollen’ van een optie die in overleg tussen Verweerder en klant reeds drie keer eerder was ‘doorgerold’. Deze klant had bij Verweerder verschillende malen aangegeven dat in het geval dat Verweerder de klant niet kon bereiken Verweerder ‘moest doen wat hij verstandig achtte’. Deze instructie van de klant is ook vastgelegd in het CRM-systeem van de bank (waartoe Verweerder geen toegang meer heeft).

Verweerder heeft zich altijd optimaal ingespannen voor een goede verslaggeving van relevante klantgesprekken en betwist onvoldoende aan dossiervorming gedaan te hebben.
Verweerder voerde ongeveer 3.000 gesprekken per jaar. Kennelijk ontbreken twee klantverslagen. Dit kan gelet op de omvang van de gesprekken die Verweerder voerde, niet leiden tot een tuchtrechtelijk verwijt.

Door Verweerder is tijdens de zitting benadrukt dat het ontslag bij de bank en vervolgens de procedure bij de Tuchtcommissie van DSI een grote impact op zowel de carrière van Verweerder als persoonlijk op Verweerder en zijn familie heeft gehad.

Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat hij niet in strijd met de Gedragscode heeft gehandeld. Mocht de Tuchtcommissie wel tot het oordeel komen dat sprake is van schending van de Gedragscode, dan stelt Verweerder dat geen aanleiding bestaat voor het opleggen van maatregelen.

5.         De beoordeling van de klacht

De Tuchtcommissie legt aan haar beoordeling van de klacht de volgende uitgangspunten ten grondslag:

(i)              Het door de bank in maart 2015 ingezette afbouwbeleid van AEX-optieposities bevatte algemene uitgangspunten, op basis waarvan Verweerder per klant moest bezien in hoeverre en op welke wijze de afbouw van de optieposities in de loop van 2015 gestalte kon worden gegeven, waarbij geldt dat beslissingen ter zake van die afbouw in belangrijke mate afhingen van de klant.

(ii)             Verweerder heeft in de bedoelde periode het management van het kantoor [plaatsnaam] geregeld voorzien van overzichten per klant, zodat de bank steeds in de gelegenheid is geweest het precieze verloop van de ingezette afbouwoperatie te volgen, hetgeen in het kader van een belangrijke wijziging van het beleggingsadviesbeleid als hier aan de orde ook tot de verantwoordelijkheid van de bank behoort.

(iii)            In de afgelopen jaren zijn medewerkers van banken en andere financiële ondernemingen in toenemende mate onderworpen aan stringente regels met betrekking tot zorgvuldige klantbehandeling en daarmee verband houdende procedurele voorschriften ten aanzien van vastlegging en verantwoording. De naleving van deze regels en voorschriften vereist niet alleen een daarop gerichte professionele attitude van de betrokken medewerkers, maar evenzeer de aanwezigheid van een organisatiecultuur waarin de medewerkers geen ruimte krijgen of ervaren om in bijzondere situaties op autonome wijze en naar eigen goeddunken te besluiten de desbetreffende regels en voorschriften niet of niet volledig na te leven, hoe klantgericht hun motieven ter zake ook mogen zijn.

Uit het dossier en het behandelde ter zitting maakt de Tuchtcommissie op dat Verweerder door de bank jarenlang als een succesvolle beleggingsadviseur is aangemerkt, mede gelet op zijn voor zijn klanten en de bank profijtelijke activiteiten op het terrein van optietransacties. Onder meer op basis van hetgeen Verweerder tijdens de zitting heeft verklaard, is het de Tuchtcommissie gebleken dat Verweerder in die jaren binnen de bank de ruimte had om zijn werkzaamheden op een relatief zelfstandige wijze en in aanzienlijke mate naar eigen inzicht uit te oefenen, terwijl de bank Verweerder later, toen de bank de optieposities van klanten van Verweerder vanwege hun omvang als een aanzienlijke risicopost opvatte, juist heeft tegengeworpen dat hij vooral op zijn eigen kompas voer.

Omdat uit het dossier niet valt af te leiden dat Verweerder op enig moment door de bank te verstaan is gegeven dat hij zijn werkwijze zou moeten aanpassen – zijn personeelsbeoordeling van medio 2015 is ter zake bijvoorbeeld juist lovend – hanteert de Tuchtcommissie in het licht van hetgeen is opgemerkt in § 5.1(iii) als vertrekpunt dat het hem tegengeworpen autonome optreden Verweerder vanuit tuchtrechtelijk perspectief in niet al te sterke mate kan worden aangerekend.

5.2       In de volgende paragrafen wordt de klacht beoordeeld aan de hand van de verwijten zoals verkort weergegeven in § 3.2 en § 3.3.

5.3       Verweerder heeft onvoldoende voorlichting gegeven aan klanten over de werking en risico’s van AEX-optiehandel

DSI verwijt Verweerder dat verschillende van zijn klanten hebben aangegeven onvoldoende op de hoogte te zijn geweest van de risico’s verbonden aan de optiehandel. DSI verwijt Verweerder voorts dat hij – ondanks dat dit met zijn leidinggevenden was afgesproken – niet opnieuw met zijn optieklanten in gesprek is gegaan over de werking van opties en de daaraan verbonden risico’s. Tevens heeft Verweerder volgens DSI nagelaten om aan al zijn optieklanten verschillende (risico)scenario’s voor te leggen. In dit licht benadrukt DSI dat Verweerder tijdens het interview met SIM zou hebben erkend dat hij zijn klanten onvoldoende heeft voorgelicht.

Bij de beoordeling van dit deel van de klacht kent de Tuchtcommissie groot gewicht toe aan de omstandigheid dat het verwijt dat Verweerder klanten in onvoldoende mate heeft gewezen op de risico’s verbonden aan de optiehandel in belangrijke mate is gebaseerd op uitlatingen en verklaringen van klanten (daaronder ook begrepen opmerkingen van die klanten in telefoongesprekken met Verweerder) die met de optietransacties aanzienlijke verliezen hebben geleden, in het kader waarvan de bank zich genoodzaakt heeft gezien schadevergoedingen uit te keren. Deze uitlatingen en verklaringen als zodanig kunnen naar het oordeel van de Tuchtcommissie de verwijten niet zelfstandig dragen, temeer nu Verweerder zich op het standpunt stelt zijn klanten wel in voldoende mate over de risico’s te hebben voorgelicht. Daarbij komt dat Verweerder onder meer heeft betoogd dat uit de administratie van de bank zou blijken dat deze voorlichting steeds op een juiste wijze heeft plaatsgevonden, maar dat hij, doordat hij geen toegang (meer) tot die administratie heeft, niet in de positie verkeert om dit aan te tonen. Het kennelijke standpunt van de bank dat de bedoelde schadevergoedingen verband houden met de gebrekkige risicovoorlichting zijdens Verweerder kan de verwijten van DSI volgens de Tuchtcommissie evenmin zelfstandig dragen.

De Tuchtcommissie kan op basis van de inhoud van het dossier niet vaststellen of Verweerder ondanks de gemaakte afspraken zijn klanten niet opnieuw respectievelijk afdoende heeft voorgelicht over de werking van opties en de daaraan verbonden risico’s. Daarbij neemt de Tuchtcommissie in aanmerking dat de vereiste inhoud en diepgang van deze voorlichting mede wordt bepaald door de reeds aanwezige kennis bij de klanten en de informatie-uitwisseling die ter zake tussen de bank respectievelijk Verweerder en de desbetreffende klanten in een eerder stadium heeft plaatsgevonden, zodat de vraag of de voorlichting opnieuw (respectievelijk afdoende) heeft plaatsgevonden in zoverre niet op een eenduidige wijze kan worden beantwoord. Dit leidt tot het oordeel van de Tuchtcommissie dat niet kan worden vastgesteld dat Verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld doordat hij klanten in onvoldoende mate heeft voorgelicht omtrent de werking en risico’s van optietransacties.

Het verwijt dat Verweerder volgens DSI heeft nagelaten om aan al zijn optieklanten verschillende (risico)scenario’s voor te leggen, kan naar het oordeel van de Tuchtcommissie ingevolge hetgeen hiervoor is overwogen evenmin slagen. Ook ten aanzien van dit verwijt geldt dat de Tuchtcommissie op basis van het dossier niet kan vaststellen of Verweerder zulks daadwerkelijk heeft nagelaten.

De Tuchtcommissie overweegt in dit verband voorts dat Verweerder (in het SIM-interview) heeft erkend dat hij zijn klanten in onvoldoende mate heeft voorgelicht omtrent – kort gezegd – bijstorting en executie. Dergelijke voorlichting lijkt evenwel betrekking te hebben op typische procedurele aspecten, maar los daarvan heeft Verweerder aangevoerd dat hij deze specifieke informatievoorziening achterwege heeft gelaten omdat deze moest plaatsvinden door de betrokken private banker van de bank respectievelijk dat de informatievoorziening daaromtrent (ook) reeds ingevolge verstrekt documentatiemateriaal had plaatsgevonden. Aan de onderhavige ‘erkenning’ zijdens Verweerder kan naar het oordeel van de Tuchtcommissie dan ook niet de gevolgtrekking worden verbonden dat Verweerder zijn klanten in onvoldoende mate heeft voorgelicht over de werking en risico’s van optietransacties.

Het klachtrapport van DSI lijkt hier en daar een impliciet verwijt aan het adres van Verweerder te bevatten dat de risico’s uit hoofde van optietransacties in de beleggingsportefeuilles van de klanten van Verweerder te groot waren. Nu deze verwijten niet zijn gepresenteerd in de vorm van een klacht dan wel een onderdeel daarvan, de verwijten niet zijn voorzien van een gedetailleerde onderbouwing en bovendien niet helder wordt gemaakt of en in hoeverre deze verwijten zich verhouden tot het door de bank op risicovermindering gerichte afbouwproces van optietransacties, laat de Tuchtcommissie deze impliciete verwijten verder onbesproken.

5.4       Verweerder heeft in strijd gehandeld met het beleid ten aanzien van AEX-weekopties

DSI verwijt Verweerder dat hij begin oktober 2015 voor een klant AEX-weekopties heeft aangekocht terwijl dit in strijd was met het sinds maart 2015 geldende beleid van de bank. Hierover is geen overleg gevoerd met, of toestemming gekregen van de leidinggevende van Verweerder.

Anders dan DSI klaarblijkelijk meent kan naar het oordeel van de Tuchtcommissie uit het destijds geldende beleid van de bank niet worden afgeleid dat in het geheel geen transacties in AEX-weekopties meer konden worden verricht. In het beleid is verwoord dat klanten die transacties in AEX-weekopties willen verrichten zullen worden geïntroduceerd bij het beleggingsconcept Trading op het hoofdkantoor van de bank te [plaatsnaam]. Er is in het beleid niet bepaald wat met orders in AEX-weekopties dient te gebeuren zolang de bedoelde introductie niet heeft plaatsgevonden of is afgerond. Evenmin is in het beleid bepaald wat dient te gebeuren als klanten niet bij Trading kunnen worden ondergebracht. In het beleid is evenmin vermeld dat Verweerder in dergelijke gevallen toestemming zou moeten verkrijgen van zijn leidinggevende. Deze lacune in het beleid van de bank kan Verweerder niet worden aangerekend. Dit is niet anders nu Verweerder zelf betrokken was bij het opstellen van het bedoelde beleid. Die betrokkenheid, in combinatie met het niet in detail uitgewerkte beleid, wijst er volgens de Tuchtcommissie veeleer op dat de bank vertrouwen stelde in Verweerder om aan het beleid op een verantwoorde wijze invulling en uitvoering te geven. Dit neemt niet weg dat Verweerder – zoals Verweerder overigens zelf ook heeft aangegeven – er naar het oordeel van de Tuchtcommissie verstandig aan had gedaan om in het beleid niet-voorziene situaties intern te bespreken, maar het gaat de Tuchtcommissie te ver om Verweerder in tuchtrechtelijke zin te verwijten dat hij onder de gegeven omstandigheden op een te autonome wijze heeft geopereerd. In dit verband merkt de Tuchtcommissie nog op dat, anders dan DSI lijkt aan te nemen, Verweerder in het desbetreffende geval de klant niet heeft aanbevolen om de transactie uit te voeren, maar dat het initiatief tot de transactie is uitgegaan van de betrokken klant, die te dien aanzien bovendien had aangegeven de desbetreffende optietransactie bij gebreke van uitvoering door Verweerder op basis van de execution-only-beleggingsdienstverlening van de bank te zullen doen uitvoeren.

5.5       Verweerder heeft eigenhandig een effectentransactie uitgevoerd zonder opdracht van de betrokken klant

DSI verwijt Verweerder dat hij eind november 2015 voor een klant opties op een aandeel heeft ‘doorgerold’ zonder dat hiertoe opdracht was gegeven door de klant. Hierover is geen overleg gevoerd met, of toestemming gekregen van de leidinggevende van Verweerder.

Verweerder heeft aangevoerd dat in dit geval sprake was van een uitzonderingssituatie ten aanzien waarvan hem geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, aangezien de desbetreffende klant hem ooit heeft gevraagd om in de situatie dat Verweerder hem niet zou kunnen bereiken datgene te doen dat Verweerder verstandig zou lijken en dat de optietransactie in kwestie reeds meermalen op basis van overleg tussen de klant en Verweerder was doorgerold. Volgens Verweerder heeft hij de bedoelde vraag van de klant vastgelegd in het CRM-systeem van de bank en heeft de betrokken klant het doorrollen achteraf geaccordeerd.

Naar het oordeel van de Tuchtcommissie had Verweerder de bewuste optietransactie niet zonder specifieke toestemming van de klant mogen doorrollen. Daaraan kan niet afdoen de omstandigheid dat de desbetreffende klant achteraf heeft bevestigd de handelwijze van Verweerder te billijken. De Tuchtcommissie is van oordeel dat Verweerder in dit verband tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en de bepalingen van de artikelen 7.1.2, 7.1.4 en 7.1.5 van de Gedragscode heeft overtreden.

In dit verband overweegt de Tuchtcommissie nog dat de afspraak die Verweerder kennelijk met de betrokken klant heeft gemaakt voor het geval de klant niet bereikbaar zou zijn een beleggingsadviseur, zoals nu ook is gebleken, in een kwetsbare positie kan brengen. De Tuchtcommissie beschouwt dergelijke goedbedoelde, algemene afspraken in beginsel als ongewenst.

5.6       Verweerder heeft onvoldoende aan dossiervorming gedaan: relevante verslagen ontbreken

DSI verwijt Verweerder dat hij van meerdere klantgesprekken geen verslag heeft opgenomen in het CRM-systeem van de bank. Het gaat daarbij om gesprekken die zien op de handel in risicovolle AEX-opties, waarbij ook verschillende malen wordt afgeweken van het beleid.

Het verwijt van DSI strekt zich uit tot vier specifieke gesprekken. Ten aanzien van twee van deze gesprekken heeft Verweerder erkend dat hij daarvan – door drukte of anderszins, maar steeds onbedoeld – geen verslag in het CRM-systeem heeft opgenomen. Ten aanzien van de twee andere gesprekken heeft Verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze gelet op de inhoud van de gesprekken niet in het CRM-systeem behoefden te worden opgenomen.

De Tuchtcommissie onderschrijft dit laatste standpunt van Verweerder niet. Beide gesprekken hadden betrekking op optietransacties, die juist ook in de context van het afbouwbeleid zodanig belangrijk moesten worden geacht, dat het voor Verweerder evident had moeten zijn dat vastlegging aangewezen was.

De Tuchtcommissie kan begrijpen dat door drukte of andere omstandigheden van sommige klantgesprekken onbedoeld incidenteel geen verslag wordt opgesteld respectievelijk in het CRM-systeem is of wordt ingevoerd, maar neemt het Verweerder in tuchtrechtelijke zin wel kwalijk dat hij meent dat van de hiervoor bedoelde twee gesprekken vanwege hun strekking of inhoud geen verslag behoefde te worden opgesteld. Naar het oordeel van de Tuchtcommissie heeft Verweerder in verband hiermee de artikelen 7.1.2 en 7.1.4 van de Gedragscode overtreden.

6.         De beslissing

6.1       De Tuchtcommissie oordeelt dat sprake is van overtreding van de artikelen 7.1.2, 7.1.4 en 7.1.5 van de Gedragscode. Daarmee acht de Tuchtcommissie de klacht van DSI deels gegrond. De Tuchtcommissie wijst het overige in het klachtrapport gestelde af.

6.2       De Tuchtcommissie legt aan Verweerder een berisping op. Bij het opleggen van deze maatregel heeft de Tuchtcommissie mede rekening gehouden met de uitgangspunten als neergelegd in § 5.1(iii) en § 5.1(iv) en gewicht toegekend aan het feit dat de procedure bij DSI bijna twee jaar in beslag heeft genomen.

6.3          Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.