Boete wegens onzorgvuldige omgang met vertrouwelijke informatie - I

De Tuchtcommissie DSI heeft een bestuurder een boete van €2.500 opgelegd wegens een schending van de Gedragscode. De bestuurder heeft volgens de Tuchtcommissie verwijtbaar gehandeld door vertrouwelijke informatie over de invoering van de Ultimate Forward Rate te gebruiken voor transacties in financiële instrumenten. De Tuchtcommissie is bovendien van mening dat de bestuurder had moeten bevorderen dat zijn ondergeschikten overeenkomstig de Gedragscode handelden. Hierin is de bestuurder volgens de Tuchtcommissie tekortgeschoten.

Uitspraak Tuchtcommissie DSI 2018-03 d.d. 19 juni 2019 in de zaak van [Verweerder] (“Verweerder”).

prof. mr. dr. K.W.H. Broekhuizen (voorzitter), mr. S.A. Boele, mw. drs. S. Klep, mw. dr. D.A.M. Melis, prof. mr. dr. C.E. du Perron (leden van de Commissie), waarbij mw. mr. M.L.M.N. Heltzel als secretaris optrad. Deze uitspraak is tot stand gekomen met inachtneming van de bepalingen van het Reglement Tuchtcommissie.

1. Het verloop van de procedure

1.1      De Tuchtcommissie heeft een op 5 januari 2018 gedateerd klachtrapport van de Algemeen Directeur van de Stichting DSI (“DSI”) ontvangen. Dit rapport betreft gedragingen van Verweerder die naar de mening van DSI in strijd zijn met de artikelen 7.1.1, 7.1.2, 7.1.3, 7.1.4, 7.1.5, 7.3.1 en 7.3.2 van het Algemeen Reglement van DSI zoals dat gold van 1 oktober 2009 tot 1 november 2015 (de in artikel 7 van het Algemeen Reglement neergelegde gedragsregels hierna ook te noemen: de “Gedragscode”).

1.2      Verweerder is bij brief van 25 mei 2018 uitgenodigd schriftelijk verweer te voeren en Verweerder heeft dit verweer op 13 september 2018 aan de Tuchtcommissie doen toekomen.

1.3      Op 15 februari 2019 heeft de zitting van de Tuchtcommissie plaatsgevonden. Verweerder is verschenen en werd bijgestaan door zijn advocaat mr. N. van der Aa. Namens DSI zijn verschenen mr. M.A. van der Lecq en mr. M. Bijleveld.

1.4      Ter zitting heeft DSI haar stellingen nader toegelicht aan de hand van een pleitnotitie. Zowel Verweerder als mr. Van der Aa hebben het woord gevoerd en het standpunt van Verweerder nader toegelicht. Voorts hebben beide partijen vragen van de Tuchtcommissie beantwoord.

1.5      De Tuchtcommissie heeft hierna beraadslaagd en de behandeling van de zaak gesloten.

2. Korte samenvatting van de feiten

2.1     Verweerder was van 5 juni 2001 tot 14 september 2016 geregistreerd als Senior Vermogensbeheerder in het register van DSI. Verweerder was vanaf 1 september 1997 lid van de Raad van Bestuur van [Onderneming A] en sinds 1 april 2001 voorzitter. 

2.2     In de tweede helft van mei 2012 heeft [Onderneming A] - teneinde te voldoen aan wensen van De Nederlandsche Bank N.V. (“DNB”) dienaangaande - diverse maatregelen getroffen om haar financiële risicoprofiel (het renterisico) te verlagen. Deze maatregelen bestonden onder meer uit het aangaan van OTC receiver swaps (hierna: de ‘Receiver Swaps’). Binnen [Onderneming A] en ook bij Verweerder bestond grote onvrede over deze interventie van DNB en de op verzoek van DNB doorgevoerde maatregelen ter beperking van het renterisico. [Onderneming A] en Verweerder waren van mening dat [Onderneming A] door deze maatregelen ‘overhedged’ was.

2.3     Op 7 juni 2012 is de zoon van Verweerder betrokken geraakt bij een zeer ernstig auto-ongeluk, waardoor hij in kritieke toestand in het ziekenhuis werd opgenomen. Verweerder heeft op diezelfde datum zijn taken als voorzitter van de Raad van Bestuur overgedragen aan een collega-bestuurslid. Medio augustus 2012 heeft Verweerder zijn functie van voorzitter van de Raad van Bestuur hervat.

2.4     Op 27 juni 2012 om 22:26 uur stuurt de CFO van [Onderneming A] een mailbericht aan verschillende personen binnen [Onderneming A], waaronder Verweerder. De CFO, die lid is van de Commissie Financiële en Economische Zaken van het Verbond van Verzekeraars (“CFEZ” respectievelijk “het Verbond”) geeft in dit bericht aan dat hij er door de voorzitter van de CFEZ van op de hoogte is gesteld dat deze laatste gevraagd is zich op vrijdagochtend bij DNB te melden en dat de boodschap van DNB was dat er iets zou veranderen aan de rentetermijnstructuur per 30 juni 2012. De CFO vermeldt dat het vermoeden is dat DNB iets met de Ultimate Forward Rate (“UFR”) zal doen en hij verzoekt de geadresseerden een transactievoorstel uit te werken, ervan uitgaande dat de RTS curve naar boven wordt bijgesteld en dat dit met name een positief effect zal hebben op de ECB AAA/swap rate voor de lange duren. In de onderwerp-regel van het desbetreffende mailbericht is het woord ‘vertrouwelijk’ opgenomen.

2.5      Op 28 juni 2012 heeft om 8:30 uur telefonisch overleg plaatsgevonden tussen de waarnemend voorzitter van de Raad van Bestuur, de CFO van [Onderneming A] en Verweerder. In dat overleg is besloten transacties uit te voeren waardoor de door DNB afgedwongen ‘overhedge’ zou worden teruggedraaid. Bij betrokkenen leefde immers de verwachting dat als gevolg van invoering van de UFR het renterisico en de noodzaak om dit af te dekken zou afnemen.

2.6      In een mailbericht van 28 juni 2012 om 9:39 uur stelt de CEO van [Onderneming B] aan onder meer de CFO van [Onderneming A] en Verweerder voor om het renterisico op het Imtech-pensioencontract, indien dat zou doorgaan, vooralsnog niet te hedgen en om daarnaast voor een bedrag van € 250-500 miljoen van de lange receiver swaps te sluiten.

Per mailbericht van 28 juni 2012 om 9:57 uur aan onder meer de CEO van [Onderneming B] en Verweerder geeft de CFO van [Onderneming A] daarop het akkoord, mits de CRO van [Onderneming A] dit advies ondersteunt.

2.7      Verweerder, die lid was van het bestuur van het Verbond en de CFEZ in zijn portefeuille had, heeft in de ochtend van 28 juni 2012 telefonisch contact opgenomen met de algemeen directeur van het Verbond. Van dit telefoongesprek doet Verweerder op 28 juni 2012 om 11:14 uur door middel van een mailbericht verslag aan zeven personen binnen [Onderneming A]. Het onderwerp van dit mailbericht luidt “Vertrouwelijk: RTS / Verbond van Verzekeraars”. In dit mailbericht schrijft Verweerder onder meer:

“Volgens [de algemeen directeur, Tuchtcommissie] zal de sector geïnformeerd worden dat de Ultimate Forward Rate naar 4.2-4.3 % wordt verhoogd voor pensioenfondsen en verzekeraars. Dit is strikt vertrouwelijk en mag eigenlijk niet verder worden gedeeld. Heeft [directeur Verbond, Tuchtcommissie] DNB weten te ontfutselen.”

En:

“[De algemeen directeur van het Verbond, Tuchtcommissie] verwacht dat het morgen gewoon een mededeling wordt van DNB. Invoering per 30/6. Bevestigd mi onze vanochtend gemaakte keuzes. [Onderneming B] graag iom CRO/CFO verder actie ondernemen. Stel voor dat wij nog meer proberen te doen langs afgesproken lijnen.”

2.8      Bij mailbericht van 28 juni 2012 om 15:23 uur schrijft de CRO van [Onderneming A] aan de CEO van [Onderneming B] (met cc aan Verweerder) dat indien deze positie wordt gesloten, binnen bepaalde limieten zal worden gebleven. De Tuchtcommissie begrijpt dat de CRO hiermee zijn goedkeuring gaf aan de door de CEO van [Onderneming B] voorgestelde transacties (zie hiervoor onder 2.6).

2.9       Op 28 juni 2012 om 16:05 uur bevestigt de manager fixed income van [Onderneming B]  met een e-mail die onder meer aan Verweerder gericht is, dat twee swaps zijn teruggedraaid. Hij schrijft:

“Met de transacties van vandaag is de actie van vorige maand vrijwel geneutraliseerd qua renterisico voor [Onderneming C].”

Met de “transactie van vorige maand” doelt de manager fixed income kennelijk op de ‘overhedge’ die [Onderneming A] in mei 2012 op verlangen van DNB tot stand bracht.

2.10    Op 2 juli 2012 wordt door de manager fixed income van [Onderneming B] nog een achttal swaps teruggedraaid.

2.11     Op 2 juli 2012 publiceert DNB nabeurs een persbericht waarin de invoering van de UFR wordt aangekondigd.

2.12     Op 3 juli 2012 ontvangt DNB een melding van een marktpartij dat [Onderneming A] ‘transacties heeft verricht voorafgaand aan de bekendmaking van de invoering van de UFR’.

2.13     Op 17 december 2014 heeft DNB [Onderneming A] een boete opgelegd van € 22,8 miljoen wegens overtreding van artikel 3:10 en artikel 3:17 Wft.

2.14     Verweerder is op 1 januari 2015 teruggetreden als voorzitter van de Raad van Bestuur van [Onderneming A].

2.15     Op 28 december 2015 heeft [Onderneming A] bij DSI een incidentmelding gedaan.

3. De klacht van DSI

3.1      De klacht van DSI strekt tot het opleggen van een boete aan Verweerder van €5.000 wegens overtreding van de artikelen 7.1.1, 7.1.2, 7.1.3, 7.1.4, 7.1.5, 7.3.1 en 7.3.2 van de Gedragscode. De kern van de klacht van DSI is dat Verweerder tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld door de wijze waarop hij is omgegaan met de vertrouwelijke informatie over de voornemens van DNB aangaande de rentetermijnstructuur die op 27 en 28 juni 2012 op verschillende momenten en via verschillende kanalen via het Verbond bij Verweerder is terechtgekomen.

3.2       DSI stelt zich op het standpunt dat Verweerder – mede gelet op zijn jarenlange ervaring – direct had moeten signaleren dat sprake was van vertrouwelijke informatie en dat een afgewogen beoordeling gemaakt had moeten worden met betrekking tot de vraag of deze informatie gebruikt kon worden. Een zorgvuldige beoordeling heeft echter niet plaatsgevonden. Verweerder heeft ook ten onrechte nagelaten compliance in te schakelen.

3.3       DSI verwijt Verweerder dat hij de transacties waarbij de ‘overhedge’ werd teruggedraaid heeft geaccordeerd en gestimuleerd en dat hij in dat kader op actieve wijze nadere informatie bij het Verbond heeft gezocht. Verweerder heeft vervolgens binnen [Onderneming A] informatie gedeeld die hij enkel vanwege zijn functie als bestuurslid bij het Verbond had ontvangen. Verweerder heeft na het ontvangen van deze informatie ook nog de mogelijkheid gehad om de opdracht voor de transacties terug te draaien, aangezien de transacties op dat moment nog niet uitgevoerd waren, maar van die mogelijkheid heeft hij geen gebruik gemaakt.

3.4       Verweerder heeft zich tevens schuldig gemaakt aan oneerlijk marktgedrag, omdat [Onderneming A] heeft gehandeld op basis van informatie over de aanpassing van de rentestructuur op een moment dat de markt niet over dezelfde informatie beschikte. Deze informatievoorsprong is door [Onderneming A] misbruikt door tussen 28 juni 2012 en 2 juli 2012 tien OTC transacties te verrichten met partijen die niet over dezelfde informatie beschikten.

3.5       Verweerder had er volgens DSI bovendien zorg voor dienen te dragen dat de interne procedures binnen [Onderneming A] zorgvuldig gevolgd werden bij de uitvoering van de transacties. Binnen [Onderneming A] had een bijeenkomst moeten plaatsvinden van het Group Risk Committee (“GRC”) om advies over de transacties te geven. Ook had het Asset & Liability Comité (“ALCO”) goedkeuring moeten verlenen. Pas daarna had de Raad van Bestuur een besluit mogen nemen. De besluitvorming van de Raad van Bestuur had moeten worden vastgelegd in notulen. Dit alles is ten onrechte achterwege gelaten, aldus DSI.

3.6       Volgens DSI had Verweerder als voorzitter van de Raad van Bestuur een voorbeeldfunctie. Het had daarom op de weg van Verweerder gelegen om ervoor zorg te dragen dat niet alleen hij, maar ook degenen die onder zijn leiding werkzaam zijn voldoen aan de Gedragscode en het interne beleid van [Onderneming A] op het gebied van integriteit.

4. Het verweer

4.1      Verweerder meent dat DSI niet-ontvankelijk is in haar klacht. DSI is volgens Verweerder niet-ontvankelijk nu Verweerder niet meer geregistreerd is bij DSI, geen activiteiten heeft uitgeoefend die betrekking hadden op een DSI geregistreerde functie, de OTC-rentederivaten transacties ook niet vallen onder het begrip ‘effectenmarkten’ in de zin van de Gedragscode, en DSI al in 2003 de registratie van Verweerder had moeten beëindigen nu hij al sinds 2001 niet meer verantwoordelijk was voor het beleggingsbeleid. Bovendien acht Verweerder de klacht disproportioneel en zinloos, nu DNB en AFM aan [Onderneming A] een boete hebben opgelegd, en Verweerder door de daarmee gepaard gaande publiciteit zowel zakelijk als qua reputatie is getroffen. DNB en AFM hebben in overleg met [Onderneming A] in augustus 2015 besloten om het dossier te sluiten. De onderhavige klacht is in feite een herhaling van een kwestie die door DNB en AFM als afgehandeld wordt beschouwd.

4.2      Verweerder betwist dat zijn gedragingen een ernstige schending van de Gedragscode opleveren. Bij de beoordeling van de verwijten van DSI moeten de persoonlijke omstandigheden van Verweerder (de kritieke toestand van zijn zoon) in aanmerking worden genomen alsmede het feit dat Verweerder in de periode dat de transacties zijn uitgevoerd zijn functie als voorzitter van de Raad van Bestuur had overgedragen aan een ander lid van de Raad van Bestuur van [Onderneming A]. Verweerder was in de hier relevante periode voornamelijk op de Intensive Care van het ziekenhuis aanwezig.

4.3      DSI moet zich temeer terughoudend jegens Verweerder opstellen, nu op grond van het AFM-DSI convenant van 13 november 2012 (de Tuchtcommissie neemt aan dat 2002 wordt bedoeld) het de AFM is die in deze een handhavingsrol heeft. AFM heeft echter bewust geen stappen jegens Verweerder genomen. Ook daarom moet DSI niet-ontvankelijk worden verklaard in de klacht.

4.4      Verweerder meent dat niet alleen naar de periode 27 juni tot 2 juli 2012 gekeken dient te worden maar dat de relatie tussen [Onderneming A] en DNB vanaf 2008 in aanmerking moet worden genomen. [Onderneming A] heeft tijdens de financiële crisis geen staatssteun ontvangen en is in november 2009 succesvol naar de beurs gegaan. Per januari 2012 is de relatie tussen [Onderneming A] en DNB verslechterd. 

4.5      Verweerder had de mail die de CFO van [Onderneming A] in de avond van 27 juni 2012 had verstuurd nog niet gelezen toen hij op 28 juni 2012 aan het begin van de ochtend telefonisch contact had met de waarnemend voorzitter van de Raad van Bestuur en de CFO van [Onderneming A]. In dat gesprek gaf Verweerder als zijn mening te kennen dat de ‘overhedges’ allang teruggedraaid hadden moeten worden. Dat de uitnodiging van DNB aan het Verbond vertrouwelijk zou zijn is in dat gesprek niet naar voren gekomen en Verweerder betwist dan ook dat hij, toen de Raad van Bestuur besloot de ‘overhedge’ terug te draaien, ermee bekend was dat de informatie van DNB als vertrouwelijk moest worden gekwalificeerd.

4.6      Verweerder heeft op verzoek van zijn collega’s op 28 juni 2012 naar de directievoorzitter van het Verbond van Verzekeraars gebeld en vervolgens vanuit het AMC in haast de mail opgesteld die hij om 11:14 uur binnen [Onderneming A] verspreid heeft.

4.7      Verweerder stelt dat hij op 28 juni 2012 in de middag nog vanuit het ziekenhuis naar het kantoor van [Onderneming A] is gegaan om bij de CRO navraag te doen of het mogelijk koersgevoelige informatie betrof. Daarvan was volgens de CRO van [Onderneming A] geen sprake. Verweerder heeft zich dus wel degelijk ervoor ingespannen dat alles binnen de toegestane wettelijke en compliance kaders paste.

4.8      Ook meent Verweerder dat de interne procedures zijn nageleefd. De zogenaamde ‘GRC Light’ is geconsulteerd en daarvan heeft vastlegging plaatsgevonden middels mailberichten. Ook de voorzitter van de ALCO is separaat geconsulteerd.

4.9      Verweerder was alleen bekend met de twee transacties op 28 juni 2012 en betwist dat hij op de hoogte was van de acht transacties die op 2 juli 2012 uitgevoerd zijn. Verweerder heeft hiertoe geen opdracht gegeven en werd pas een jaar na dato geïnformeerd over deze transacties.

4.10     Van oneerlijk marktgedrag is geen sprake geweest. Geen van de leden van de Raad van  Bestuur heeft willen profiteren van de marktontwikkelingen. Bovendien is niet gehandeld op een gereglementeerde effectenmarkt, maar in rentederivaten op de OTC markt.

4.11     De informatie over de invoering van de UFR betrof openbare informatie. Zweden en Denemarken hadden ook al medio juni 2012 besloten een UFR in te voeren. Verweerder heeft in dit kader ook een column uit de Financial Times van 13 juni 2012 doorgestuurd aan de waarnemend voorzitter van de Raad van Bestuur met de suggestie om de ‘overhedge’ die in mei 2012 op aandringen van DNB was ontstaan terug te draaien.

4.12     Verweerder erkent dat het met de ‘benefit of hindsight’ verstandiger was geweest als [Onderneming A] tot 3 juli 2012 had gewacht met de hersteltransacties, de besluitvorming in formele notulen was vastgelegd en de directeur Integrity zou zijn ingeschakeld. Het gaat hierbij echter om een incident. Soortgelijke gevallen hebben zich noch bij [Onderneming A] noch bij Verweerder voorgedaan.

5. De ontvankelijkheid van de klacht

5.1      Naar aanleiding van het betoog van Verweerder dat DSI in haar klacht niet-ontvankelijk moet worden verklaard wordt het volgende overwogen.

5.2      Verweerder heeft zich in 2001 laten registeren in het register van DSI als Senior Vermogensbeheerder. Op basis van deze registratie was Verweerder gedurende de gehele periode van registratie gebonden aan de bepalingen van de Gedragscode. In 2016 is deze registratie beëindigd. De onderhavige gedragingen van Verweerder vonden plaats in 2012 en hebben dus plaatsgevonden in de periode dat Verweerder geregistreerd was bij DSI als Senior Vermogensbeheerder en onderworpen was aan de Gedragscode.

5.3      Toen Verweerder zich op 5 juni 2001 liet registeren als Senior Vermogensbeheerder was hij reeds voorzitter van de Raad van Bestuur en had hij naar zijn zeggen de portefeuille Asset Management overgedragen aan de nieuwe CFO. Kennelijk heeft Verweerder weloverwogen de beslissing genomen om een DSI-registratie te verkrijgen en om deze te handhaven. Dit blijkt ook uit het feit dat Verweerder aan alle voorwaarden heeft voldaan om zijn registratie te behouden, waaronder het behalen van periodieke toetsen. Niet valt in te zien waarom Verweerder twee jaar na 1 april 2001 uitgeschreven had moeten worden uit het DSI-register, nu Verweerder daartoe zelf niet het initiatief heeft genomen.

5.4      Dat Verweerder thans niet meer bij DSI is geregistreerd doet niet ter zake. Waar het om gaat is dat Verweerder geregistreerd was toen de handelingen plaatsvonden die onderwerp vormen van de klacht. De Tuchtcommissie verwijst naar artikel 14 van het Reglement Tuchtcommissie, waarin is bepaald dat dat een klacht die betrekking heeft op een handelen of nalaten van een bij DSI geregistreerde persoon als zodanig, ook als de rechten van de geregistreerde persoon bij DSI zijn geëindigd, volgens het Reglement Tuchtcommissie wordt behandeld.

5.5     Ook de omstandigheid dat DNB en AFM aan [Onderneming A] een boete hebben opgelegd in verband met dezelfde feiten doet niet af aan de zelfstandige verantwoordelijkheid van Verweerder als DSI-geregistreerde onder de Gedragscode. Hetzelfde geldt voor de stelling van Verweerder dat de AFM geen aanleiding heeft gezien jegens hem op te treden. DSI heeft in dezen een eigen verantwoordelijkheid en bevoegdheid. Ook het beroep op het AFM-DSI convenant van 13 november 2002 faalt. Dit convenant bevat geen bepalingen die DSI beperken bij het indienen van een klacht als de onderhavige. Integendeel, artikel 5 van het convenant bepaalt dat het convenant niet tot doel of strekking heeft enige wijziging aan te brengen, in welke vorm dan ook, in de aard en omvang van de op AFM respectievelijk DSI rustende taken en bevoegdheden.

5.6     De conclusie is dat DSI ontvankelijk is in haar klacht.

6. De beoordeling van de klacht

6.1      De kern van de klacht is dat Verweerder niet zorgvuldig is omgegaan met de vertrouwelijke informatie over de invoering van de UFR die via het Verbond bij [Onderneming A] bekend was geworden. Verweerder betwist dat sprake was van vertrouwelijke informatie, omdat de markt al verwachtte dat de UFR zou worden ingevoerd. Dit verweer gaat niet op. Uit de informatie die via het Verbond bij [Onderneming A] binnenkwam kon immers worden afgeleid, en werd door [Onderneming A] ook afgeleid, dat invoering van de UFR per 30 juni 2012 zou plaatsvinden. Dat deze informatie over het tijdstip van invoering ook algemeen bekend was is niet gesteld of gebleken. Het was ook juist deze invoering op korte termijn die [Onderneming A] tot onmiddellijke actie aanzette, naar zeggen van Verweerder omdat [Onderneming A] op 2 juli 2012 een achtergestelde lening zou uitgeven en daarbij de rentesensitiviteit zou moeten worden gepubliceerd die, aldus nog steeds Verweerder, als gevolg van de ‘overhedge’ niet op orde was.

6.2      De stelling van Verweerder dat de informatie over invoering van de UFR reeds breed bekend was, valt ook moeilijk te rijmen met zijn handelwijze in de ochtend van 28 juni 2012, toen hij immers de algemeen directeur van het Verbond belde om meer informatie over (de modaliteiten van) de UFR te weten te komen en die ook kreeg. Als alle informatie over de invoering van de UFR reeds algemeen bekend was had Verweerder dat telefoongesprek niet hoeven te voeren. Nu verkreeg hij van de algemeen directeur van het Verbond details die Verweerder in zijn mailbericht van 11:14 (zie hiervoor onder 2.7) “bijzonder nuttig” noemde. Bovendien vermeldt Verweerder in dit mailbericht dat de verkregen informatie strikt vertrouwelijk is en eigenlijk niet verder mag worden gedeeld, hetgeen er eens te meer op wijst dat het niet ging om informatie die algemeen bekend was. Dit betekent dat Verweerder er in ieder geval na dit gesprek met het Verbond van op de hoogte was dan wel had moeten zijn dat de informatie over de invoering van de UFR per 30 juni 2012 strikt vertrouwelijk was.

6.3      Tegen deze achtergrond kan in het midden blijven of Verweerder ook reeds in de vroege ochtend van 28 juni 2012, toen tijdens telefonisch overleg van de Raad van Bestuur werd besloten de ‘overhedge’ terug te draaien, had moeten beseffen dat het ging om vertrouwelijke informatie. Na het telefoongesprek van Verweerder met het Verbond had Verweerder dat besef in ieder geval wel moeten hebben. Er bestond toen ook nog gelegenheid de eerder door de Raad van Bestuur gegeven instructie te herroepen, immers die instructie was gegeven onder voorbehoud van goedkeuring van de CRO en die goedkeuring werd pas in de middag van 28 juni 2012 gegeven. In de ochtend waren de bewuste transacties dan ook nog niet uitgevoerd. Dat Verweerder goed besefte dat de instructie nog kon worden herroepen blijkt ook uit het feit dat hij later die dag nog naar kantoor is teruggegaan om met de CRO te overleggen over mogelijke koersgevoeligheid van de informatie.

6.4      De Tuchtcommissie is met DSI van oordeel dat Verweerder onzorgvuldig met de vertrouwelijke informatie over de invoering van de UFR is omgegaan. Laakbaar is dat Verweerder zijn positie als bestuurslid van het Verbond heeft gebruikt om van de algemeen directeur van het Verbond vertrouwelijke informatie te verkrijgen, kennelijk met geen ander doel dan om daarmee de belangen van [Onderneming A] te dienen, te weten het terugdraaien van de volgens Verweerder verlieslatende ‘overhedge’, mede met het oog op de op 2 juli 2012 geplande uitgifte door [Onderneming A] van achtergestelde obligaties.  Verweerder had moeten beseffen dat informatie die door de toezichthouder op basis van strikte vertrouwelijkheid met het Verbond was gedeeld en die via het Verbond bij [Onderneming A] en bij Verweerder terecht was gekomen, niet was bedoeld om te gebruiken voor het uitvoeren van transacties die uitsluitend het commerciële belang van [Onderneming A] dienden. Het had voor Verweerder duidelijk moeten zijn dat een dergelijke handelwijze de relatie tussen de toezichthouder enerzijds en het Verbond en de verzekeringsbranche anderzijds ernstig kan schaden, en ook de taak van de toezichthouder kan bemoeilijken. Verwijtbaar is ook dat Verweerder de aldus van het Verbond gekregen, strikt vertrouwelijke informatie zonder meer met verschillende collega’s en medewerkers binnen [Onderneming A] heeft gedeeld. Ook valt het Verweerder te verwijten dat de aldus verkregen informatie voor hem geen aanleiding vormde om zich ervoor in te zetten dat het besluit van de Raad van Bestuur van die ochtend zou worden teruggedraaid, althans dat de uitvoering daarvan zou worden uitgesteld tot na het persbericht van DNB. Verweerder heeft, integendeel, in zijn mailbericht van 11:14 uur geschreven dat die informatie de eerder die ochtend gemaakte keuzes bevestigde, waarbij hij bovendien voorstelde dat geprobeerd zou moeten worden om langs de afgesproken lijnen nog meer te doen.

6.5      Verweerder valt ook aan te rekenen dat hij heeft nagelaten om compliance in te schakelen, teneinde te overleggen over de vraag hoe met deze vertrouwelijke informatie moest worden omgegaan en of op basis van die informatie kon worden gehandeld. Daaraan doet niet af dat Verweerder wel de CRO heeft geraadpleegd over mogelijke koersgevoeligheid van de informatie. De CRO was niet de compliance officer en de vraag of de onderhavige informatie koersgevoelig was is ook niet de enige relevante invalshoek.

6.6      Verweerder betoogt dat DSI de klacht ten onrechte niet heeft geplaatst tegen de achtergrond van de relatie van [Onderneming A] met DNB, welke relatie in januari 2012 verslechterde. De Tuchtcommissie kan niet treden in de relatie tussen [Onderneming A] en DNB en al helemaal niet in de vraag of DNB terecht van [Onderneming A] verlangde dat het renterisico beter werd afgedekt. Wel constateert de Tuchtcommissie dat juist de verontwaardiging van Verweerder over deze maatregel en zijn verlangen om zo snel mogelijk weer van de ‘overhedge’ af te komen, in de weg heeft gestaan aan een zorgvuldige en nuchtere beoordeling van de vraag hoe moest worden omgegaan met de vertrouwelijke informatie rond de invoering van de UFR. Dat had Verweerder als bestuursvoorzitter van [Onderneming A] niet moeten laten gebeuren.

6.7      Verweerder heeft nog aangevoerd dat de transacties waarmee de ‘overhedge’ werd teruggedraaid hebben plaatsgevonden op de OTC markt en niet op een gereguleerde markt, en dat het oogmerk om te profiteren van marktontwikkelingen heeft ontbroken. Naar het oordeel van de Tuchtcommissie kan in het midden blijven of sprake is van Effectenmarkten zoals bedoeld in de artikelen 7.3.1 en 7.3.2 van de Gedragscode, omdat in de context van deze procedure niet is komen vast te staan dat Verweerder heeft willen profiteren van de voorsprong die de vertrouwelijke kennis omtrent de invoering van de UFR hem en [Onderneming A] gaf of dat hij zich anderszins heeft laten leiden door oneerlijk marktgedrag. Veeleer is aannemelijk dat Verweerder deze informatie wilde gebruiken om zo snel mogelijk af te komen van de ‘overhedge’ in verband met de voorgenomen obligatie-uitgifte op 2 juli 2012. Overtreding van de artikelen 7.3.1 en 7.3.2 van de Gedragscode is dan ook niet komen vast te staan.

6.8      DSI verwijt Verweerder verder dat de interne procedures binnen [Onderneming A] niet zijn nageleefd doordat geen bijeenkomst heeft plaatsgevonden van het GRC en ALCO en geen schriftelijke vastlegging heeft plaatsgevonden van de besluitvorming binnen de Raad van Bestuur. Verweerder heeft hiertegen ingebracht dat de interne procedures wel zijn nageleefd aangezien het ‘GRC Light’ en de voorzitter van de ALCO zijn geconsulteerd. Tegenover deze betwisting, waarop DSI geen reactie meer heeft gegeven, is onvoldoende komen vast te staat dat Verweerder de interne procedures niet heeft nageleefd. Weliswaar heeft Verweerder erkend dat het beter was geweest als de besluitvorming schriftelijk was vastgelegd, maar de Tuchtcommissie is van oordeel dat het onder de specifieke omstandigheden van het geval, waarin Verweerder grotendeels afwezig was wegens dramatische persoonlijke omstandigheden en zijn functie als directievoorzitter had overgedragen, niet op de weg van Verweerder lag om ervoor te zorgen dat de besluitvorming schriftelijk werd vastgelegd. 

6.9       Verweerder heeft nog aangevoerd dat hij geen weet had van de acht swaptransacties die op 2 juli 2012 zijn teruggedraaid. Voor de beoordeling van de klacht is dat echter niet relevant. Verweerder heeft immers in ieder geval verwijtbaar gehandeld ten aanzien van de twee transacties op 28 juni 2012. Overigens merkt de Tuchtcommissie op dat Verweerder in zijn mailbericht van 11:14 uur zelf heeft voorgesteld om te proberen ‘meer te doen’ en dat voorts niet is gebleken dat de bedoelde transacties niet vielen onder het mandaat van de Raad van Bestuur om een bedrag van € 250-500 miljoen aan lange receiver swaps te sluiten.

6.10    Verweerder heeft ter weerlegging van de klacht een beroep gedaan op de hiervoor reeds genoemde privéomstandigheden die hem hadden genoodzaakt zijn functie als voorzitter van de Raad van Bestuur tijdelijk over te dragen en die hem beletten zijn volle aandacht te geven aan de werkzaamheden die hij desalniettemin bij [Onderneming A] verrichtte. De Tuchtcommissie heeft begrip voor de moeilijke persoonlijke omstandigheden van Verweerder in de bewuste periode en wil aannemen dat hij niet volledig overeenkomstig zijn normale capaciteiten functioneerde. Daar staat tegenover dat Verweerder zich, ondanks zijn tijdelijke terugtreden, vrijwillig met de gang van zaken bij [Onderneming A] heeft bemoeid waar hij dat, zoals hij zelf ook toegeeft, beter niet had kunnen doen. De Tuchtcommissie is dan ook van oordeel dat de persoonlijke omstandigheden Verweerder niet vrijpleiten, maar zal daarmee wel rekening houden bij de hoogte van de op te leggen maatregel.

6.11     Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 7.1.2 van de Gedragscode, omdat hij niet op een zodanig professionele en integere wijze is opgetreden dat hij recht doet aan de goede naam en doelstellingen van DSI. Verweerder heeft daarmee ook gehandeld in strijd met artikel 7.1.3, omdat hij in dit geval niet heeft bevorderd dat zijn ondergeschikten handelden overeenkomstig de Gedragscode. Overtreding van de overige door DSI in de klacht genoemde bepalingen van de Gedragscode is niet komen vast te staan.

7. De beslissing

7.1       De Tuchtcommissie oordeelt dat sprake is van overtreding van de artikelen 7.1.2 en 7.1.3 van de Gedragscode. Daarmee acht de Tuchtcommissie de klacht van DSI deels gegrond. De Tuchtcommissie wijst het overige in het klachtrapport gestelde af.

7.2      De Tuchtcommissie legt aan Verweeder een boete op van €2.500. Bij het opleggen van deze maatregel heeft de Tuchtcommissie rekening gehouden met de privéomstandigheden van Verweerder in de bewuste periode en gewicht toegekend aan het feit dat de handelingen inmiddels ongeveer zeven jaar geleden hebben plaatsgevonden.

7.3     Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.