Delen vertrouwelijke informatie over emissie voorafgaand aan persbericht

Uitspraak TCD 2012 nr. 2 d.d. 21 juni 2012
Delen vertrouwelijke informatie over emissie voorafgaand aan persbericht.
Beslissing van de Tuchtcommissie d.d. 21 juni 2012
Mr. J.L.S.M. Hillen (voorzitter), de heer R.E. van Esch en de heer M.W Scholten (leden van de Commissie), waarbij mr. M. van Luyn als secretaris optrad.

1. Het verloop van de procedure
1.1. Bij de Tuchtcommissie is via de directie van DSI, een klachtrapport binnengekomen, gedateerd 1 november 2011. Dit rapport betreft gedragingen van Verweerder, die naar de mening van DSI in strijd zijn met de Gedragscode van DSI, in het bijzonder artikel 7 van de Gedragscode van het Algemeen Reglement van DSI. 
1.2. De Tuchtcommissie heeft de zaak op 2 november 2011 in behandeling genomen. Verweerder is uitgenodigd schriftelijk verweer te voeren en heeft dit middels een e-mail op 3 januari 2012 gedaan.
1.3. Verweerder is conform de bepalingen van het Tuchtreglement uitgenodigd voor de zitting van de Tuchtcommissie van 16 februari 2012 en is verschenen. Daarnaast verschenen twee vertegenwoordigers van de ex/werkgever van Verweerder, de heren A en B.
1.4. Van de zijde van DSI waren bij de mondelinge behandeling aanwezig de heer mr. M.A. van der Lecq, dhr. J. Brouwer en mevrouw Z. Idu (stagiaire). De Commissie bestond uit de heer mr. J.L.S.M. Hillen (voorzitter) en de heren prof.mr. R.E. Van Esch en M.W. Scholten. De Commissie heeft beraadslaagd, de behandeling van de zaak gesloten en zal thans beslissen.
2. Onderwerp van de klacht
2.1. De klacht is vervat in het klachtenrapport van 1 november 2011 en bevat de volgende elementen.
2.2. Verweerder is bij DSI op 25 november 1999 geregistreerd als Effectenhandelaar. Verweerder is vanaf 1 februari 2007 in dienst van Werkgever X (hierna: Werkgever). 
2.3. Op 18 april 2011 heeft Werkgever een incident gemeld bij DSI. Het incident betrof het handelen van Verweerder in strijd met de ´inside information policy´ alsmede interne en externe regelgeving. Werkgever had Verweerder al op 11 februari 2011 geschorst wegens het mededelen van koersgevoelige informatie aan een cliënt. Verweerder is op 14 februari 2011 op staande voet ontslagen.
2.4 Naar aanleiding van de incidentenmelding heeft DSI bij Werkgever nadere informatie opgevraagd op 20 april 2011. DSI heeft bij brief van 3 mei 2011 Verweerder verzocht om een schriftelijke reactie op het door Werkgever gemelde incident. Verweerder heeft hierop bij brief van 4 mei 2011 gereageerd. DSI heeft hierop zowel Werkgever als Verweerder uitgenodigd voor een mondelinge toelichting op het gemelde incident. Het gesprek met Verweerder heeft plaatsgevonden op 19 mei 2011. Vervolgens heeft er op 17 juni 2011 een gesprek met Werkgever plaatsgevonden.
2.5. DSI verwijt Verweerder op onprofessionele wijze te zijn omgegaan met vertrouwelijke informatie door, voorafgaand aan een persbericht over een onderhandse emissie, vertrouwelijke informatie over de emissie te delen met een klant op 5 oktober 2010. Ook reeds een dag voor deze concrete mededelingen aan de klant zou Verweerder informatie hebben gedeeld.
2.6. DSI acht de gedragingen van Verweerder een ernstige overtreding van de meest fundamentele normen van zijn vak, betrekking hebben op het correct omgaan met vertrouwelijke en gevoelige informatie.
2.7. Zelfs indien zou komen vast te staan dat Verweerder maar één keer vertrouwelijke informatie zou hebben gedeeld, dan nog zou naar het oordeel van DSI een zware sanctie gepast zijn nu het schending van een basisnorm betreft.
2.8 DSI acht de gedragingen in strijd met de DSI Gedragscode genegeerd, in het bijzonder de artikelen 7.1.1, 7.1.2, 7.1.4, 7.3.1, 7.3.2. en 7.3.3 van de DSI Gedragscode. DSI verzoekt de Commissie dan ook een boete van Euro 1.250 op te leggen.
3. Het verweerschrift
3.1. Verweerder heeft middels een e-mail op 3 januari 2012 2011 schriftelijk verweer tegen de klacht gevoerd. Zakelijk samengevat stelt Verweerder hierin het volgende: 
• Verweerder erkent dat de meeste feitelijke constateringen uit het klachtrapport juist zijn. Onjuist zou zijn de opmerking dat er binnen Werkgever geen sprake zou zijn geweest van haantjesgedrag dat de omstreden gedraging in de hand zou hebben gewerkt.
• Voorts is Verweerder van mening dat uit eerdere uitspraken van de Commissie zou blijken dat slechts systematische schending van interne regels onder het bereik van het tuchtrecht van DSI zouden vallen.
• Tenslotte is geen sprake geweest van kwade opzet of de bedoeling iemand te laten profiteren van de mededelingen en heeft een en ander grote gevolgen gehad voor Verweerder.
4. De mondelinge behandeling 

4.1. Ter zitting zijn – zakelijk samengevat – voorts de volgende vragen gesteld en verklaringen afgelegd:
• DSI licht kort haar klachtrapport toe en handhaaft haar stellingen. Daarnaast spreekt DSI de stelling van Verweerder omtrent het haantjesgedrag binnen Werkgever tegen en geeft aan dat de vertegenwoordigers van Werkgever hier meer over kunnen mededelen.
• Verweerder geeft aan, naast de punten uit schriftelijke toelichting, niet veel meer aan de discussie te willen toevoegen. De feiten liggen volgens Verweerder nu eenmaal eenvoudig. 
• Naar aanleiding van vragen van de Commissie geeft Verweerder aan dat het volstrekt gebruikelijk is om, nadat intern bekend werd dat het desbetreffende bedrijf op zoek ging naar kapitaal, uitvoerig daarover te discussiëren. Over hoe en wat de modaliteiten zouden zijn etc. Dat is wat heeft plaatsgevonden de dag voor de concrete mededelingen aan de klant. 
• Verweerder antwoordt op een vraag van de Commissie dat hij zelf geen posities had in het desbetreffende bedrijf en ook niet wist of de klant al een positie had of al regelmatige handelde in het fonds. 
• De vertegenwoordigers van Werkgever antwoorden op vragen van de Commissie over het al dan niet aanwezige haantjesgedrag dat zij intern meteen toen deze stelling opkwam een onderzoek gedaan hebben naar een `haantjescultuur` intern. Dit onderzoek leidde tot de conclusie tot hiervan geen sprake was.
• Verweerder deelt de Commissie verder mede niet meer actief te zijn in de financiële sector, doch als recruiter – in werving en selectie actief te zijn.
5. De beoordeling van de klacht
5.1. De Commissie overweegt dat de verwijten omtrent de mededelingen op 4 oktober 2010 te weinig concreet zijn om ten grondslag te kunnen leggen aan een sanctie. De verwijten terzake van het mededelingen van wel concrete vertrouwelijke informatie aan een klant op 5 oktober 2010 staan echter vast en vormen een ernstige overtreding van de DSI Gedragscode.
5.2. Ten onrechte gaat Verweerder er vanuit dat slechts systematische overtreding van interne normen onder het DSI tuchtrecht zou vallen. Verweerder verwart hier de norm ten aanzien van gevallen waarin slechts een interne regel overtreden is en niet een algemeen geldende norm. Bij afwezigheid van een algemeen geldende norm zal een incidentele overtreding van een interne regel niet snel overtreding van de Gedragscode vormen, daarvoor is dan systematische schending nodig. In dit geval gaat het echter om een algemeen geldende norm die rechtstreeks schending van de Gedragscode oplevert, namelijk het verbod tot het mededelen van vertrouwelijke informatie aan derden. 
5.3. Ten aanzien van de sanctie overweegt de Commissie echter dat de combinatie van het wegvallen van één van de incidenten als grondslag en de zware gevolgen die de gedraging voor Verweerder reeds hebben gehad (ontslag op staande voet), zeker in financiële zin, meebrengt dat een boete niet een passende sanctie vormt. De Commissie acht een berisping meer op haar plaats.
6. De beslissing
De Commissie legt Verweerder de sanctie op van een berisping op met geanonimiseerde publicatie van de uitspraak