Fraude in dealingroom

Uitspraak d.d. 17 december 2002 in de zaak van:


Geregistreerde,
verzoeker in beroep,


tegen

de stichting
STICHTING DUTCH SECURITIES INSTITUTE,
gevestigd te Amsterdam,
verweerster in beroep.

*
1. De procedure in hoger beroep

1.1 Verzoeker heeft bij brief van 22 maart 2002 die op 25 maart 2002 bij de secretaris is binnengekomen, op de voet van artikel 14.1 van het Algemeen Reglement DSI, de beslissing van de Geschillencommissie DSI (de Geschillencommissie) van 25 februari 2002 ter toetsing voorgelegd aan de Commissie van Beroep DSI (de Commissie). 

1.2 Verweerster (DSI) heeft op 26 april 2002 een verweerschrift ingediend.

1.3 De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgehad op 11 november 2002. Verzoeker was daarbij aanwezig. Namens DSI was aanwezig mr. F.B. Demenint. Verzoeker heeft zijn beroep toegelicht aan de hand van een memo dat hij heeft overgelegd aan de Commissie. Mr. Demenint heeft gereageerd.

2. De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de uitspraak van de Geschillencommissie van 25 februari 2002.

3. Inleiding op de beoordeling van het beroep

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.2 Verzoeker was sedert 10 september 1997 in dienst bij Bank X in de functie van senior trader. Op 23 november 1999 is hij op zijn verzoek opgenomen als DSI Senior Effectenhandelaar in het DSI Register I-B. 

3.3 Op 12 december 2000 is Verzoeker door Bank X op non-actief gesteld. Bij beschikking van de kantonrechter te Amsterdam van 23 februari 2001 is, op verzoek van Bank X, de arbeidsovereenkomst tussen Bank X en Verzoeker ontbonden met ingang van 27 februari 2001 en met toekenning aan Verzoeker van een vergoeding van f. 230.000 bruto.

3.4 De registratie van Verzoeker bij DSI is per 27 februari 2001 gedeactiveerd. Verzoeker is in maart 2001 in dienst getreden bij Bank Y. Hij heeft DSI verzocht zijn registratie als senior effectenhandelaar over te zetten naar zijn nieuwe werkgever. Bank X heeft de Ex-werkgeversverklaring (formulier D) die Verzoeker haar ter tekening had toegezonden, onder verwijzing naar bovengenoemde beschikking van de kanton-rechter geweigerd te ondertekenen.

3.5 Op 17 mei 2001 heeft een gesprek plaatsgehad tussen mr. Demenint voornoemd en de heer V. namens Bank X. Bij die gelegenheid heeft V. de weigering van Bank X toegelicht. Uit het door V. voor accoord getekende gespreksverslag blijkt dat V. heeft verklaard dat Verzoeker gedurende een lange periode op het zogenaamde C-ticket, dat hij diende in te vullen nadat hij een aandelentransactie in vreemde valuta had verricht, de koersen van de valutatransacties onjuist heeft ingevuld. De door Verzoeker op het C-ticket ingevulde koers van de valutatransactie kwam niet overeen met de daadwerkelijk gemaakte koers, zoals die was genoteerd op het bij de desbetreffende transactie behoren B-ticket. Een en ander resulteerde in een positief resultaat op de verlies- en winstrekening van Verzoeker en het veroorzaakte een negatief resultaat op de vreemde valutarekening van Bank X. 
Volgens V. leek het handelsresultaat van Verzoeker hierdoor beter dan het was. Een en ander bleek bij de controle over het jaar 2000. De afwijking op de C-tickets was steeds ten voordele van Verzoeker. Opvallend was voorts dat de gesignaleerde verschillen op de balansen zich niet voordeden in 1999, hoewel Verzoeker al sedert juni 1999 op de desbetreffende afdeling Cashtrading werkte. Op 11 december 2000 heeft een onderhoud plaats gehad tussen V. en B. van Bank X enerzijds en Verzoeker anderzijds. Volgens V. heeft Verzoeker in dat gesprek toegegeven dat hij de verkeerde transactieprijzen had opgeschreven. Bij Bank X bestaan richtlijnen ten aanzien van het gebruik van de C-tickets. Deze staan vermeld in het handboek AO/IC, aldus V.

3.6 Bij brief van 1 juni 2001 heeft DSI aan Verzoeker medegedeeld dat zij diens registratie op grond van het bepaalde in artikel 6.2.1 met ingang van diezelfde datum beëindigt. Verzoeker is tegen deze beëindiging in beroep gekomen bij de Geschillencommissie. Bij tussenbeslissing van 5 september 2001 heeft de Geschillencommissie DSI in overweging gegeven haar besluit van 1 juni 2001 in te trekken. Zulks is op 10 september 2001 geschied. 

3.7 Op 18 september 2001 heeft een gesprek plaats gehad tussen Mrs Oosterholt en Demenint van DSI enerzijds en Verzoeker en diens toenmalige raadsman mr. J van der Pijl anderzijds. Van dit gesprek heeft mr. Demenint een verslag opgemaakt dat hij op 25 oktober 2001 ter goedkeuring heeft toegezonden aan Verzoeker. Verzoeker heeft geweigerd het desbetreffende verslag voor accoord te tekenen. Volgens het verslag van mr. Demenint heeft Verzoeker op 18 september 2001 verklaard dat het door de boekhouding van Bank X geconsta-teerde verschil tussen de winst- en verliesrekening en de vreemde valutarekening over 2000 in totaal 378.000 euro bedroeg. Hiervan zou een bedrag van 40.000 euro zijn toe te rekenen aan Verzoeker. Volgens Verzoeker bestaan er bij Bank X geen instructies over het invullen van C-tickets. Verzoeker ontkent dat hij de tickets in 2000 anders heeft ingevuld dan in 1999. Verzoeker betoogt dat zijn methode van werken niet in strijd was met de voorschriften binnen Bank X en dat het resultaat ervan geen invloed had op de toekenning van de bonus. Zijn manier van administreren, waarbij hij steeds een iets ruimere koers ‘prikte’, heeft Bank X geen geld gekost. Aan het eind van het jaar werd alles precies uitgerekend door de interne boekhouder. Het opmaken van de balans in december is een momentopname, want van het berekende bruto-bedrag moeten nog allerlei posten worden afgetrokken. Pas in maart van het daaropvolgende jaar worden de bonussen toegekend. Het bruto-bedrag had wel invloed op de bonustoekenning, maar er spelen ook andere factoren een rol bij het toekennen van de bonus. Het is uiteraard beter een goed resultaat dan een slecht resultaat te hebben op de winst- en verliesrekening, maar dit had geen invloed op de hoogte van de bonus. Aldus Verzoeker volgens genoemd gespreksverslag. Op drie vragen die DSI bij brief van 25 oktober 2001 nog aan Verzoeker heeft voorgelegd, heeft Verzoeker niet geantwoord.

3.8 Bij brief van 28 november 2001 heeft DSI aan Verzoeker laten weten dat uit het onderzoek dat zij heeft verricht naar aanleiding van het ontbreken van de positieve referentie van Bank X, niet is gebleken dat er gronden zijn om aan te nemen dat Bank X ten onrechte heeft geweigerd de positieve referentie af te geven. Door de afwezigheid van die positieve referentie voldoet Verzoeker niet langer aan de eisen voor registratie bij DSI. DSI heeft daarom besloten de registratie van Verzoeker te beëindigen per 28 november 2001.

3.9 Het beroep van Verzoeker tegen genoemd besluit van 28 novem-ber 2001 is door de geschillencommissie bij beslissing van 25 februari 2002 verworpen. 

4. Beoordeling van het beroep van Verzoeker tegen de beslissing van de geschillencommissie

4.1 Verzoeker heeft op vier punten bezwaar tegen genoemde beslissing.

4.2 Met punt 1 stelt Verzoeker zich op het standpunt dat onvoldoende hoor en wederhoor heeft plaats gehad. 

4.3 Dit standpunt wordt door de Commissie niet gedeeld. DSI heeft Verzoeker in bovengenoemd gesprek van 18 september 2001 voldoende gelegenheid gegeven mondeling zijn visie op de zaak uiteen te zetten. Dat Verzoeker, om hem moverende redenen, heeft geweigerd het gespreksverslag van die bijeenkomst voor accoord te tekenen dan wel te corrigeren alsmede dat hij de nadere vragen van DSI niet heeft beantwoord, kan DSI noch de Geschillencommissie worden verwe-ten. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat Verzoeker niet op de zitting van de Geschillencommissie van 14 februari 2001 is verschenen.

4.4 De punten 2 en 3 strekken ten betoge dat DSI vooringenomen was en dat om die reden van een redelijk besluit geen sprake is. DSI had niet mogen afgaan op de mededelingen van Bank X, maar zelfstandig moeten onderzoeken hoe de bonusregeling bij Bank X functioneert, aldus Verzoeker. 

4.5 Hieromtrent geldt het volgende.

4.6 Registratie in een DSI register geschiedt, zo volgt uit artikel 5 van het Algemeen reglement DSI, op basis van een volledig en juist ingevuld registratie-formulier. Kandidaten en geregistreerden dienen in dienst te zijn van een (DSI) Deelnemer. Tot het registratieformulier behoort de verklaring van de werkgever van betrokkene (de Deelnemer) dat er geen gronden zijn, op basis van de beschikbare gegevens en informatie, om de integriteit, deskundigheid en vakbekwaamheid van de (kandidaat)geregistreerde in twijfel te trekken. Als de (kandidaat)geregistreerde korter dan drie jaar in dienst is van de werkgever waar hij ten tijde van het indienen van het verzoek werkzaam is, dient tevens een werkge-versverklaring van de vorige werkgever te worden overgelegd. 

4.7 Met het vereiste van bovenbedoelde werkgeversverklaringen is het onderzoek naar de integriteit, deskundigheid en vakbekwaamheid van de betrokkene in handen gelegd van de desbetreffende Deelnemers. De toelatingsprocedure voorziet niet in een zelfstandig onderzoek van DSI terzake. DSI onderzoekt slechts of aan alle vereisten tot registratie is voldaan.

4.8 Wanneer aan een bepaald vereiste niet is voldaan, zoals te dezen aan het vereiste van een ondertekende ex-werkgevers verklaring, is DSI, alvorens daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat geen registratie kan plaatsvinden, wel verplicht zich ervan te vergewissen dat de weigering van de ex-werkgever in redelijkheid kan berusten op twijfel met betrekking tot de integriteit, deskundigheid en vakbekwaamheid van geregistreerde, maar niet om een eigen onderzoek te doen naar feiten en gronden die de aanleiding tot die twijfel vormen.

4.9 Bank X heeft bij haar brief van 29 maart 2001 volstaan met, ter toelichting op haar weigering, te verwijzen naar de beschikking van de kantonrechter waarbij de arbeids-overeenkomst met Verzoeker is ontbonden. Uit die verwijzing valt af te leiden dat Bank X haar weigering baseert op de gang van zaken met betrekking tot de C-tickets. 

4.10 DSI diende te onderzoeken of een en ander in redelijkheid tot gevolg kon hebben dat bij Bank X twijfel is gerezen aan de integriteit en/of deskundigheid en/of vakbekwaamheid van Verzoeker. Aan die onderzoeksplicht heeft zij voldaan door de gesprekken met Bank X op 17 mei 2001 en met Verzoeker op 18 september 2001. De Commissie is met de Geschillencommissie van oordeel dat het niet onbegrijpelijk is dat DSI op grond van die gesprekken tot de conclu-sie kwam dat Bank X in redelijkheid aan de integri-teit van Verzoeker kon twijfelen.

4.11 Hetgeen Verzoeker onder punt 2 en 3 betoogt, gaat derhalve niet op.

4.12 Onder punt 4 wijst Verzoeker op de grote schade die hij lijdt als gevolg van de beëindiging van de registratie. Het gaat daarbij om aanzienlijke kosten die hij heeft moeten maken voor het voeren van de onderhavige procedure en om schade aan zijn carrière.

4.13 De Commissie onderkent dat beëindiging van de registratie voor Verzoeker ernstige gevolgen heeft. Zij onderschrijft dan ook de overweging van de Geschillencommissie dat DSI een eventueel nieuw verzoek van Verzoeker tot registratie in behandeling dient te nemen wanneer drie jaren zijn verstreken na de datum van het onderhavige besluit tot beëindiging (28 november 2001). Gelet op de aard van de gebeurtenissen die ten grondslag liggen aan de weigering van Bank X de onderhavige ex-werkgeversverklaring te ondertekenen, is de Commissie van oordeel dat de periode waarvoor Verzoeker op grond van die gebeurtenissen van registratie is uitgesloten, niet langer dan drie jaren dient te zijn.

4.14 Die overweging in aanmerking genomen is er van de door Verzoeker gestelde disproportionaliteit geen sprake. In het geding is immers de integriteit van de geregistreerden. Vast-stelling en handhaving van een normatief kader met betrekking tot die integriteit behoort, zo volgt uit artikel 2.1 van het Algemeen Reglement, tot de kerntaken van DSI.

4.15 Dit betekent dat alle bezwaren van Verzoeker tegen de beslissing van de Geschillencommissie falen.

4.16 De Commissie acht geen termen aanwezig tot het uitspreken van een kostenveroordeling.

5. Uitspraak

De Commissie handhaaft de bestreden beslissing van de Geschillencommissie van 28 februari 2002. 

Deze uitspraak is op de datum als in hoofde dezes is vermeld tot stand gekomen met inachtneming van de bepalingen van het Reglement van beroep. Zij is gegeven door mr. A. Rutten-Roos (voorzitter), prof. mr. A.S. Hartkamp, mr. M.A. Goslings, C.J. Bijloos en mr. S.P.G.M. van Hooijdonk.