Informatieplicht na beëindiging registratie

Beslissing van de Tuchtcommissie DSI d.d. 24 april 2006


Mr. C.J.B. Ebeling (voorzitter), Prof. Mr. R.E. van Esch en drs. A.J.C.C.M. Loonen (leden van de Commissie), waarbij mr. M. van Luyn als secretaris optrad


1. Het verloop van de procedure

1.1 Bij de Tuchtcommissie is via de directie van het Dutch Securities Institute, nader te noemen “DSI”, een klachtrapport binnengekomen, gedateerd 1 december 2005. Dit rapport betreft gedragingen van Verweerder, die naar de mening van DSI in strijd zijn met de Gedragscode van DSI, in het bijzonder de artikelen 7.1.1, 7.1.2, 7.1.3, 7.1.4, 7.3.1 en 7.3.5 van het Algemeen Reglement. 

1.2 De Tuchtcommissie heeft de zaak op 6 december 2005 in behandeling genomen. Verweerder is uitgenodigd schriftelijk verweer te voeren en heeft dit middels verweerschrift van 21 december 2005 gedaan. 

Verweerder is tevens uitgenodigd voor de zitting van de Tuchtcommissie van 11 januari 2006. Verweerder is op deze zitting verschenen, vergezeld van zijn raadsman, de heer Mr. X. De heer Y, mededirecteur van B.V. A heeft zich voor aanvang van de zitting afgemeld.

1.3 Van de zijde van DSI was bij de mondelinge behandeling aanwezig de heer Mr. J.R.F Veendijk. De Commissie bestond uit de heer Mr. C.J.B. Ebeling (voorzitter), de heer Prof. Mr. R.E. van Esch en de heer drs. A.J.C.C.M. Loonen. De Commissie heeft beraadslaagd, de behandeling van de zaak gesloten en zal thans beslissen.


2. Onderwerp van de klacht

2.1 De klacht is vervat in het klachtenrapport van 1 december 2005 en bevat de volgende elementen. 

2.2 Sinds 13 april 2000 is Verweerder bij DSI geregistreerd in register III-B als Senior Vermogensbeheerder. Verweerder is mededirecteur van B.V. A te A. Per 31 mei 2005 heeft B.V. A haar DSI-deelnemerschap beëindigd, waarmee eveneens de registratie van Verweerder per 31 mei 2005 is geëindigd. In dit verband heeft DSI gewezen op artikel 13 lid 13 van het Algemeen Reglement waarin is bepaald dat een geregistreerde zich op grond van de omstandigheid dat zijn registratie bij DSI is geëindigd, niet kan onttrekken aan de behandeling van een klacht als bedoeld in voornoemd artikel ter zake van een gedraging gedurende de registratieperiode. 

2.3 B.V. A heeft aan DSI per brief d.d. 30 mei 2005 medegedeeld dat de AFM in een rapport d.d. 22 april 2005 heeft vastgesteld dat de directie van B.V. A niet langer als deskundig, integer en betrouwbaar kan worden beschouwd. Naar aanleiding van deze brief heeft DSI aan B.V. A verzocht haar een kopie van dit rapport te verstrekken, hetgeen B.V. A heeft geweigerd. De uitkomsten van het daaropvolgend onderzoek van DSI en de weigering mee te werken aan het informatieverzoek hebben uitgemond in de onderhavige klacht.

2.4 Uit het onderzoek naar de gedragingen van Verweerder is volgens DSI van het volgende gebleken: 

- Verweerder is betrokken bij circa 55 bedrijven (besloten vennootschappen), waaronder B.V. A .Verweerder heeft zo mogelijk, samen met zijn zakenpartner (en advocaat) mr. Z, vermogende cliënten onjuiste beleggingsadviezen gegeven. Verweerder en mr. Z hebben cliënten vermoedelijk op verschillende manieren – persoonlijk, maar eveneens via B.V. A – aangezet geld te lenen en te investeren in bedrijven waarbij Verweerder en mr. Z (in)direct zijn betrokken;

- Verweerder is in de zomer van 2004 in Brussel beroofd van ruim een miljoen Euro contant geld. Dit geld behoorde vermogende Nederlanders toe die alle cliënt zijn van Verweerder. Het geld was door Verweerder van Hong Kong naar Brussel gevlogen om het in een kluis van een filiaal van de Fortis Bank aldaar om te wisselen tegen US dollars. Na afloop van de transactie is Verweerder beroofd van de koffer met US Dollars;

- Verweerder is op dinsdag 23 augustus 2005 beschoten door een ontevreden cliënt. De dader van deze aanslag stelt dat hij een vordering op Verweerder heeft;

- Verweerder is verwikkeld in verscheidene civiele rechtzaken aangespannen door cliënten die beweren door Verweerder te zijn opgelicht. In september 2005 veroordeelde de Rechtbank te B. Verweerder tot terugbetaling van een half miljoen Euro aan een cliënt. Deze cliënt stelde dat Verweerder zijn belofte niet was nagekomen;

- De Autoriteit Financiële Markten (de “AFM”) heeft geëist dat de directie van B.V. A zou worden vervangen voor een nieuw aan te stellen directie. Daarentegen heeft B.V. A besloten het vermogensbeheer te staken en heeft de AFM desgevraagd de vermogensbeheervergunning van B.V. A ingetrokken.

2.4 DSI stelt zich op het standpunt dat deze gedragingen van Verweerder in strijd zijn met artikel 7 van het Algemeen Reglement, in het bijzonder de artikelen genoemd onder 1.1 van deze beslissing. Voorts is DSI van oordeel dat de weigering van Verweerder mee te werken aan het informatieverzoek zijdens DSI een schending behelst van de verplichting neergelegd in de artikelen 5 lid 10 en 8 lid 2. DSI verzoekt de Tuchtcommissie Verweerder op grond van voornoemde handelwijzen de maatregel van royement op te leggen, althans één van de maatregelen als bedoeld in artikel 13.11 van het Algemeen Reglement, zodanig als de Commissie in overeenstemming acht met de ernst van de gedragingen. 


3. Het verweerschrift

3.1 Verweerder heeft op 21 december 2005 schriftelijk verweer gevoerd tegen de klacht. In het verweerschrift beroept Verweerder zich onder meer op de brief van haar raadsman van 16 augustus 2005. Het standpunt van Verweerder is zakelijk samengevat als volgt: 

- Allereerst is het onjuist dat de AFM met name het privé-belang van Verweerder in bepaalde beleggingsprojecten als ontoelaatbare belangenverstrengeling heeft gekwalificeerd. De AFM heeft op geen enkele wijze geoordeeld dat enige (potentiële) belangenverstrengeling ontoelaatbaar zou zijn. De AFM stelt zich op het standpunt dat B.V.A niet heeft kunnen aantonen dat alle (potentiële) belangentegenstellingen schriftelijk kenbaar zijn gemaakt aan vermogensbeheer-cliënten van B.V. A, welk oordeel B.V. A – ook in rechte – bestrijdt;

- Voorts heeft B.V. A op 6 april 2005 de AFM zelf verzocht haar Wte-vergunning in te trekken, welk verzoek op 20 juli 2005 door de AFM is gehonoreerd. Het verzoek van B.V. A dateert aldus voor het uitbrengen van het rapport van de AFM van 22 april 2005;

- Het belang van Verweerder om de door DSI verzocht informatie niet te verstrekken, weegt zwaarder dan het belang dat DSI heeft bij verkrijging ervan. B.V. A is thans doende om, onder meer, een beschikking van de AFM te bestrijden en acht het in verband met haar procespositie van belang voor het moment geen verdere informatie te verstrekken. Zodra dit belang van B.V. A en Verweerder niet langer een rol speelt, is B.V. A bereid om het rapport van de AFM d.d. 22 april 2005 aan DSI te overleggen. 

- B.V. A en Verweerder zijn niet langer als deelnemer respectievelijk geregistreerde bij DSI geregistreerd. B.V. A noch Verweerder oefenen nog enige werkzaamheid uit als vermogensbeheerder of effectenbemiddelaar en hebben ook niet het voornemen deze werkzaamheden in de (nabije) toekomst op te pakken. De conclusie zou dan ook moeten zijn dat oplegging van enige (tucht)maatregel zijdens DSI niet (langer) mogelijk is. 


4. De mondelinge behandeling 

4.1 De heer Veendijk bespreekt de kernpunten van de klacht. Dat is allereerst de niet bereidheid van Verweerder mee te werken aan het informatieverzoek van DSI. Op grond van zijn status als geregistreerde bij DSI is hij daartoe verplicht. Ten tweede is er sprake van belangenverstrengeling. Bij het onderzoek stuitte DSI op kranten-berichten die duidelijk wijzen in de richting van belangenverstrengeling. Daarnaast lopen verscheidene procedures van cliënten tegen B.V. A en een deel daarvan is reeds toegewezen.

4.2 Vervolgens zijn ter zitting – zakelijk samengevat – de volgende vragen gesteld en verklaringen afgelegd:

De heer Ebeling:
Ik deel u mede dat de Commissie zich distantieert van de krantenberichten waarop DSI doelt. Waar het betreft het aantonen van belangenverstrengeling meent de Commissie dat de krantenberichten niet in de plaats kunnen gaan van het ontbrekende AFM-rapport.

De heer Veendijk:
DSI heeft wel gevraagd om het AFM-rapport. De AFM verstrekt dergelijke gegevens zelf niet en Verweerder weigert medewerking.

Mr X:
(zakelijke samenvatting van de pleitnotitie)

Feiten

Het is onjuist dat de AFM het privé-belang van Verweerder in bepaalde beleggingsprojecten als ontoelaatbare belangenverstrengeling heeft gekwalificeerd. De AFM heeft - ten onrechte - geoordeeld dat B.V. A niet heeft kunnen aantonen dat alle (potentiële) belangentegen¬stellingen op de voorgeschreven wijze - schriftelijk - aan beleggers zijn gemeld. B.V. A bestrijdt thans dit oordeel van de AFM in rechte. In dat kader heeft B.V. A van een twintigtal beleggers verklaringen in die procedure ingebracht. In deze verklaringen is onder ede verklaard dat (i) de beleggers voorafgaand schriftelijk zijn geïnformeerd omtrent potentiële belangentegenstellingen, (ii) zij gedurende de looptijd van de investering adequaat door B.V. A zijn geïnformeerd en (iii) dat de betrokkenheid van B.V. A en/of haar directieleden bij die ondernemingen (informeel kapitaal projecten) een belangrijke reden is geweest om daarin te investeren.

De vermogensbeheervergunningen van B.V. A zijn niet in mei 2005 “vrijwillig ingeleverd”. Op 6 april 2005 - dus vóór 22 april 2005 (datum van rapport AFM) - is de AFM verzocht de Wte-vergunningen van B.V. A in te trekken, een en ander conform artikel 19-1 onder 2 Wte.

Verweerder ontkent bij 55 vennootschappen te zijn betrokken. Verweerder erkent te hebben geadviseerd omtrent beleggingen waarin hij direct of indirect belangen had. Die belangen zijn vooraf - op de voorgeschreven wijze, d.i. schriftelijk - aan beleggers kenbaar gemaakt. Het is juist dat Verweerder is beroofd in Brussel van gelden die cliënten van B.V. A toebehoorden. De daders van de roof zijn aangehouden en hebben een bekentenis afgelegd. Ook het schietincident van 23 augustus 2005 heeft inderdaad plaatsgevonden. 

Klacht

De klacht va DSI is primair gebaseerd op de beweerdelijke overtreding door Verweerder van de artikelen 5 lid 10 en 8 lid 2 van het Algemeen Reglement (AR), omdat Verweerder zou hebben geweigerd om door DSI verzochte inlichtingen en informatie te verstrekken. Aan de meldingsplicht van artikel 5 lid 10 is echter voldaan bij brief van 30 mei 2005. Artikel 8 lid 2 AR verplicht geregistreerden en deelnemers om informatie waar DSI om verzoekt, tijdig te overleggen. DSI heeft per brief van 20 juli 2005 verzocht om nadere inlichtingen en informatie. Verweerder is sinds 31 mei 2005 niet langer geregistreerd bij DSI. Ten tijde van de brief van de DSI van 20 juli 2005 was artikel 8 lid 2 AR derhalve niet van toepassing op Verweerder. Op Verweerder rustte op 20 juli 2005 dan ook geen verplichting tot naleving van artikel 8 lid 2 AR Artikel 13 lid 13 AR is evenmin van toepassing op deze situatie. DSI heeft om nadere informatie verzocht op een moment dat Verweerder niet langer was aan te merken als geregistreerde. Bovendien heeft de DSI Verweerder nooit verzocht om nadere informatie. De brief van 20 juli 2005 van de DSI - waarin om nadere informatie is verzocht - is niet aan Verweerder gericht maar aan B.V. A en/of de heer Y. Tot slot stelt Verweerder zich op het standpunt dat artikel 13 lid 13 AR niet van toepassing is op de situatie waarin DSI als klager optreedt. Artikel 13 lid 13 AR dient ter bescherming van de belegger die als belanghebbende een klacht indient. De klagende belegger heeft een belang bij artikel 13 lid 13; DSI als klager niet. Verweerder ziet dit standpunt ondersteunt door het feit dat de DSI sinds de beëindiging van zijn registratie geen enkel belang heeft bij de verzochte maatregel. Verweerder is niet meer geregistreerd en zijn registratie kan dan ook niet worden doorgehaald. Het in het klaagschrift gestelde, dat Verweerder kennelijk voornemens is om in de branche werkzaam te blijven, is volstrekt onjuist aangezien Verweerder het voornemen heeft om daarin nooit meer werkzaam te zijn. 

Daarnaast baseert DSI de klacht op door haar zelf uitgevoerde onderzoek. Verweerder meent dat uit het klaagschrift op geen enkele wijze blijkt dat het door DSI zelf uitgevoerde onderzoek verder reikt dan het volgen en aanhalen van - overigens onjuiste - berichten die over Verweerder (en B.V. A) in de media zijn verschenen. 
Terzake van de overige klachten - ontoelaatbare belangenverstrengeling, tekortschieten in verantwoordelijkheid en zorgvuldigheid en het handelen in strijd met heersende wet- en regelgeving - stelt Verweerder zich op het standpunt dat die klachten onterecht zijn en bovendien in dusdanig algemene bewoordingen in het klaagschrift zijn opgenomen dat hij geen mogelijkheid ziet daartegen verder verweer te voeren dan hiervoor is gedaan. 


De heer Veendijk:
Wanneer een geregistreerde zijn lidmaatschap beëindigt, eindigen daarmee niet de verplichtingen die dat lidmaatschap met zich meebrengt. 

Mr X:
Het ingewilligde de-registratieverzoek van 31 mei geeft toch duidelijk aan dat het deelnemerschap van DSI is beëindigd. 

De heer Veendijk:
Ik wijs u op artikel 13.13 dat is opgesteld om juist de indruk weg te nemen dat men niet meer verplicht is tot informatieverschaffing aan DSI wanneer de registratie is beëindigd.

Mr X:
Een heel belangrijke kwestie is welk doel DSI hierbij heeft. Geen enkel belang. Verweerder is niet meer geregistreerd. Ik begrijp ook niet hoe het DSI een royement kan voorstellen. De verweerder is al niet meer geregistreerd. 

De heer Veendijk:
Er bestaan in deze context twee belangrijke punten. Eén: als gewezen geregistreerde was hij verplicht hierover met DSI te communiceren. DSI moet weten wat er speelt en de regels zijn daar duidelijk in. Het tweede belang is dat wanneer uw cliënt zich nu laat uitschrijven maar over bijvoorbeeld twee jaar weer terugkomt, dat wij dan moeten kunnen zien in het dossier wat er precies gebeurd is. Dat is het belang van DSI .

Mr X:
Daar raakt u denk ik de kern van de zaak. Op het moment dat Verweerder zich zou melden bij DSI om geregistreerd te worden, dan treedt opnieuw dat belang op van DSI. Op het moment dat B.V. A’s belang bij het voor zich houden van het AFM rapport niet meer speelt, zal zij DSI zonder enig probleem een exemplaar kunnen doen toekomen. 

De heer Ebeling:
U beroept zich op verklaringen van cliënten, onder ede afgelegd. U bent bekend met het feit dat de Commissie deze verklaringen niet kent. Er wordt gerefereerd aan kort gedingen en uitspraken. Ik weet niet of er ook uitspraken zijn; ook daar is de Commissie niet mee bekend. 

Mr X:
Artikel 8.2 zegt dat op verzoek van DSI informatie overlegd moet worden. Dat is alles.

De heer Ebeling:
Dat refereert aan de algemene medewerkings/informatieplicht. 

Mr X:
Ik heb betoogd dat die bepaling niet meer van toepassing was op het moment dat het informatieverzoek binnenkwam, aangezien verweerder toen niet meer geregistreerd was.

De heer Van Luyn:
Gold er niet een actieve informatieplicht op het moment dat de feiten of omstandigheden plaatsvonden?

Mr X:
En dan doelt u op artikel 5.10. Op 8 april 2005 is aangegeven dat de registratie van Verweerder kon worden doorgehaald. Op 30 mei 2005 is er nog het een en ander aan informatie toegestuurd.

De heer Van Luyn:
Maar de feiten en gedragingen hebben plaatsgevonden vòòr 8 april 2005. In ieder geval was artikel 5.10 onverkort van toepassing.

Mr X:
Dat klopt. En op 8 april en op 30 mei is daar ook informatie over verstrekt.

De heer Loonen:
U stelt ook dat het informatieverzoek van DSI van 20 juli 2005 niet op Verweerder van toepassing was omdat DSI de vraag om informatie had gericht tot de Vennootschap en/of de heer Y, en niet tot Verweerder zelf. In uw brief van 16 augustus 2005 stelt u echter ook “B.V. A, Verweerder en de heer Y stellen zich op het standpunt dat het belang dat zij hebben om de verzochte informatie niet te verstrekken zwaarder weegt dan het belang van DSI”. Hoe verhoudt het tweede zich dan tot het eerste?

Mr X:
Dat is het standpunt van B.V. A, dat is het standpunt van de heer Y en dat is het standpunt van Verweerder. Dat laat onverlet dat het verzoek niet gericht is tot Verweerder.

De heer Loonen:
(richting DSI) Zou DSI kunnen uitleggen wat er nu exact de bedoeling is van deze procedure? 

De heer Veendijk:
Verweerder voldoet niet aan de regels van het DSI en DSI vindt dat zeer ernstig. DSI wil dat Verweerder zich (later) niet meer kan registreren. Wij willen laten merken dat we dit niet accepteren.

De heer Loonen:
Is er ook een zaak tegen de heer Y? Deze naam komt regelmatig voor in uw verweerschrift maar hij is hier niet aanwezig. Is hij soms niet geregistreerd?

Mr X:
Hij is wel geregistreerd geweest, en heeft op dezelfde manier als Verweerder zijn lidmaatschap beëindigd.

De heer Veendijk:
In antwoord op uw vraag: het komt door het beeld dat is ontstaan door de berichtgeving in de media, die zich richt op Verweerder en niet op mijnheer Y. Maar het zou inderdaad evengoed kunnen gelden voor de heer Y.

De heer Loonen:
Is het nu zo dat Verweerder hier zit vanwege de krantenberichten en de heer Y niet omdat hem bepaalde gebeurtenissen bespaard zijn gebleven?

De heer Veendijk:
Het gaat waar het die artikelen aangaat om de belangenverstrengeling. Daar werd Y niet bij genoemd en daarom is er alleen een klacht tegen Verweerder ingediend. De informatieverstrekking is wèl op beiden van toepassing.

De heer Van Luyn:
Wat hier wellicht nog te weinig belicht is geweest tot nu toe en wat de primaire klacht is van DSI, is de mededeling van de heer Y namens de vennootschap per brief van 30 mei dat de AFM geoordeeld heeft dat het bestuur niet langer integer en betrouwbaar zijn en dat er handelingen hebben plaatsgevonden die naar het oordeel van de AFM als zodanig dit gevolg dienen te hebben. Er is niet meer informatie aan de Commissie verschaft. (richting Verweerder) Ik heb eigenlijk over deze klacht betreffende de overtreding van de gedragsregels in uw verweer weinig gehoord. 

Mr X:
Nee, omdat het DSI in het klaagschrift ook niet zozeer op ingaat. Het DSI richt zich nadrukkelijk op de artikelen 5.10 en 8.2 en vervolgens op de berichtgeving die uit de media wordt overgenomen. Vooral wat betreft het oordeel van de AFM: daar wordt op dit moment een kort geding over gevoerd. B.V. A en haar directie bestrijden de woorden van de AFM en inhoudelijk kunnen we daar hier niet op ingaan want dan komen we aan het belang van B.V. A.

De heer Van Luyn:
Maar u zult begrijpen: u doet een mededeling dat een oordeel is geveld door de AFM over de betrouwbaarheid van de directie. Dat wordt door u daardoor indirect in het geding gebracht. Wij zullen daar iets mee moeten, alleen wij kunnen daar niet nader over oordelen omdat u geen verdere informatie verschaft. Bent u zich ervan bewust dat het tuchtreglement de Commissie een mogelijkheid biedt om als consequentie van uw opstelling hier de conclusie aan te verbinden die zij de gepaste vindt?

Mr X:
Ja.

De heer Van Esch:
Ik refereer aan een brief van 21 december jl. op briefpapier van B.V. A. U doet daarin de vermelding dat u niet voornemens bent ooit nog in de branche werkzaam te zijn. Wat doet B.V. A dan nu nog?

Verweerder:
Het afwikkelen van de lopende procedures. B.V. A heeft een claim ten opzichte van diegene die heeft gemeend met een pistool te moeten zwaaien en derhalve blijft B.V. A nog in de lucht. Er is nog maar één werknemer in dienst en er zijn geen inkomsten of commerciële activiteiten meer. Die ene werknemer begeleidt de lopende procedures. De reden waarom ikzelf zeker nooit meer in de financiële wereld werkzaam zal zijn is heel eenvoudig dat mij permanente medische schade is toegebracht en nooit meer kàn werken.

Mr X:
Ik begrijp dat het belang zoals DSI het formuleert is dat Verweerder in ieder geval de komende vijf niet kan worden geregistreerd bij DSI. Verweerder is zonder meer bereid een verklaring af te geven waarin staat dat hij de komende vijf jaar geen verzoek tot registratie zal indienen, mocht aan behoefte zijn.


5. De beoordeling van de klacht 

5.1 Uit de stukken, de afgelegde verklaring voor zover wederzijds erkend althans niet of onvoldoende betwist en het overige ter zitting behandelde, is het volgende komen vast te staan. 

Verweerder heeft gesteld dat DSI niet-ontvankelijk in haar klacht is bij gebreke van een belang bij de verzochte maatregel . Verweerder is immers niet langer geregistreerd bij DSI. De Tuchtcommissie is met DSI echter van mening dat op grond van het Algemene Reglement DSI de mogelijkheid toekomt een klacht in te dienen bij de Tuchtcommissie ook ingeval de registratie van een geregistreerde waarop de klacht betrekking heeft, is geëindigd. Voorts heeft DSI naar het oordeel van de Commissie in voldoende mate aangetoond dat zij wel degelijk belang heeft bij het opleggen van een maatregel. Het beroep van Verweerder op niet ontvankelijkheid van DSI kan om deze redenen niet slagen. 

5.2 De Commissie is van oordeel dat een redelijke uitleg van het Algemeen Reglement, in het bijzonder de samenhang tussen de artikelen 8.1, 8.2 en 13.13 AR, met zich meebrengt dat op een ex-geregistreerde ook na beëindiging van registratie de plicht rust informatie aan DSI te verschaffen over bepaalde omstandigheden en feiten welke zich hebben voorgedaan tijdens de periode van de registratie voorzover deze informatie van belang kan zijn voor de overweging al dan niet een tuchtklacht in te dienen. Naar de mening van de Commissie heeft DSI een zekere verantwoordelijkheid naar zich toegehaald voor hen die bij haar geregistreerd zijn, welke verantwoordelijkheid zij ook nog draagt nadat een registratie is geëindigd. De Commissie merkt ten overvloede op dat het natuurlijk niet zo kan zijn dat een geregistreerde zelf overgaat tot beëindiging opdat hij geen informatieplicht meer heeft en door gebrek aan informatie de behandeling van een klacht als bedoeld in artikel 13.13 praktisch onmogelijk wordt. 

5.3 Voor wat betreft de ontoelaatbare belangenverstrengeling waaraan Verweerder zich schuldig zou hebben gemaakt en de vermeende onbetrouwbaarheid van Verweerder, is naar de mening van de Commissie door DSI in haar klacht te zeer uitgegaan van diverse berichten in de media en het door Verweerder weersproken oordeel van de AFM als zou Verweerder niet langer betrouwbaar zijn. Het komt de Commissie voor dat cliënten van Verweerder juist hebben willen beleggen in vennootschappen waarbij Verweerder (in)direct betrokken zou zijn. Het is dan ook heel goed mogelijk dat Verweerder zijn betrokkenheid wel heeft gemeld aan desbetreffende cliënten. Daartegenover staat dat Verweerder onvoldoende heeft doen blijken van het tegendeel van het door DSI in haar klacht gestelde, hetgeen in deze procedure temeer voor Verweerder op de weg had gelegen. Bovendien doet Verweerder een beroep op verklaringen van cliënten, die wel ingebracht zijn in diverse andere procedures maar die hij verzuimd heeft / niet gewenst heeft aan de Commissie te overleggen.


6. De beslissing

6.1 De Tuchtcommissie verwerpt het beroep van Verweerder op niet-ontvankelijkheid van DSI.

6.2 Ten aanzien van de primaire klacht betreffende de weigering van Verweerder mee te werken aan het informatieverzoek van DSI is de Tuchtcommissie van oordeel dat Verweerder in strijd met de geldende reglementen van DSI heeft gehandeld en dat de klacht van DSI derhalve gegrond is.

6.3 Op basis van haar bevindingen en mede gelet op het feit dat een op te leggen maatregel geen (effectieve) registratiemaatregel kan zijn, legt de Tuchtcommissie aan Verweerder ten aanzien van het onder 6.2 vermelde, een boete op van EUR 2.500. Voorts legt de Tuchtcommissie DSI aan Verweerder de voorwaardelijke maatregel op dat ingeval Verweerder zich binnen een termijn van vijf jaar opnieuw bij DSI als geregistreerde laat registreren, er direct op deze registratie een schorsing zal volgen voor een termijn van 12 maanden. 

6.4 Voor wat betreft de klacht van belangenverstrengeling en gebrek aan transparantie daaromtrent, constateert de Commissie dat voldoende aannemelijk is dat Verweerder in strijd met de op hem van toepassing zijnde gedragsregels gehandeld heeft, althans dat de Commissie onvoldoende is gebleken van het tegendeel. De Commissie legt ten aanzien hiervan, gegeven de omstandigheden, Verweerder geen maatregel op.