Intradag handel, ongeautoriseerde debetstand

1. Het verloop van de procedure

1.1
Bij de Tuchtcommissie is via de directie van het Dutch Securities Institute, 
nader te noemen DSI, een klachtrapport binnengekomen, gedateerd 10 april 2001. 
Dit rapport betreft gedragingen van Verweerder die in strijd zouden zijn met 
de gedragscode van het DSI, in het bijzonder artikelen 7.1.1, 7.1.4, 7.3.1 
en 7.3.5 van het Algemeen Reglement.

1.2
De Tuchtcommissie heeft de zaak in behandeling genomen. Verweerder is uitgenodigd 
voor de zitting van de Tuchtcommissie van 14 juni 2001 om op de klacht gehoord 
te worden. Bij brief van 30 april 2001 heeft Verweerder schriftelijk verweer 
ingediend. Ter zitting is Verweerder verschenen. Van de zijde van het DSI 
was aanwezig Mr F.B. Demenint. Deze heeft pleitnotities overgelegd. De Commissie 
heeft beraadslaagd, de behandeling van de zaak gesloten en zij zal thans beslissen.


2. De inhoud van de klacht

De klacht is vervat in het genoemde klachtrapport en bevat de volgende elementen. 

Verweerder is op 14 december 1999 geregistreerd bij DSI als Beleggingsadviseur in register II-A onder voorbehoud van het behalen van het examen Kluwer Beleggingsadviseur. Na het behalen van het diploma nam Verweerder contact op met DSI om het voorbehoud te laten vervallen maar verzuimde het DSI mede te delen dat zijn werkgever (Bank X) hem geschorst had. Ook verzuimde hij te vermelden dat er een gerechtelijke procedure liep tussen hem en de werkgever. De werkgever heeft geen positieve referentie afgegeven. 

In het verleden vóór oprichting van het DSI heeft Verweerder tweemaal zijn krediet op zijn eigen beleggersrekening eigenmachtig verhoogd, terwijl hij hiervoor de handtekening of paraaf had moeten hebben van zijn segmentmanager en heeft hij zich schuldig gemaakt aan Intradaghandel. Ook van deze feiten heeft Verweerder bij het DSI geen melding gemaakt. 

Tot slot is vast komen te staan dat Verweerder transacties ten behoeve van familieleden heeft verricht die ten nadele van de werkgever een provisievoordeel hebben genoten.

DSI is van mening dat Verweerder aldus strijdig met de gedragscode heeft gehandeld. Zij verzoekt de Tuchtcommissie een disciplinaire maatregel te nemen.


3. Het verweerschrift

De brief van 30 april 2001 van Verweerder bevat voor zover relevant het volgende:

Schorsing
Bij brief van 17 oktober 2000 heeft Verweerder aan het DSI uitleg gegeven over de verlate melding van de schorsing bij Bank X. Er was hem niet duidelijk of sprake was van een tijdelijke of definitieve onderbreking van de werkzaamheden. 

Verhogen krediet
Ten tijde van het verhogen van het kredietlimiet was er bij de bank nog geen sprake van een gestructureerde procedure hoe om te gaan met kredietmaxima op een beleggersrekening. De beleggingsadviseur mocht zelf het kredietmaximum bepalen rekening houdende met de onderliggende dekking. De manager was op dat moment op vakantie. Bij terugkomst van vakantie is Verweerder vergeten hem alsnog voor akkoord te laten tekenen.

Intradaghandel
Verweerder stelt dat hij de regels verkeerd geïnterpreteerd had. Die interpretatie was gebaseerd op een interne memo van zijn directeur. De aanwezigheid van de handleiding is Verweerder pas na zijn non-actiefstelling op het spoor gekomen. De inhoud is hem nooit ter hand gesteld bij het aanvaarden van zijn functie als beleggingsadviseur. 

Transacties ten behoeve van familieleden
Het betreft hier een viertal gezamenlijke transacties op zijn effectendepot en een viertal transacties op het depot van zijn broer. Het geringe provisievoordeel op de transacties op Verweerders depot vallen weg doordat het gelijke aantal transacties op het depot van zijn broer een gelijkwaardig nadeel in de provisiekorting opleverde. Hieruit zou blijken dat verkrijging van provisiekorting niet de drijfveer was voor het gezamenlijk kopen van effecten, maar het halveren van de investering om risico te beperken.


4. De mondelinge behandeling

Ter zitting zijn - zakelijk samengevat - de volgende verklaringen afgelegd.

Verweerder:
\"Ik wist inderdaad niet dat ik DSI moest inlichten over de schorsing. De werkgever zei niet: je bent geschorst. Hij zei: we moeten de relatie maar eens bekijken.\"

De heer Demenint benadrukt nog eens dat het DSI van de werkgever heeft moeten vernemen dat Verweerder was geschorst. Hoewel Verweerder verplicht was om dat te melden deed hij dat niet. Schorsingen en ontbindingsprocedures bij de kantonrechter moeten aan het DSI gemeld worden door een geregistreerde. De heer Demenint bestrijdt het verweer van Verweerder. Hij vindt dat iemand die al zo lang bij dezelfde bank werkt op de hoogte moet zijn van de voorschriften die daar gelden en zich zonodig beter moet laten informeren.

\"Hij is in november 1999 geregistreerd onder voorbehoud. In september 2000 is hij gewoon geregistreerd. Nu zit hij in de wachtkamer.\"

Verweerder:
\"Met die kredietverhoging heb ik de bank niet benadeeld. Er was ruim voldoende dekking. Die kredietverhoging zou ik altijd hebben gekregen. De functionaris was er niet. Ik kreeg een schriftelijk berisping van de werkgever. 
De manier waarop de interim manager mij behandelde was zwaar onbeschoft. Ik dacht, ik laat hem maar begaan anders ben ik zo m\'n baan kwijt.\"

De heer Demenint:
\"Hij heeft onterecht provisiekorting genoten. Ja, als hij een berisping van de baas heeft gehad, vinden wij dat hij dat moet melden aan DSI. De werkgever tekent dat vragenformulier niet dus de werknemer moet zoiets dan invullen.\"

Verweerder:
\"Dat van die onterechte provisiekorting is niet waar. Mijn broer was klant van de bank. Ik ook. We spraken wel eens af dat we het risico deelden. Soms deed mijn broer dan een order op zijn eigen rekening. Dan deelde ik met hem in winst of verlies. Soms was het andersom.\"

De heer Demenint:
\"Ik dacht dat de broer transacties deed via het depot van Verweerder maar ik kan het gestelde ook niet weerleggen.\"

Verweerder:
\"Ik kreeg geen referenties van de bank. Ik kreeg ook geen afvloeiingssom van de bank. Ik kreeg geen uitkering van het GAK. Ik heb niets meer. Alleen twee dochters in het ziekenhuis. Die zijn slachtoffer van de cafébrand in Volendam. Ik werk nu buiten de effectensector. Ik heb mijn buik vol van banken.\"


5. De beoordeling van de klacht

5.1 Uit de stukken, de afgelegde verklaringen voor zover 
wederzijds erkend althans niet of onvoldoende betwist en hetgeen overigens ter zitting aan de orde is geweest is het volgende komen vast te staan.

Op 14 december 1999 is Verweerder geregistreerd bij DSI als Beleggingsadviseur in register II-A. Verweerder is bijna 30 jaar werkzaam geweest bij de Bank X. De werkgever weigert een positieve referentie af te geven. Verweerder is thans niet meer werkzaam als effectenspecialist. 

Verweerder heeft de in de klacht beschreven incidenten met betrekking tot de onreglementaire kredietverhoging niet betwist maar heeft in zijn toelichting verteld dat dat niet meer was dan een formaliteit. Hij zou de verhoging altijd hebben gekregen ook als de collega die moest paraferen, wel aanwezig was geweest. DSI weerspreekt dat niet en in de stukken vindt de Commissie ook niets wat de stelling van Verweerder weerspreekt. Daarbij komt dat krachtens het oud en fundamenteel dogma: \"nullum crimen, nulla poena sine praevia lege poenali\" een gedraging daterend van vóór het inwerkingtreden van de gedragscode DSI überhaupt niet tuchtrechtelijk relevant kan zijn. 

Dan heeft Verweerder een keer binnen 24 uur een terugkoop gedaan van verkochte aandelen waarvan hij spijt had. Hoewel dit niet een standaardvoorbeeld is van \"Intradayhandel\" is het wel een overtreding van het voor Verweerder geldende verbod op daghandel. Of Verweerder dat wist, of hij wist in welke interne instructie of contract het verbod stond, en of hij wist waar hij dat en andere voorschriften voor privétransacties kon terugvinden, speelt geen rol. Hij had het behoren te weten. Het blijft een overtreding. Het was echter een geïsoleerde overtreding en niet van de ergste soort. Een dergelijke overtreding kan geen gevolgen hebben voor het objectief oordeel over \'s mans deskundigheid en betrouwbaarheid, en ook overigens niet tot tuchtrechtelijk ingrijpen leiden, behoudens bijzondere omstandigheden, waarvan ten deze niet gebleken is, zoals recidivisme of samenhang met andere vergrijpen.

Van de klacht volgens welke Verweerder op onreglementaire wijze enkele Euro\'s provisievoordeel aan een broer zou hebben laten toekomen, is ter zitting niets overgebleven. Verweerder heeft terzake een volstrekt plausibele uitleg gegeven.

Alles wijst erop dat Verweerder de laatste één à anderhalf jaar van zijn dienstverband in een onwerkbare verhouding met een interim manager terecht is gekomen. Hoewel niets erop wijst dat Verweerder in de 28 jaar daarvóór onvoldoende zou hebben gefunctioneerd, zijn de laatste incidenten hem fataal geworden en hij is ontslagen. Daar bovenop heeft de werkgever geweigerd een gunstige ex-werkgeversverklaring af te geven.

Kennelijk heeft hij geen enkele afvloeiingsregeling meegekregen. Hij kreeg ook geen werkeloosheidsuitkering, geen bijstandsuitkering noch ander inkomen. 

Voor de tenlaste gelegde incidenten is Verweerder dan ook buitengewoon en buiten alle proporties zwaar gestraft.

In dezelfde periode kwam hij door de caféramp in Volendam ook nog persoonlijk in dramatische omstandigheden terecht.

De Tuchtcommissie ziet geen gronden om aan Verweerder enige disciplinaire maatregel op te leggen.

Ten overvloede gaat de Commissie kort in op de stelling van het DSI, dat uit artikel 5.10 Algemeen Reglement voortvloeit dat een geregistreerde bepaalde incidenten in de arbeidsrelatie zelfstandig aan haar moet melden. 

In het algemeen mag van een geregistreerde inderdaad verlangd worden dat hij schorsing en ontslag vrijwel direkt aan het DSI meldt. Dat is niet het geval voor lichtere strubbelingen tussen werkgever en werknemer. Het DSI is niet bevoegd om zich in te laten met, en behoort niet geïnteresseerd te zijn in, alle ins en outs van de private rechtsverhouding en de menselijke verhouding tussen die beide partijen. Daarvoor is het DSI niet in het leven geroepen.


6. De beslissing 

De Tuchtcommissie wijst de klacht af.