Meenemen van portefeuille-overzichten van cliënten bij wijziging werkgever

 

1. Het verloop van de procedure

1.1 
Bij de Tuchtcommissie is via de directie van het Dutch Securities Institute, 
nader te noemen DSI, een klachtrapport binnengekomen, gedateerd 10 april 
2001. Dit rapport betreft gedragingen van Verweerder die in strijd zouden 
zijn met de gedragscode van het DSI, in het bijzonder de artikelen 7.1.1, 
7.1.4, 7.3.1 en 7.3.5 van het Algemeen Reglement.

1.2 
De Tuchtcommissie heeft de zaak in behandeling genomen. Verweerder is 
uitgenodigd voor de zitting van de Tuchtcommissie van 14 juni 2001 om 
op de klacht gehoord te worden. Bij brief van 3 mei 2001 heeft Verweerder 
schriftelijk verweer ingediend. Ter zitting is Verweerder verschenen. 
Van de zijde van het DSI was aanwezig Mr F.B. Demenint. Deze heeft pleitnotities 
overgelegd. De Commissie heeft beraadslaagd, de behandeling van de zaak 
gesloten en zij zal thans beslissen.


2. De inhoud van de klacht

De klacht is vervat in het genoemde klachtrapport en bevat de volgende elementen. 

Verweerder heeft bij Bank X gewerkt en heeft na zijn vertrek aldaar oud-cliënten benaderd en voorgesteld om klant te worden bij zijn nieuwe werkgever. Tenminste drie klanten hebben hierover geklaagd bij Bank X en deze heeft daarover geklaagd bij DSI. Verweerder bleek bij zijn nieuwe werkgever, Bank Y nog in bezit te zijn van de portefeuillegegevens van tenminste één oud-cliënt. Dat in het arbeidscontract van Verweerder bij Bank X kennelijk geen contractuele bepaling stond die dat alles verbood, doet aan de laakbaarheid van het gedrag van Verweerder niet af, al was het maar omdat Bank X op deze gronden weigert om aan Verweerder nog een positieve referentie af te geven omtrent diens betrouwbaarheid. Volgens het DSI heeft Verweerder het vertrouwen van de ex-werkgever en van enkele cliënten geschaad en heeft hij daarmee de gedragscode DSI overtreden.

Verder is bij de 2e werkgever, Bank Y, aan het licht gekomen dat Verweerder al vele jaren een beleggingspotje van vrienden en familie beheert. De orders die hij daarvoor laat uitvoeren zijn in strijd met de voor hem geldende regeling privétransacties. Bank Y heeft dit tegen de STE gezegd. Bank Y heeft een neutrale ex-werkgeversverklaring afgegeven aan het DSI.

DSI is van mening dat Verweerder ook hierdoor strijdig met de gedragscode heeft gehandeld. Zij verzoekt de Tuchtcommissie een disciplinaire maatregel te nemen.




3. Het verweerschrift

De brief van 3 mei 2001 van Verweerder bevat voor zover relevant het volgende:

Voor wat betreft Bank X:
- Er is door Bank X geen bezwaar gemaakt tegen de mededeling van Verweerder dat hij afscheid zou nemen van al zijn relaties.
- Verweerder geeft toe telefonisch contact gehad te hebben met de drie betreffende oud-cliënten. Een ervan zou wel degelijk belangstelling getoond hebben voor Bank Y. Verweerder denkt dat de drie klaagbriefjes door Bank X zijn uitgelokt.
- Verweerder voelde zich moreel verantwoordelijk voor een aantal zeer actieve relaties met shortposities in opties.
- Verweerder erkent dat hij in formele zin fout heeft gehandeld door zelf portefeuilleoverzichten mee te nemen maar hij heeft deze nooit aan derden ter inzage gegeven. Verweerder stelt dat er niet getwijfeld hoeft te worden aan zijn intentie deze clienteninformatie vertrouwelijk te houden.
- Met betrekking tot het concurrentiebeding stelt Verweerder dat Bank X geen document heeft opgesteld waarin het omgaan met ex-cliënten specifiek geregeld is. Hoewel Verweerder hiermee niet wil suggereren dat dan alles geoorloofd is, is het moeilijk om zonder specifieke regels te beoordelen wat wel en wat niet acceptabel is.
- Verweerder stelt zich te hebben laten leiden door zijn inschatting van de wensen en verwachtingen van zijn ex-cliënten.

Voor wat betreft Bank Y
In de door hem getekende insiderregeling van Bank X stond dat hij na zijn uitdiensttreding - 1 februari 2000 - verplicht was zijn effectendepot nog zes maanden aldaar aan te houden. Hij kòn dus niet voldoen aan wat Bank Y zijn locatieverplichting noemt. De arbeidsovereenkomst met Bank Y, is anders dan Bank Y stelt, op 1 februari 2001 geëindigd. Het arbeidsconflict was er vanaf 3 oktober 2000 en dat had maar deels te maken met de insiderregeling. Hij had begin oktober 2000 ethisch protest geuit tegen bepaalde gedragingen van Bank Y.

Hij kon het DSI niet op de hoogte stellen van de melding door Bank Y aan de STE want hij wist het zelf niet. Met Bank Y heeft hij maanden juridische strijd moeten voeren.

Verweerder vindt dat hij niet, althans niet bewust regels heeft overtreden. Door de klacht van Bank X is zijn registratie nu al een jaar opgeschort en heeft hij 3_ maand zonder inkomen gezeten. Hij vraagt de Tuchtcommissie om zijn naam ongeschonden in het DSI register te laten terugkeren.


4. De mondelinge behandeling

Ter zitting zijn - zakelijk samengevat - de volgende verklaringen afgelegd.

Het DSI wijst ter zitting nogmaals op artikel 7.3.1 van de gedragscode DSI. Zij vindt dat Verweerder in de relatie tot de klant de belangen van de laatste niet voorop heeft gesteld en niet de nodige zorgvuldigheid heeft betracht in de omgang met de klant. Hij heeft het vertrouwen van de ex-werkgever en van enkele cliënten geschonden en heeft artikel 7.3.1 van de gedragscode overtreden. Bovendien levert het ontbreken van de ex-werkgeversreferentie in beginsel een belemmering op voor registratie.

Het gesprek met Bank Y wat resulteerde in beëindiging van zijn baan aldaar, had hij toch aan DSI moeten melden.

Verweerder:
\"Over de periode Bank X: ik denk dat Bank X de drie klanten heeft gevraagd om te klagen. Een hele goede klant van mij zei - toen ik al 1_ maand bij Bank X weg was - dat Bank X nog steeds niets van zich had laten horen. Terwijl hij toch een grote portefeuille had. Ik had het gevoel dat ik die mensen (met optieposities) in de steek liet als ik ze niet benaderde. Ik had met hen die optieposities opgebouwd en die moesten bewaakt worden. 

Ik heb 9 jaar voor Bank X gewerkt. Om mij heen in de branche zie ik toch wel vaak dat mensen die weg gaan, hun klanten meenemen/benaderen. Tussen Bank X en mij was niks afgesproken over het niet mogen meenemen van klanten.\"

De heer Demenint:
\"Hij had ons moeten vertellen van het probleem met zijn werkgever. Hij is sinds vandaag weer geregistreerd. Dat had eigenlijk al veel eerder gemoeten. Meneer werkt thans bij Bank Z (sinds 17 april).\"

Verweerder:
\"Ik heb de ethiek-sessie gedaan, de ethiekcursus nog niet.\"

De heer Demenint:
\"Die moet uiterlijk oktober 2002 gedaan zijn.\"

Verweerder:
\"Wat ik heb meegenomen? Portefeuilleoverzichten van optieklanten en namen van circa 40 klanten die ik al zo lang kende. Nee, Bank X heeft geen civiel proces tegen mij in gang gezet wegens het meenemen van cliënten.\"

De heer Demenint:
\"U vraagt mij waarom wij het zo laakbaar vinden. Omdat er drie klanten klagen dat er onzorgvuldig met hun portefeuille is omgesprongen.\"

Ad Bank Y

Verweerder:
\"Wij hadden al 10 jaar een beleggingsclubje. Ik wilde daarmee ophouden, dat had ik ook moeten doen. Ik was het niet eens met wat Bank Y met de klanten deed met Luxemburgse beleggingsfondsen. Ik vond dat de klanten niet eerlijk werden voorgelicht over de transactiekosten. Ik accepteerde dat niet langer. Toen onstond een arbeidsconflict. Ik heb tegen de directeur gezegd: onze wegen zullen zich scheiden en mijn advocaat zal contact met je opnemen. Toen ben ik vertrokken. Dan mag u uitmaken welke hond met welke stok wordt geslagen. Ik heb inderdaad 3_ maand totaal zonder inkomen gezeten.\"


5. De beoordeling van de klacht

5.1 
Uit de stukken, de afgelegde verklaringen voor zover 
wederzijds erkend althans niet of onvoldoende betwist en hetgeen overigens ter zitting aan de orde is geweest is het volgende komen vast te staan.

Op 19 oktober 1999 is Verweerder geregistreerd bij DSI als 
Senior Beleggingsadviseur (register II-B). Tot en met 31 januari 2000 was hij werkzaam bij Bank X. Vanaf 1 februari 2000 tot en met 1 februari 2001 was hij werkzaam bij Bank Y. Beide werkgevers weigeren een positieve referentie af te geven. Bank X heeft bovendien een klacht tegen Verweerder ingediend bij DSI.

Verweerder heeft stukken uit cliëntendossiers van de bank na beëindiging van de dienstbetrekking onder zich gehouden. Dat is onder alle omstandigheden laakbaar, en zulks niet alleen civielrechtelijk maar ook tuchtrechtelijk.

Verweerder heeft ter gelegenheid van zijn overstap naar een andere baan en daarna, contact opgenomen met een aantal door hem bediende effectencliënten. Hij heeft deze mensen wervend benaderd en sommige van hen zijn ook daadwerkelijk met Verweerder meegegaan. Deze enkele feiten leveren ten enenmale onvoldoende grond op voor het oordeel dat Verweerder hierdoor tuchtrechtelijk in DSI-verband laakbaar zou hebben gehandeld. Om te beginnen is het in de effectenbranche eerder regel dan uitzondering dat klanten met hun adviseur/accountmanager meegaan als deze bij een andere commissionair gaat werken. Verder staat in deze zaak vast dat Bank X kennelijk contractueel aan Verweerder geen enkele belemmering had opgelegd in dit opzicht. Als de werkgever dit werkelijk zo belangrijk vond dan had het voor de hand gelegen, daarover iets op te nemen in de arbeidsovereenkomst. Dat heeft zij niet gedaan en zij heeft ook geen civielrechtelijke maatregelen genomen tegen Verweerder. Tenzij er andere zaken spelen of hebben gespeeld tussen Verweerder en Bank X die voor DSI en deze Commissie verborgen zijn gebleven, heeft het er alle schijn van dat deze voormalige werkgever onterecht heeft geweigerd om de voor de herregistratie van haar oud-werknemer vereiste verklaring af te geven, en hem aldus onterecht schade heeft toegebracht. De Commissie komt niet toe aan de vraag of, en zo ja onder welke omstandigheden en in welke mate, het in DSI-verband tuchtrechtelijk relevant is als een DSI-geregistreerde een lichte of een aanmerkelijke wanprestatie pleegt jegens een contractuele wederpartij.
De Commissie kan daar thans slechts over zeggen dat het in het algemeen niet licht zal voorkomen dat een tuchtcommissie als zijzelf zich aldus begeeft op het terrein van de burgerlijke rechter en het Burgerlijk Wetboek.

5.2 
Het is fout geweest van Verweerder dat deze aan zijn nieuwe werkgever 
niet heeft gemeld dat hij met familie en vrienden al vele jaren een beleggingsclubje 
had waarvoor hij effectentransacties deed. Dat was op zijn minst in strijd 
met zijn verplichtingen uit hoofde van de voor hem geldende regeling privébeleggingstransacties 
en Verweerder heeft dusdoende voor zijn werkgever een risico gevormd zonder 
dat die laatste dat wist. In de arbeidsrechtelijke relatie is dit een 
tekortkoming geweest.

Verweerder heeft feitelijk zelf ontslag genomen bij Bank Y. Hij heeft uiteengezet wat daarvoor de direkte aanleiding was. Daartegen is door DSI niets ingebracht en de verklaring van Verweerder komt niet onaannemelijk over. Als het waar is dan zou dat eerder pleiten vóór dan tegen de integriteit van Verweerder, en ook hier komt het de Commissie voor dat een ex-werkgever lichtvaardig de werkgeversreferentie heeft geweigerd en daarmee een struikelblok heeft opgeworpen voor de verdere carrière van Verweerder. 

5.3 
Door alle gebeurtenissen, en niet op de laatste plaats het gemis aan inkomen 
uit arbeid over een geruime periode, is Verweerder zwaar \"gestraft\". De 
Commissie legt hem een maatregel op die in overeenstemming is met de feiten 
en de omstandigheden van het geval. 


6. De beslissing 

De Tuchtcommissie legt aan Verweerder de disciplinaire maatregel op van een berisping. De Tuchtcommissie bepaalt dat het DSI deze maatregel niet zal publiceren, in samenhang met de naam van deze geregistreerde.