Niet melden relatiegeschenk

 

Beslissing van de Tuchtcommissie DSI

In de zaak tegen de heer X, 
hierna te noemen “Verweerder” (DSI GC 02-03)



Het verloop van de procedure

1.1 Bij de Tuchtcommissie is via de directie van het Dutch Securities Institute, nader te noemen “DSI”, een klachtrapport binnengekomen, gedateerd 8 oktober 2002. Dit rapport betreft gedragingen van Verweerder, die naar de mening van DSI in strijd zijn met de Gedragscode van het DSI, in het bijzonder artikel 7.1.1, 7.1.2, 7.2.1 en 7.2.2 van het Algemeen Reglement. 

1.2 De Tuchtcommissie heeft de zaak op 14 oktober 2002 in behandeling genomen. Verweerder is uitgenodigd schriftelijk verweer te voeren en heeft dit middels brief van 10 november 2002 gedaan. Daarnaast heeft hij zijn bezwaren tegen de klacht naar voren gebracht in een gesprek met het DSI, dat heeft plaatsgevonden op 5 september 2002. Verweerder is tevens uitgenodigd voor de zitting van de Tuchtcommissie van 27 november 2002, doch heeft aangegeven daaraan geen behoefte te hebben. Verweerder is derhalve niet op de zitting verschenen. 

1.3 Van de zijde van het DSI was bij de mondelinge behandeling aanwezig de heer mr F.B. Demenint. De Commissie bestond uit de heer mr C.J.B. Ebeling (voorzitter) en de heren M.W. Scholten en F. Demmenie. De Commissie heeft beraadslaagd, de behandeling van de zaak gesloten en zal thans beslissen.


Onderwerp van de klacht

2.1 De klacht is vervat in het klachtenrapport van 8 oktober 2002 en bevat de volgende elementen. 

2.2 Op 19 oktober 1999 is Verweerder bij DSI geregistreerd als Senior Beleggingsadviseur in register II-B. Op 16 februari 2001 ontslaat Bank Y (de “ex-werkgever”) Verweerder op staande voet. Nadat DSI met Verweerder contact heeft opgenomen en om toelichting heeft gevraagd, heeft Verweerder op 5 september 2002 een mondelinge toelichting gegeven ten kantore van DSI en heeft DSI vervolgens contact opgenomen met de ex-werkgever.

2.3 Uit het onderzoek van DSI is het volgende komen vast te staan: 
- Verweerder heeft twee maal een relatiegeschenk van een cliënt aangenomen waarvan hij melding had moeten maken bij ex-werkgever. In strijd met de interne gedragsregels heeft Verweerder verzuimd dit te melden;
- Verweerder heeft tevens twee maal een relatiegeschenk achtergehouden, dat door dezelfde cliënt aan hem was meegegeven voor een collega;
- Verweerder heeft aangegeven dat hij enerzijds vergeten zou zijn melding te doen wegens problemen privé en anderzijds het doen van melding te omslachtig vond.

2.4 DSI is van mening dat beide incidenten niet stroken met een integere handelswijze, zoals neergelegd in de Gedragscode van DSI. DSI is derhalve van oordeel dat de gedragingen van Verweerder beide moeten worden beschouwd als gedragingen in strijd met de Gedragscode van DSI, in het bijzonder de artikelen genoemd onder 1.1. van deze beslissing, en verzoekt de Tuchtcommissie Verweerder een boete op te leggen van EUR 500,00 in combinatie met een berisping, althans één van de maatregelen als bedoeld in artikel 13.11 van het Algemeen Reglement, zodanig als de Commissie in overeenstemming acht met de ernst van de gedragingen. 


Het verweerschrift

3.1 Verweerder heeft op 10 november 2002 schriftelijk verweer tegen de klacht gevoerd. Zakelijk samengevat stelt Verweerder hierin het volgende: 
- gelet op het onvrijwillig ontslag is het niet vreemd dat de ex-werkgever niet bereid is een werkgeversverklaring af te geven. Dit ontslag heeft reeds zeer ver strekkende nadelige consequenties gehad;
- de relatiegeschenken zijn wèl gemeld in een gesprek, deze melding is echter later ontkend;
- ten aanzien van het achterhouden van gelden: de eerste keer is de schenking bijgedragen aan een personeelsfeest en de tweede keer stelt Verweerder de gelden overgeboekt te hebben ten behoeve van de slachtoffers van de nieuwjaarsbrand in Volendam. Er is dus geen sprake geweest van zelfverrijking;
- ex-werkgever is bereid gebleken tot een schikking en is kennelijk zelf niet volledig overtuigd van de correctheid van eigen handelen. De reeds opgelegde strafmaat is dus meer dan voldoende, gelet op de problemen die iemand van de leeftijd van Verweerder in het huidige economische klimaat heeft om aan de slag te komen bij een nieuwe werkgever. 


De mondelinge behandeling

4.1 Gelet op het feit dat Verweerder niet op de zitting aanwezig is, licht de heer Demenint de klacht verder toe. Hij geeft aan dat de zaak aan het rollen is gegaan doordat een cliënt van ex-werkgever aan de bel heeft getrokken, nadat zij Verweerder en een collega een bonus had gegeven en daar niets meer van hoorde. 

4.2 Ter zitting zijn – zakelijk samengevat – voorts de volgende vragen gesteld en verklaringen afgelegd:

De heer Scholten:
“In het dossier zit een telefoonnotitie waarop staat “probleem bij bank”. Wat wordt daarmee bedoeld?”

De heer Demenint:
“Verweerder heeft in een telefoongesprek laten weten dat hij problemen op het emotionele vlak had, maar ook met zijn bank. Dat heeft hij toen niet nader uitgelegd.” 

De heer Demenint vervolgt:
“Met betrekking tot het geven van het geld aan een charitatief doel: Ik denk dat hij die 1000 gulden over heeft gemaakt naar Volendam omdat zijn gevoel hem ingaf dat te doen. Het is natuurlijk raar dat dit een ander bedrag is dan de 800 gulden waar het hier om gaat. De gift van 1000 gulden aan Volendam is denk ik een soort excuus. Het maakt niet uit wat hij met het geld had gedaan, hij had het niet mogen aannemen. Doordat er het jaar daarvoor ook veel om te doen is geweest, had hij kunnen weten dat het aannemen van een geldbedrag problemen oplevert.”

De heer Ebeling:
“Ik denk dat we de verweerder in ieder geval geen geldboete moeten opleggen. Hij heeft een zeer kleine kans weer werk te vinden en zal het moeilijk hebben financieel rond te komen met het bedrag dat hij heeft meegekregen.”

De commissieleden beamen dat een geldboete een te zware straf is.


De beoordeling van de klacht 

5.1 Uit de stukken, de afgelegde verklaring voor zover wederzijds erkend althans niet of onvoldoende betwist en het overige ter zitting behandelde, is het volgende komen vast te staan. De ex-werkgever heeft vastgesteld dat Verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan het aannemen en/of achterhouden van relatiegeschenken. Zoals van DSI verwacht mag worden, heeft zij Verweerder in de gelegenheid gesteld één en ander mondeling toe te lichten en argumenten aan te dragen voor een conclusie dat er aanleiding zou bestaan om te twijfelen aan de beweringen van zijn ex-werkgever. Uit het gespreksverslag, dat door beide partijen als juist is erkend en daartoe ondertekend, blijkt niet van bewezen feitelijke omstandigheden die de zaak anders maken.

5.2 Voor de Tuchtcommissie zijn er derhalve geen gronden om aan te nemen dat de klacht van DSI niet gegrond zou zijn.

5.3 Bij de bepaling van een maatregel dient de Tuchtcommissie rekening te houden met de consequenties die de handelswijze van Verweerder reeds voor hem hebben gehad.


De beslissing

5.1 De Tuchtcommissie DSI legt aan Verweerder de maatregel op van een berisping.