Schending vertrouwelijke behandeling gevoelige informatie

Beslissing d.d. 22 maart 2007 van de Tuchtcommissie DSI 

Mr. N.W. Zwikker (plv. voorzitter), de heer Dr. A.J.C.C.M. Loonen en de heer M.W. Scholten (leden van de Commissie), waarbij Mr. M. van Luyn als secretaris optrad.



1. Het verloop van de procedure

1.1 Bij de Tuchtcommissie is via de directie van het Dutch Securities Institute, nader te noemen “DSI”, een klachtrapport binnengekomen, gedateerd 5 oktober 2006. Dit rapport betreft gedragingen van Verweerder, die naar de mening van DSI in strijd zijn met de Gedragscode van het DSI, in het bijzonder artikel 7.1.1, 7.1.2, 7.1.5, 7.2.1, 7.2.2 en 7.3.1 van het Algemeen Reglement. 

1.2 De Tuchtcommissie heeft de zaak op 20 oktober 2006 in behandeling genomen. Verweerder is uitgenodigd schriftelijk verweer te voeren en heeft dit middels verweerschrift van 15 november 2006 gedaan. Verweerder is tevens uitgenodigd voor de zitting van de Tuchtcommissie van 11 december 2006, en is ter zitting verschenen. 

1.3 Van de zijde van het DSI waren bij de mondelinge behandeling aanwezig de heer Mr. M.J. Drijftholt en de heer Mr. M.A. van der Lecq. De Commissie bestond uit de heer Mr. N.W. Zwikker (plaatsvervangend voorzitter), de heer Dr. A.J.C.C.M. Loonen en de heer M.W. Scholten. De Commissie heeft beraadslaagd, de behandeling van de zaak gesloten en zal thans beslissen.


2. Onderwerp van de klacht

2.1 De klacht is vervat in het klachtenrapport van 5 oktober 2006 en bevat de volgende elementen. 

2.2 Sinds 17 juni 2004 is Verweerder bij DSI geregistreerd als Beleggingsadviseur. In mei 2005 ontvangt DSI van ING Groep (hierna: de “Ex-werkgever”) een incidentmelding in verband met betrokkenheid van Verweerder bij de “ING Perpetual-kwestie”. 

2.3 De klacht spitst zich toe op (i) opzettelijke schending de verplichting tot vertrouwelijke behandeling van gevoelige informatie die intern en vertrouwelijk is ontvangen, en (ii) ongelijke spreiding van gevoelige informatie.

2.4 Wat betreft het opzettelijk schenden van de verplichting gevoelige informatie vertrouwelijk te behandelen constateert DSI dat Verweerder vertrouwelijke informatie actief, tenminste aan één cliënt, verspreid heeft. 

2.5 Wat betreft ongelijke spreiding van gevoelige informatie is DSI van mening dat Verweerder zich hieraan heeft schuldig gemaakt door één cliënt gevoelige informatie toe te spelen en de rest van de markt er van verstoken te laten. 

2.6 DSI stelt zich op het standpunt dat de handelingen van Verweerder in beide zaken in strijd zijn met een integere handelswijze zoals neergelegd in de Gedragscode van DSI, in het bijzonder de artikelen genoemd onder 1.1. van deze beslissing, en verzoekt de Tuchtcommissie Verweerder een boete van EUR 300 op te leggen, althans één van de maatregelen als bedoeld in artikel 13.11 van het Algemeen Reglement, zodanig als de Commissie in overeenstemming acht met de ernst van de gedragingen. 


3. Het verweerschrift

3.1 Verweerder heeft op 15 november 2006 schriftelijk verweer tegen de klacht gevoerd. Zakelijk samengevat stelt Verweerder hierin het volgende: 

3.2 Verweerder was niet aanwezig bij de conference call waarin de uitleg over de nieuwe Perpetual werd gegeven. In de periode april-mei was hij vanwege ziekte van zijn vriendin nauwelijks op kantoor. Verweerder is halverwege mei gevraagd door een collega om de bewuste cliënt terug te bellen. De portefeuille van de bewuste cliënt was zeer liquide en derhalve heeft Verweerder, toen cliënt contact opnam, voorgesteld om bij elkaar te komen op de eerstvolgende dinsdag (een datum waarop het emissienieuws al gepubliceerd zou moeten zijn). Wel heeft Verweerder op deze afspraak aangedrongen om een beter rendement uit het vermogen te halen dan de liquide middelen op een spaarrekening. Cliënte zelf heeft opdracht gegeven tot de verkoop van Perpetual II. Deze opdracht heeft niets te maken met het door Verweerder aandringen op een afspraak om de Perpetual III voor te sorteren. 

3.3 Verweerder wenst te benadrukken, anders dan de klacht van DSI stelt, het initiatief lag bij de cliënt en gevolg was van privéomstandigheden van de cliënt en diens behoefte aan liquide middelen.

3.4 Verweerder heeft informatie over de Perpetual III niet rechtstreeks vernomen, doch indirect via het hoofd van zijn afdeling die slechts heeft medegedeeld dat over het element van de debiteurenopslag geen details naar buiten mochten worden gebracht. Door Verweerder is ook geen enkele mededeling gedaan over de modaliteit van Perpetual III.

3.5 Inmiddels is twee en een half jaar verstreken sinds de affaire en heeft Verweerder gedurende die tijd, zonder dat wederhoor heeft plaatsgevonden, consequenties van dit incident moeten accepteren. 
4. De mondelinge behandeling 

4.1 De heer Drijftholt licht de klacht verder toe aan de hand van een pleitnota die hierin is opgenomen. 

4.2 Vervolgens zijn ter zitting – zakelijk samengevat – de volgende vragen gesteld en verklaringen afgelegd:

De heer X:
Allereerst wil ik de ontvankelijkheid van mijn zaak aan de orde stellen. Ik was ten tijde van dit voorval nog geen geregistreerde van het DSI en vind dat deze klacht daarom niet ontvankelijk is. 

De heer Drijftholt:
Maar u had wel al uw aanvraag voor registratie ingediend bij DSI. Bij het ondertekenen van zo’n aanvraag ga je ermee akkoord de DSI-reglmenten na te leven. Als in de periode tussen de ontvangst van de aanvraag en de registratie een incidentmelding plaatsvindt, kan DSI een klacht bij de Tuchtcommissie neerleggen.

De heer Zwikker:
De Commissie zal zich hierover buigen. Ik zou nu graag willen overgaan tot de inhoudelijke behandeling van de zaak. Als de Commissie besluit dat deze klacht ontvankelijk is dan zal de inhoud ervan worden besproken.

De heer X:
Ik heb het niet eens met de klacht van het DSI. Ik heb dat duidelijk aangegeven maar ik zie het nergens terug. 
Ik had de cliënt aan de telefoon om een afspraak met hem te maken voor de periode waarin de informatie over de Perpetual III openbaar gemaakt mocht worden want ik meende dat hij het een interessant product zou vinden. Hij had namelijk in het verleden voor een aanzienlijk bedrag in Perpetual II geïnvesteerd. Toen ik hem aan de telefoon had bleek dat hij geld nodig had en wilde verkopen. Hij is zijn baan kwijt en komt krap bij kas te zitten. Hij begint opeens zelf over verkopen van Perpetual II. Ik schrok, want ik wist niet dat hij nog Perpetual II had. Ik had hem in de zomer van 2003 geadviseerde Perpetual II te verkopen. Hij had gezegd dat hij dat zou doen, maar nu bleek hij nog een kwart ervan in zijn portefeuille te hebben. Hij wilde dat nu verkopen, samen met zijn beleggingen in KPN Convertible en EuroCommercial Fund. Tja, wat moet je dan doen? De cliënt wil dat ik iets voor hem verkoop, dus moet ik dat wel uitvoeren.

De heer Scholten:
Heeft u zelf contact met de klant opgenomen?

De heer X:
De klant had mij gebeld, maar door privé-omstandigheden was ik veel buiten kantoor, dus heb ik hem teruggebeld. Ik had niet gedacht dat hij zou gaan verkopen. Hij was namelijk zeer liquide en het leek mij daarom een goed idee alvast een afspraak te maken voor de aankoop van de Perpetual III.

De heer Loonen:
Heeft u het product toen genoemd, heeft u het over “iets interessants zoals de Perpetual II” gehad? Hoe heeft u dat gezegd?

De heer X:
Ik heb het product niet genoemd. Ik kreeg ook weinig kans om mijn voorsoorteerplan uit te voeren want de cliënt bleek te willen verkopen. Ik heb wel aangegeven dat ik een afspraak met hem wilde maken voor een rentevariant of iets in die geest. 

De heer Loonen:
Het is jammer dat er geen transcripten zijn. We hebben alleen het COBO-rapport.

De heer X:
Wat in het COBO-rapport staat klopt niet. In mijn brief van 20 juli heb ik dat eerst aangegeven maar moest ik nog wat oppassen met formuleren omdat ik nog afhankelijk was van de collega’s op mijn afdeling. Bij het schrijven van het verweer was dat niet meer zo en ben ik explicieter geweest, en het moet duidelijk zijn dat ik het gewoon niet eens ben met het COBO en dus ook niet met het DSI, die de inhoud van het COBO heeft overgenomen, en niets van mijn protesten ertegen.

De heer X:
Deze zaak is gebouwd op een verkooptransactie van 17 mei 2004 (week 21) waarin V contact met mij opneemt (ik bel hem terug omdat ik niet bereikbaar was) omdat hij geld vrij wil maken uit z´n beleggingen: het laatste deel van zijn Perpetual II (ik had hem in de zomer van 2003 geadviseerd afscheid te nemen van de positie Perpetual II). Ik kan dit allemaal onderbouwen met gespreksverslagen; als u die wilt hebben kan ik die leveren. Hij verkoopt vervolgens, voor mij kwam dit uit het niets, zijn laatste deel Perpetual II. Ik schrik daarvan, maar ik denk niet “ik mag zijn transacties niet uitvoeren” want ik was mij van geen kwaad bewust. Als iemand een opdracht geeft dan kan daar intern bij ING een embargo op liggen maar hij mag verkopen wat hij wil. Tevens verkoopt hij KPN Convertible en een positie in een vastgoedfonds, totaalwaarde van de verkoop EUR 400.000.

De heer Loonen:
(richting DSI): DSI heeft haar klachtschrift voornamelijk gebaseerd op het COBO-rapport. Onder het kopje ‘feiten’ staat “de heer X zegt dat hij in het gesprek geen specifieke details heeft genoemd”. Waar is wat u betreft het wettig en overtuigend bewijs dat de heer X zaken heeft genoemd die hij niet had mogen noemen?

De heer Drijftholt:
DSI verricht marginaal onderzoek en gaat niet het onderzoek van de werkgever opnieuw doen; dat is ook niet de taak van DSI. Dat laat onverlet dat wij uiteraard wel kritisch kijken naar hetgeen de werkgever aanlevert. Indien de geregistreerde de bevindingen van de werkgever bovendien niet betwist, heeft DSI geen aanleiding om daar meer duidelijkheid over te verkrijgen.



5. De beoordeling van de klacht 

5.1 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de klacht, constateert de Commissie dat het Algemeen Reglement voorziet in de mogelijkheid om nog steeds onderworpen te worden aan een klacht, ook indien men niet meer geregistreerd is. Voorts stelt het Algemeen Reglement dat diegenen die een aanvraagformulier hebben ingevuld, zich dienen te onderwerpen aan de statuten en de reglementen van het DSI, waarin de Gedragscode ook is opgenomen. Naar de mening van de Commissie dient uit het samenspel van deze bepalingen en de geest van het Algemeen Reglement te volgen dat waar de Gedragscode spreekt over “geregistreerden”, hiervoor tevens gelezen moet worden “kandidaat-geregistreerden”. De Commissie verklaart de klacht derhalve ontvankelijk.

Uit de stukken, de afgelegde verklaring voor zover wederzijds erkend althans niet of onvoldoende betwist en het overige ter zitting behandelde, is het volgende komen vast te staan. 

5.2 Verweerder is zelf niet aanwezig geweest bij de conference call waarbij de uitleg over een nieuwe Perpetual is gegeven. Ook is hij in de periode direct volgende op de bewuste conference call niet of nauwelijks op kantoor geweest en heeft hij in deze periode dan ook totaal niet gehandeld in de bewuste effecten dan wel doen handelen. De Commissie neemt als vaststaand aan dat Verweerder niet zelf contact heeft gezocht met de bewuste cliënt, doch deze teruggebeld heeft op diens verzoek en dat alles ruim anderhalve maand nadat de informatie binnen Ex-werkgever via de conference call is verspreid. Door DSI is niet weersproken, althans niet gemotiveerd betwist, dat Verweerder de informatie over de Perpetual niet rechtstreeks heeft vernomen, doch slechts indirect via het hoofd van zijn afdeling waarbij onduidelijkheid kan zijn ontstaan over de wijze van communicatie naar buiten toe. Bij gebreke van transcripten van de telefoongesprekken, kan de Commissie slechts uitgaan van de voor meerdere uitleg vatbare, niet in context geplaatste, citaten die zijn opgenomen in het verslag van de interne commissie van Ex-werkgever. De Commissie acht het aannemelijk dat Verweerder gepoogd heeft de bewuste cliënt te polsen voor een gesprek over de emissie, dat zou moeten plaatsvinden nadat het nieuws publiekelijk gemaakt zou zijn. Weliswaar zou het raadzaam geweest zijn om, aangezien geen details verstrekt konden worden, ook niet in algemene termen over een aankomende rentevariant te spreken, doch de Commissie heeft wel enig begrip voor de situatie van Verweerder die enerzijds op initiatief van de klant in dit gesprek geraakt is en anderzijds, zoals de Commissie ook heeft begrepen uit vergelijkbare zaken die zij heeft moeten beoordelen omtrent dezelfde emissie van de bewuste Perpetual, van Ex-werkgever de instructie heeft meegekregen om te pogen deze “voor te sorteren”.

5.3 Voor de Tuchtcommissie zijn er derhalve geen gronden om aan te nemen dat de klacht van DSI ten aanzien van het handelen in strijd met de DSI-Gedragscode, gegrond zou zijn. De informatieverstrekking is te summier om een degelijk oordeel te kunnen vellen over de gestelde verwijtbare gedragingen van de verweerder en ook op basis van de afgelegde verklaringen ziet de Tuchtcommissie geen aanleiding om de klacht anderszins gegrond te verklaren. 


6. De beslissing

6.1 De Tuchtcommissie wijst de klacht van DSI af.