Schorsing wegens ernstige schending Gedragscode

De Tuchtcommissie DSI heeft een vermogensbeheerder een schorsing van 6 maanden opgelegd omdat hij door zijn handelwijze klanten blootstelde aan risico’s die mogelijk voorkomen hadden kunnen worden. Daarmee heeft hij op structurele wijze de deskundigheids- en professionaliteitseisen van DSI geschonden.


Mr. J.L.S.M. Hillen (voorzitter), M.W. Scholten en prof. dr. A.J.C.C.M. Loonen (leden van de Commissie), waarbij mr. N.G. Wijnstekers als secretaris optrad. Deze uitspraak is tot stand gekomen met inachtneming van de bepalingen van het Reglement Tuchtcommissie.

1.              Het verloop van de procedure

De Tuchtcommissie heeft op d.d. 1 maart 2016 een klachtrapport van de directie van DSI ontvangen. Dit rapport betreft gedragingen van Verweerder die naar de mening van DSI in strijd zijn met artikel 7.1.1, 7.1.2, 7.2.1 en 7.2.3 van het Algemeen Reglement van DSI (“Gedragscode”).

De Tuchtcommissie heeft de zaak op 14 maart 2016 in behandeling genomen.

Verweerder is bij brief van 14 maart 2016 uitgenodigd schriftelijk verweer te voeren en Verweerder heeft dit verweer bij brief van 15 april 2016 gegeven. Ook heeft Verweerder aangegeven een getuige, de heer A, te willen meenemen naar de zitting.

DSI is in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op het verweerschrift. Hiervan heeft DSI geen gebruik gemaakt.

Verweerder en DSI zijn conform de bepalingen in het Tuchtreglement uitgenodigd voor de zitting van de Tuchtcommissie van 13 oktober 2016. DSI heeft bij de Tuchtcommissie aangegeven twee getuigen mee te zullen nemen naar de zitting, te weten de heer B en de heer C.

Op 22 september heeft Verweerder twee schriftelijke verklaringen toegezonden van twee oud-klanten.

Op 13 oktober 2016 heeft de zitting plaatsgevonden. Verweerder is verschenen en werd bijgestaan door zijn raadsman (mr. M. van Eersel). Namens de directie van DSI is verschenen mr. M.A. van der Lecq. Als getuigen van DSI zijn verschenen de heer B en de heer C, beiden werkzaam bij de voormalige werkgever van Verweerder (“Deelnemer”).

Ter zitting heeft DSI haar stellingen toegelicht. Namens Verweerder heeft mr. Van Eersel het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota en het standpunt van Verweerder nader toegelicht. Voorts hebben beide partijen een aantal vragen van de Tuchtcommissie beantwoord.

De Tuchtcommissie heeft hierna beraadslaagd en op 10 november 2016 de behandeling van de zaak gesloten. Dit is bij bericht van gelijke datum aan beide partijen meegedeeld.

2.             Feiten

Verweerder is vanaf 13 december 1999 tot op heden bij DSI geregistreerd als vermogensbeheerder.

Verweerder werkte vanaf 1 november 2005 bij Beleggingsonderneming X als vermogensbeheerder. Vanaf 1 januari 2009 was Verweerder bij Beleggingsonderneming X als directeur vermogensbeheer werkzaam. Vanaf 1 november 2013 werkte Verweerder bij Deelnemer.

In de periode dat Verweerder werkzaam was bij Beleggingsonderneming X heeft Verweerder voor klanten obligaties gekocht van India 2 B.V. India 2 B.V. is een vehikel dat is opgezet door Op Maat Groep B.V. Met de opbrengst van de obligaties zou door India 2 B.V. worden belegd in een door MPC Capital AG aangeboden fonds genaamd ‘Sachwert Rendite-Fonds Indien 2 GmbH & Co KG’ (“MPC India 2”).

Rechtstreekse deelname in MPC India 2 was alleen mogelijk door het afnemen van obligaties voor een bedrag van minimaal € 50.000. De opbrengst van de door India 2 B.V. uitgegeven obligaties van € 10.000 per obligatie zou worden gebundeld tot steeds bedragen van € 50.000, zodat met deze bedragen obligaties van MPC India 2 zouden kunnen worden gekocht. Voor de aanbieding van de obligaties van India 2 B.V. was geen prospectus of brochure verkrijgbaar gesteld. Voor de aanbieding van de obligaties van MPC India 2 was wel een prospectus verkrijgbaar gesteld.

Op 19 december 2010 is een bericht op internet verschenen over onder andere Op Maat Groep B.V. en haar oprichter en bestuurders, waarin is gerefereerd aan malafide beleggingspraktijken.

In de periode tussen 5 december 2010 en 25 mei 2011 hebben 7 klanten van Beleggingsonderneming X belegd in India 2 B.V. voor een bedrag van in totaal € 220.000. Niet bekend is hoeveel India 2 B.V. in totaal heeft opgehaald en hoeveel obligaties er zijn uitgegeven.

Op 5 oktober 2012 heeft Verweerder een kopie van een brief van MPC Capital AG ontvangen, waarin MPC Capital AG aangeeft dat zij melding heeft gedaan bij de Autoriteit Financiële Markten over India 2 B.V. De reden hiervoor is dat MPC Capital AG niet kon uitsluiten dat er, naast het gebrek aan communicatie door India 2 B.V., nog andere onregelmatigheden hebben plaatsgevonden.

Verweerder heeft geprobeerd in contact te komen met het bestuur van India 2 B.V. Op 14 mei 2013 geeft Verweerder aan dat dit niet mogelijk is gebleken.

Op 30 mei 2013 blijkt uit een bericht van MPC Capital AG dat India 2 B.V. voor een bedrag van € 200.000 bij MPC India 2 heeft ingelegd. Nu de inleg van de klanten van Verweerder
€ 220.000 bedroeg, was dit bericht aanleiding voor Verweerder om dit nader te onderzoeken.

In de periode tussen de derde week van november 2013 en maart 2014, nadat Verweerder bij Deelnemer in dienst is getreden, heeft Verweerder Deelnemer in kennis gesteld van het vermoeden van onregelmatigheden bij India 2 B.V.

Deelnemer heeft vervolgens bij brief van 7 mei 2014 de klanten geïnformeerd die hebben belegd in India 2 B.V. over het vermoeden van onregelmatigheden bij India 2 B.V.

Op 25 juni 2015 heeft Deelnemer bij DSI een incident met betrekking tot Verweerder gemeld. Als toelichting daarbij heeft Deelnemer aangegeven dat sprake is geweest van een schending van de interne regels, de vermogensbeheer-eed en de regels ten aanzien van integriteit en zorgplicht die volgen uit het Algemeen Reglement van DSI.

Naar aanleiding van de incidentmelding van Deelnemer heeft DSI onderzoek gedaan en het klachtrapport opgesteld.

3.             De klacht van DSI

De klacht van de directie van DSI strekt tot een schorsing van 3 maanden en een boete van
€ 2.000 wegens overtreding van artikel 7.1.1, 7.1.2, 7.2.1 en 7.2.3 van de Gedragscode.

Ter onderbouwing hiervan geeft DSI aan dat Verweerder geen goed onderzoek heeft gedaan naar India 2 B.V., de uitgever van obligatieleningen. Daarnaast geeft DSI aan dat Verweerder de beleggers niet heeft geïnformeerd over de specifieke risico’s die horen bij de obligaties en bij India 2 B.V.

Verder geeft DSI aan dat Verweerder de signalen omtrent de beleggingen in India 2 B.V. niet voortvarend heeft behandeld en dat Verweerder de beleggers niet tijdig heeft geïnformeerd over de vermoedens van onregelmatigheden bij India 2 B.V.

Voorts geeft DSI aan dat Verweerder in het kader van de overname van Beleggingsonderneming X door Deelnemer niet direct open kaart heeft gespeeld over India 2 B.V.

De conclusie van DSI is dat niet is gehandeld in overeenstemming met de genoemde normen uit de Gedragscode.

4.             Het verweerschrift

Verweerder stelt – zakelijk weergegeven – in zijn verweerschrift dat hij zich niet kan vinden in de conclusie van DSI. Verweerder wijst er daarbij op dat hij deugdelijk onderzoek heeft verricht naar India 2 B.V.

Een relatie van Beleggingsonderneming X, voorheen portfoliomanager bij een vermogensbeheerder en later commercieel directeur bij Op Maat Groep B.V., heeft hem gewezen op India 2 B.V. Dat wekte vertrouwen bij Verweerder. Daarop heeft Verweerder gesprekken gevoerd met Op Maat Groep B.V. en MPC Capital AG, waaronder in Duitsland. Ook andere grotere en bekende partijen, waaronder MPC Capital AG en een Nederlandse partij met een vergunning van de Autoriteit Financiële Markten, twijfelden niet aan de intenties van Op Maat Groep B.V. nu deze partijen samenwerkten met Op Maat Groep B.V. De signalen uit 2010 waarnaar DSI verwijst, die blijken uit de informatie in een publicatie op internet (opgenomen in bijlage 14 bij het klachtrapport), heeft niet alleen Verweerder gemist. Ook deze andere partijen hebben deze signalen klaarblijkelijk gemist. Verweerder geeft aan dat hij niet in zee zou zijn gegaan met Op Maat Groep B.V. als hij deze informatie wel zou hebben gezien.

Nadat de vermoedens van onregelmatigheden bekend waren geworden, heeft Beleggingsonderneming X ervoor gekozen om de betrokken klanten nog niet te informeren en om eerst verder onderzoek te doen gelet op de vele onduidelijkheden. Dat het beter was geweest om de klanten eerst te informeren, is volgens Verweerder een inzicht achteraf.

Verder geeft Verweerder aan dat hij binnen 3 weken na zijn indiensttreding bij Deelnemer het vermoeden van de onregelmatigheden bij India 2 B.V. aan Deelnemer heeft gemeld. Verweerder wijst erop dat een geheimhoudingsclausule hem belette om eerder met Deelnemer open kaart te spelen. Ook speelde hierbij een rol dat Verweerder niet betrokken was bij de overname en de gesprekken die in dat kader plaatsvonden met Deelnemer.

Verweerder benadrukt dat hij er nog steeds moeite mee heeft dat zijn klanten het slachtoffer zijn geworden van fraudeurs. Verweerder geeft aan dat van een schending van zijn integriteit echter geen sprake is. Verweerder heeft in dit kader ook twee verklaringen van oud-klanten verstrekt.

5.             Ter zitting

Partijen hebben tijdens de zitting over en weer hun stellingen nader toegelicht. Ook heeft de Tuchtcommissie vragen gesteld. DSI heeft in het kort nog het volgende naar voren gebracht:

DSI handhaaft haar stellingen zoals verwoord in de klacht.

DSI benadrukt dat Verweerder werkzaam was in een zware en verantwoordelijke functie als directeur Vermogensbeheer en verantwoordelijk was voor het beleggingsbeleid.
Van Verweerder kon en mocht worden verwacht dat hij kritische vragen stelde over India 2 B.V., de aanbieder van de obligaties, mede ook gelet op het tegenpartijrisico.

Verweerder heeft te laat ingegrepen. Er waren voldoende signalen op grond waarvan Verweerder veel eerder actie had moeten nemen, ook ten opzichte van de klanten die in India 2 B.V. hadden belegd. Verweerder heeft de klanten doelbewust niet geïnformeerd, door er eerst voor te kiezen om het eigen onderzoek af te ronden.

De geheimhouding die Verweerder is opgelegd in het kader van de overname van Beleggingsonderneming X, botst met de Gedragscode. Verweerder had ervoor moeten kiezen om Deelnemer te informeren over de vermoedens van onregelmatigheden bij India 2 B.V.

DSI vindt de maatregelen passend. Verweerder heeft structureel, zowel ten opzichte van de klanten die hebben belegd in India 2 B.V. als ten opzichte van Deelnemer, de Gedragscode overtreden. Daarmee heeft Verweerder de regels ten aanzien van deskundigheid en integriteit geschonden.

Verweerder heeft in het kort nog het volgende naar voren gebracht:

Verweerder handhaaft zijn stellingen zoals verwoord in het verweerschrift.

Verweerder geeft aan dat hij spijt heeft van wat er is gebeurd en dat het niet zo is dat hij doelbewust niet heeft ingegrepen. Achteraf bezien had hij diepgravender onderzoek kunnen doen naar India 2 B.V. en de betrokken personen. Ook had hij de klanten die in India 2 B.V. hebben belegd eerder kunnen informeren. Ook had Verweerder eerder de problemen rondom India 2 B.V. aan de orde kunnen stellen bij Deelnemer, bijvoorbeeld in de eerste week na indiensttreding. Niet eerder had Verweerder Deelnemer hoeven te informeren, omdat de obligaties van India 2 B.V. niet werden overgenomen door Deelnemer.

Verweerder geeft aan dat aan zijn integriteit niet valt te twijfelen. Dat is pas het geval als hij had geweten dat er iets mis was met de obligaties van India 2 B.V. en als hij omwille van persoonlijk voordeel de beleggingen had aangeprezen. Hiervan is geen sprake geweest.

Verweerder wijst er op dat er geen klanten zijn geweest die hebben geklaagd over India 2 B.V of over Verweerder. Verweerder heeft twee verklaringen van klanten overgelegd waarin is verklaard dat er geen twijfels zijn met betrekking tot de integriteit van Verweerder.

Verweerder is nog anderhalf jaar werkzaam geweest bij Deelnemer als vermogensbeheerder. Tot aan het moment van uitdiensttreding werd aan zijn integriteit niet getwijfeld.

Verweerder benadrukt dat hij al is gestraft. Hij heeft zijn baan verloren en hij heeft daardoor financiële schade geleden. Verweerder heeft aanzienlijke kosten moeten maken in verband met deze procedure. Daarnaast heeft hij reputatieschade opgelopen. Door deze procedure dreigt deze reputatieschade verder op te lopen. Verweerder verzoekt de Tuchtcommissie om af te zien van het opleggen van een maatregel, dan wel tot matiging hiervan over te gaan.

6.             De beoordeling van de klacht

De Tuchtcommissie acht de gedragingen van Verweerder in strijd met de Gedragscode.
Uit de stukken, de afgelegde verklaringentijdens de zitting voor zover wederzijds erkend, althans niet of niet onvoldoende betwist en het overige ter zitting behandelde, is het volgende komen vast te staan.

Beleggingsonderneming X heeft een aantal klanten bewogen om te beleggen in India 2 B.V. Dit betrof klanten die niet rechtstreeks in MPC India 2 wilden of konden beleggen.

Verweerder heeft in dat kader beperkt onderzoek verricht naar India 2 B.V. en de daarbij betrokken personen. Verweerder heeft de beslissing om klanten deze belegging te adviseren gebaseerd op de volgende omstandigheden. In de eerste plaats heeft Verweerder dit gebaseerd op het feit dat een werknemer van Op Maat Groep B.V. Verweerder op deze belegging heeft gewezen. Deze werknemer betrof een relatie van Beleggingsonderneming X die zelf werkzaam is geweest bij een vermogensbeheerder. In de tweede plaats heeft Verweerder dit gebaseerd op diverse gesprekken die Verweerder heeft gevoerd met MPC Capital AG en Op Maat Groep B.V. In de derde plaats is Verweerder afgegaan op andere partijen die samenwerkten met Op Maat Groep B.V.

Deze door Verweerder gedane inspanningen zouden volgens de Tuchtcommissie kunnen bijdragen aan het gebruikelijk en noodzakelijk due diligence onderzoek naar India 2 B.V. en de betrokken personen. Echter, de Tuchtcommissie is van mening dat deze inspanningen onvoldoende zijn om ervoor te zorgen dat Beleggingsonderneming X de geschiktheid van de beleggingen kan bepalen en dat de betrokken klanten een verantwoorde beleggingsbeslissing kunnen nemen. Weliswaar was er een prospectus van MPC India 2 beschikbaar en deze is kennelijk ook aan cliënten verstrekt, maar dit prospectus betrof niet de aanbieding van de obligaties van India 2 B.V. Met betrekking tot de aanbieding van de obligaties van India 2 ontbrak een prospectus of ander informatiedocument. Als gevolg hiervan heeft Verweerder dus ook niet de betrokken beleggers op juiste en adequate wijze kunnen informeren over de beleggingspropositie en de daaraan verbonden risico’s.

Door deugdelijk onderzoek na te laten, heeft Verweerder volgens de Tuchtcommissie de deskundigheideisen en professionaliteitseisen geschonden die zijn neergelegd in de artikelen 7.1.1, 7.1.2 en 7.2.3 uit de Gedragscode.

Vervolgens, nadat er vermoedens van onregelmatigheden waren gebleken met betrekking tot India 2 B.V. en het niet (volledig) doorbetaald zijn van de gestorte gelden, heeft Verweerder er steeds doelbewust voor gekozen om eerst nader onderzoek te verrichten naar India 2 B.V., terwijl het tijdig en adequaat verstrekken van informatie over deze vermoedens en over het eigen onderzoek naar India 2 B.V. aan de betrokken klanten zonder meer op zijn plaats was. Dat beleggers geen vragen zouden hebben gesteld en niet zouden hebben geklaagd is in dit verband niet relevant. De Tuchtcommissie oordeelt dat hiermee niet is gehandeld in het belang van de betreffende klanten, welk belang juist centraal diende te staan. Daarmee heeft Verweerder de integriteitseisen zoals neergelegd in de artikelen 7.1.1, 7.1.2, 7.2.1 uit de Gedragscode geschonden.

Anders dan Verweerder naar voren heeft gebracht, is naar het oordeel van de Tuchtcommissie dus niet pas sprake van schending van de Gedragscode als Verweerder had geweten dat de aanbieding van de obligaties van India 2 B.V. niet in orde was en hij toch deze belegging heeft aangeprezen omwille van het behalen van persoonlijk voordeel.

Ten slotte zal de Tuchtcommissie ingaan op het verwijt van DSI dat Verweerder Deelnemer had moeten informeren over India 2 B.V. In dat kader zijn twee fases te onderscheiden waarin Verweerder Deelnemer had kunnen informeren over India 2 B.V., namelijk voordat de overname van Beleggingsonderneming X een feit was en nadat Verweerder bij Deelnemer in dienst was getreden. Daar de Verweerder niet direct betrokken was bij de gesprekken ter overname van Beleggingsonderneming X, acht de Tuchtcommissie het niet direct verwijtbaar dat Verweerder de bij hem bekende informatie niet direct aan Deelnemer heeft gemeld.
Het verstrekken van deze informatie aan Deelnemer was in deze fase in beginsel de verantwoordelijkheid van degene die de overnamegesprekken namens Beleggingsonderneming X voerde en de vennootschap daarbij rechtsgeldig vertegenwoordigde.

Dit neemt niet weg dat de Tuchtcommissie van oordeel is dat Verweerder na indiensttreding bij Deelnemer deze onmiddellijk hiervan op de hoogte had moeten stellen, te meer daar Deelnemer de nadelige effecten van de omstandigheden rondom India 2 B.V. zou ondervinden. Deelnemer had weliswaar niet de onderliggende obligaties in India 2 B.V. van Beleggingsonderneming X in beheer overgenomen, maar Deelnemer had wel de taak op zich genomen om voor klanten die zijn overgegaan en die ook hadden belegd in India 2 B.V., de waardeontwikkeling van de betreffende obligaties te zullen volgen, zoals ter zitting is gebleken. Dit was ook de uitdrukkelijke wens van Verweerder, zoals ter zitting is gebleken. Verweerder heeft deelnemer uiteindelijk wel geïnformeerd over de omstandigheden met betrekking tot de beleggingen in India 2, maar over het tijdstip waarop dit is gebeurd verschillen partijen van mening. Duidelijk is echter dat deze informatieverstrekking niet heeft plaatsgevonden onmiddellijk na de indiensttreding van Verweerder bij Deelnemer. Door Deelnemer niet onmiddellijk na indiensttreding te informeren over de omstandigheden bij India 2 B.V., heeft Verweerder niet gehandeld in lijn met artikel 7.1.1 en 7.1.2. van de Gedragscode.

7.              De beslissing

De Tuchtcommissie oordeelt dat de klacht van DSI gegrond is en dat er sprake is van een ernstige overtreding van de normen van professionaliteit, deskundigheid en integriteit zoals neergelegd in de Gedragscode waarop de klacht is gebaseerd.

Verweerder heeft een beroep gedaan op matiging van de door DSI gevraagde maatregelen.
De Tuchtcommissie houdt hiermee geen rekening gelet op het aantal overtredingen en de structurele wijze waarop Verweerder de Gedragscode heeft geschonden. Ook houdt de Tuchtcommissie hiermee geen rekening gelet op de ernst van de situatie, nu door toedoen van Verweerder klanten zijn blootgesteld aan risico’s die mogelijk voorkomen hadden kunnen worden.

Op grond van bovenstaande overwegingen is de Tuchtcommissie van oordeel dat bij de op te leggen maatregel het element van het gedrag van Verweerder jegens beleggers het zwaarst weegt. Om die reden ziet de Tuchtcommissie af van het opleggen van een geldelijke boete.

De Tuchtcommissie vindt juist een schorsing op haar plaats voor een duur die langer is dat door DSI gevraagd.

De Tuchtcommissie legt daarom een maatregel op van een schorsing van 6 maanden. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.