Valse verklaring

Een persoon probeerde met een valse werkgeversverklaring zijn DSI-certificering te continueren. Hij had gezien de omstandigheden geen recht meer op een registratie. DSI kwam hier achter en begon een tuchtzaak. De Tuchtcommissie achtte de verwijten bewezen en legde de persoon een sanctie op van €1.250.

Mr. J.L.S.M. Hillen (voorzitter), prof. mr. R.E. van Esch en dr. A.J.C.C.M. Loonen (leden van de Commissie), waarbij mr. E.J. van Praag als secretaris optrad.

1. Procesverloop

1.1. De Tuchtcommissie heeft een klachtrapport van de directie van DSI d.d. 14 november 2012 ontvangen. Dit rapport betreft gedragingen van Verweerder.

1.2. De Voorzitter van de Tuchtcommissie heeft per brief d.d. 28 november 2012 aan DSI nadere toelichting op de klacht gevraagd. Deze nadere toelichting betrof de vraag of de Tuchtcommissie bevoegd is aan Verweerder maatregelen op te leggen. 

1.3. De directie van DSI heeft de klacht per brief d.d. 13 december 2012 nader toegelicht. 

1.4. De Tuchtcommissie heeft de zaak op 19 december 2012 in behandeling genomen. Verweerder is uitgenodigd schriftelijk verweer te voeren en heeft dit niet gedaan.

1.5. Verweerder en de directie van DSI zijn per brief d.d. 30 januari 2013 uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de klacht. 

1.6. Verweerder is niet verschenen bij de mondelinge behandeling. Namens de directie van DSI is verschenen de heer mr. M.A. van der Lecq. 


2. Feiten 

2.1. Verweerder stond ingeschreven in het register van DSI als beleggingsadviseur.

2.2. DSI heeft Verweerder op 5 december 2011 een brief gestuurd. In deze brief kondigde DSI aan dat DSI de actieve registratie zou beëindigen, omdat Verweerder niet langer bij een deelnemer van DSI (een financiële instelling) werkte. De brief van DSI bevatte in verband hiermee de volgende mededeling: “Met deze beëindiging vervalt een voorwaarde voor actieve registratie. Wij hebben uw registratie dan ook opgeschort (een administratieve maatregel). Dit betekent dat u uw registratie niet meer mag voeren”. 

2.3. Verweerder werd de mogelijkheid geboden hetzij zijn registratie actief voort te zetten (in geval hij een nieuwe werkgever zou hebben die als deelnemer aan het DSI is verbonden) hetzij zijn registratie passief voort te zetten (in het geval zijn nieuwe werkgever niet zou deelnemen aan DSI). In beide gevallen was vereist dat Verweerder het mutatieverzoek “beëindiging dienstverband” zou invullen en dit zou laten tekenen door zijn ex-werkgever.

2.4. Per brief d.d. 15 februari 2012 heeft DSI aan Verweerder bericht dat zijn registratie was beëindigd, omdat hij niet had gereageerd op de eerdere brief d.d. 5 december 2011. Daarbij gaf DSI aan Verweerder het volgende te kennen: “Aangezien u niet langer voldoet aan de geldende vereisten, heeft DSI op grond van artikel 6.2.1. van het Algemeen Reglement uw registratie beëindigd. Als wij binnen vier maanden de vereiste informatie alsnog ontvangen, zullen wij u herregistreren. (..) Na vier maanden dient u een nieuw registratieverzoek in te dienen en te voldoen aan de dan geldende eisen. “ In de brief stond tevens vermeld: “De beëindiging van uw registratie laat onverlet de rechten van DSI om, daar waar van toepassing, orde- en tuchtmaatregelen te nemen. ” 

2.5. Op 18 mei 2012 heeft DSI van Verweerder een aanvraag voor een DSI registratie ontvangen. In deze aanvraag was onder werkervaring vermeld dat Verweerder tussen 1 april 2007 en 15 juni 2011 financieel advies gaf, maar zonder de vermelding van de naam van de ex-werkgever. Verweerder heeft ten aanzien van deze werkzaamheden ook geen werkgeversverklaring bij zijn aanvraag gevoegd.


2.6. Bij aanvragen moet de aanvrager op het online formulier aanvinken akkoord te zijn met de volgende verklaring: “Hierbij verklaar ik
- het Algemeen Reglement en het Privacyreglement te hebben gelezen en met de inhoud akkoord te gaan.
- de vragen in dit formulier en de eventuele bijlage(n) volledig te hebben beantwoord en dat de verstrekte informatie volledig en juist is
- mij te onderwerpen aan de statuten en reglementen van DSI waaronder met name de DSI-gedragscode en de procedures en uitspraken van de Tucht- en Geschillencommissie en de Commissie van Beroep.”

2.7. Per email d.d. 1 juni 2012 heeft DSI aan Verweerder verzocht een werkgeversverklaring te overleggen. In dit verband bevatte de email de volgende passage: “In de tabblad Werkervaring heeft u over de periode 1-4-2007 tot 15-6-11 ‘Financieel advies’ opgegeven. Indien u destijds als Financieel adviseur hebt gewerkt dient u dat ook als werkervaring op te geven en een ex-werkgeversverklaring te laten ondertekenen.” 

2.8. Per brief d.d. 13 juli 2012 heeft DSI Verweerder nogmaals verzocht de aanvraag te completeren, vergezeld van de volgende waarschuwing: “Voorkom beëindiging registratie. Wij zijn bereid u nog tot 26 juli 2012 uitstel te geven, maar na die datum kan DSI uw registratie helaas niet langer voortzetten. Omdat u niet langer voldoet aan de eisen voor een geldige registratie, zal DSI uw registratie moeten beëindigen, indien u ons niet op korte termijn de gevraagde gegevens verstrekt.” 

2.9. Per brief d.d. 16 augustus 2012 heeft DSI Verweerder bericht dat zijn registratie was beëindigd, omdat Verweerder geen complete aanvraag heeft ingediend. In de brief van DSI stond het volgende vermeld: “Aangezien u niet langer voldoet aan de geldende vereisten, heeft DSI op grond van artikel 6.2.1. van het Algemeen Reglement uw registratie(s) beëindigd. Als wij binnen vier maanden de vereiste informatie alsnog ontvangen, zullen wij u herregistreren. (..) Na vier maanden dient u een nieuw registratieverzoek in te dienen en te voldoen aan de dan geldende eisen.” In de brief stond tevens vermeld: “De beëindiging van uw registratie laat onverlet de rechten van DSI om, daar waar van toepassing, orde- en tuchtmaatregelen te nemen. ”


2.10. Op 21 augustus 2012 heeft Verweerder een nieuwe aanvraag ingediend. In deze aanvraag meldde Verweerder dat hij van 1 april 2007 t/m 15 juni 2011 bij werkgever X werkte. Bij de aanvraag zat een werkgeversverklaring van werkgever X. Op deze werkgeversverklaring stond dat deze ondertekend was door de heer A; de verklaring bevatte een handtekening. 

2.11. Per email d.d. 23 augustus 2012 heeft DSI bij de heer A nagevraagd of hij deze werkgeversverklaring had ondertekend. De heer A heeft per email d.d. 23 augustus 2012 geantwoord dat de handtekening onder het document noch door hemzelf “noch door een van zijn collega’s in zijn opdracht of op eigen gelegenheid is geplaatst”. 

2.12. Per brief van 31 augustus 2012 heeft DSI aan Verweerder verzocht te bevestigen dat de werkgeversverklaring inderdaad door werkgever X is afgegeven. Per brief d.d. 21 september 2012 heeft DSI Verweerder herinnerd aan de brief d.d. 31 augustus 2012.

2.13. Per email d.d. 1 oktober 2012 heeft DSI Verweerder nogmaals om opheldering gevraagd. DSI gaf hierbij aan te twijfelen over de echtheid van de verklaring van werkgever X.

2.14. Per e-mail d.d. 4 oktober 2012 heeft Verweerder DSI verzocht de aanvraag wijziging werkgever in te trekken en te laten vervallen, onder de volgende mededeling: “Mijn registratie kan hiermee tevens vervallen of tijdelijk geparkeerd.” 

2.15. Op 9 oktober 2012 heeft DSI van de heer A een brief met daarop zijn handtekening ontvangen.

2.16. Per brief van 11 oktober 2012 heeft DSI aan Verweerder verzocht op de brief d.d. 31 augustus 2012 te reageren. In de brief schreef DSI aan Verweerder: “DSI stelt u middels deze brief voor de laatste maal in de gelegenheid om schriftelijk op per e-mail te reageren op de gebleken verschillen tussen de handtekening op de brief van 9 oktober jl. van werkgever X en de ex-werkgeversverklaring van 31 juli.”

2.17. Per brief d.d. 15 oktober 2012 van Verweerder aan DSI berichtte Verweerder dat hij een nieuwe werkgeversverklaring zou laten ondertekenen. Daarbij schreef Verweerder: “Om verdere verwarring en vertraging in het proces te voorkomen zal ik een nieuwe werkgeversverklaring laten ondertekenen door werkgever X. Dit verzoek is reeds in gang gezet.”

2.18. Per brief d.d. 17 oktober 2012 aan Verweerder heeft DSI bericht dat zij van oordeel is dat Verweerder de Gedragscode DSI heeft geschonden door het afgeven van een valselijk opgemaakte verklaring en dat DSI voornemens was een klacht tegen Verweerder voor te leggen aan de Tuchtcommissie.

2.19. Per brief d.d. 22 oktober 2012 heeft Verweerder aan DSI medegedeeld dat hij de werkgeversverklaring van werkgever X zelf heeft opgesteld en ondertekend. In deze brief schreef hij: “Ingegeven door angst en het voorkomen van represailles en confrontaties uit het verleden –ondanks getuigschrift heeft werkgever X mij bij een eerdere PES screening laten vallen (zie bijlage) – heb ik zelf de werkgeversklaring opgesteld en ondertekend. Dat was fout en immoreel, hiermee heb ik de gedragsregels van DSI overschreden. De verantwoordelijkheid van de consequenties zal ik op me nemen. Het spijt me u dit te moeten berichten.”

3. De klacht van DSI en het verweer van Verweerder

3.1. De klacht van de directie van DSI houdt in dat Verweerder een valse verklaring heeft opgesteld en deze verklaring als zijnde echt aan DSI heeft overgelegd. Hiermee zou Verweerder hebben getracht op grond van onjuiste informatie zijn registratie bij DSI te continueren. Naar het oordeel van de directie van DSI heeft Verweerder hiermee artikel 7.1.2, 7.1.4 en 7.1.5 van de Gedragscode van DSI overtreden. 

3.2. Verweerder is in de gelegenheid gesteld om schriftelijk verweer te voeren maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt. 

4. De bevoegdheid van de Tuchtcommissie 

4.1. De Tuchtcommissie zal eerst ambtshalve beoordelen of zij bevoegd is jegens Verweerder maatregelen op te leggen. 

4.2. De directie van DSI heeft zich op het standpunt gesteld dat de Tuchtcommissie om twee redenen bevoegd is maatregelen op te leggen jegens Verweerder:

(i) De Tuchtcommissie zou bevoegd zijn, omdat de oorspronkelijke registratie van Verweerder nog niet was beëindigd op het moment waarop Verweerder de naar het oordeel van de directie van DSI valse werkgeversverklaring bij DSI indiende. DSI heeft weliswaar tweemaal medegedeeld dat de registratie was beëindigd, maar de beëindigingen zijn steeds weer ongedaan gemaakt doordat Verweerder binnen de hiervoor beschikbare periode van 4 maanden een aanvraag voor herregistratie heeft gedaan. Volgens de directie van DSI heeft Verweerder zijn verklaring afgelegd bij het continueren van een reeds bestaande registratie. Daarom kwalificeert Verweerder als Geregistreerde in de zin van het Algemeen Reglement en valt hij daarmee tevens onder de Gedragscode. 

(ii) De Tuchtcommissie zou bevoegd zijn, omdat ook Kandidaten –dat wil zeggen personen die zich hebben aangemeld als Geregistreerde van DSI- onder het Algemeen Reglement en het Tuchtrecht vallen. 


Bevoegdheid Tuchtcommissie met betrekking tot handelingen in de periode dat herregistratie mogelijk is 

4.3. De definitie van Geregistreerde in het Algemeen Reglement van DSI luidt: “in de Registers ingeschreven meerderjarige natuurlijke perso(o)n(en) werkzaam in de Branche bij een Deelnemer.”.

4.4. Zoals aangehaald in rov. 2.4 en 2.8, heeft DSI op 15 februari 2012 en 16 augustus 2012 aan Verweerder medegedeeld dat zijn DSI registratie was beëindigd, omdat Verweerder niet meer aan de eisen voor registratie voldeed. De litigieuze verklaring is op 21 augustus 2012 bij DSI ingediend. Verweerder had toen dus twee maal de mededeling ontvangen dat zijn registratie was beëindigd.

4.5. DSI hanteert echter ook een termijn van vier maanden voor eenvoudige herregistratie. Verweerder heeft steeds binnen de aan hem door DSI -in de brieven d.d. 15 februari 2012 en 16 augustus 2012 - gestelde termijn van vier maanden een herregistratieverzoek gedaan (zie rov 2.5 en 2.10).

4.6. De directie van DSI heeft tijdens de mondelinge behandeling de betekenis van deze termijn van vier maanden toegelicht. Bedoelde termijn van vier maanden is een coulance termijn die DSI hanteert om te voorkomen dat een ex-geregistreerde die zich binnen vier maanden weer bij DSI registreert, opnieuw diverse examens moet doen en cursussen moet volgen en moet voldoen aan de alsdan geldende, mogelijkerwijs gewijzigde, eisen voor registratie. De bevoegdheid tot eenvoudige herregistratie over te gaan is uitsluitend gebaseerd op het interne registratiehandboek van DSI en kent geen basis in de reglementen van DSI. Verder is uit het openbaar register op de website van DSI niet kenbaar dat een (ex-) Geregistreerde gedurende de periode van vier maanden die staat voor eenvoudige herregistratie een -al dan niet voorwaardelijke of opgeschorte- registratie bij DSI heeft. 

4.7. Nu de periode van vier maanden geen formele basis heeft in de reglementen van DSI en het voor Verweerder of derden niet kenbaar is dat Verweerder als Geregistreerde zou hebben te gelden of dat zijn herregistratie terugwerkende kracht zou hebben, oordeelt de Tuchtcommissie dat Verweerder op het moment waarop hij de litigieuze verklaring gaf geen Geregistreerde was in de zin van de definitie zoals vermeld in rov 4.3. 

4.8. Dit leidt ertoe dat een bevoegdheid van de Tuchtcommissie om aan Verweerder sancties op te leggen niet kan worden ontleend aan zijn status van Geregistreerde. Deze status had hij immers niet op het moment waarop hij de litigieuze verklaring indiende.

Bevoegdheid Tuchtcommissie met betrekking tot handelingen in de periode dat een verzoek tot registratie in behandeling is 

4.9. Voorts de vraag of de Tuchtcommissie bevoegd is jegens Verweerder Tuchtmaatregelen op te leggen nu Verweerder een aanvraag voor (her)registratie heeft gedaan. 

4.10. Artikel 5.2 van het Algemeen Reglement van DSI luidt: “Het verzoek tot registratie geschiedt op een door DSI vastgesteld model registratieformulier, waarin de verzoeker te kennen geeft dat hij zich onderwerpt aan de toelatingsprocedure van DSI, alsmede aan de Statuten en Reglementen van DSI waaronder de gedragscode, en de procedure en uitspraken van de Geschillen-, Tuchtcommissie en de Commissie van Beroep.”

4.11. Verweerder heeft op 18 mei 2012 en 21 augustus 2012 aanvragen voor registratie bij DSI ingediend. Bij beide aanvragen heeft Verweerder online verklaard zich te onderwerpen aan de statuten en reglementen van DSI (zie rov. 2.6).

4.12. Artikel 4.4.1. van het Algemeen Reglement van DSI luidt: “Kandidaten en Geregistreerden dienen zich te onderwerpen aan de registratieprocedure van DSI en overigens aan de Statuten en Reglementen van DSI.”.

4.13. De definitie van Kandidaat in het Algemeen Reglement van DSI luidt: “personen of instellingen die zich schriftelijk hebben aangemeld voor inschrijving in de Registers als Geregistreerde of Deelnemer.”. 

4.14. Artikel 13.11 van het Algemeen Reglement van DSI luidt: “De Tuchtcommissie kan, indien zij een klacht gegrond acht, in haar uitspraak tegen de betreffende Geregistreerde één of meer van de volgende maatregelen opleggen:
1. berisping;
2. een taakstraf in de vorm van opleiding of verplicht te volgen educatie;
3. schorsing;
4. een boete met een maximum van 25.000 euro;
5. royement;
6. publicatie van de maatregel met vermelding van de naam van de betrokken.”.

4.15. Uit de hierboven aangehaalde artikelen 4.4.1. en 5.2 van het Algemeen Reglement en de hierboven aangehaalde verklaring die Kandidaten bij hun aanvraag moeten afleggen, blijkt duidelijk en ook voor Kandidaten kenbaar dat zij reeds voordat de registratie voltooid is aan het Algemeen Reglement inclusief het Tuchtrecht gebonden zijn. Hieruit volgt dat Kandidaten zich reeds voordat de registratie voltooid is aan de normen van het Algemeen Reglement moeten houden. 

4.16. Hoewel in artikel 13.11 niet expliciet wordt vermeld dat de Tuchtcommissie ook maatregelen jegens een Kandidaat kan opleggen, is de Tuchtcommissie van oordeel dat art. 13.11 ook op Kandidaten van toepassing is en dat zij dus, op basis van artikel 13.11 in samenhang gelezen met artikelen 4.4.1. en 5.2, bevoegd is ook maatregelen jegens Kandidaten op te leggen, met dien verstande dat de sancties van schorsing en royement, die naar hun aard alleen toepasbaar zijn op daadwerkelijk Geregistreerden, met betrekking tot Kandidaten buiten beschouwing moeten blijven. 

4.17. Ten overvloede overweegt de Tuchtcommissie dat indien aan Kandidaten geen Tuchtmaatregelen zouden kunnen worden opgelegd, er geen effectieve maatregelen zijn om het afleggen van onjuiste verklaringen bij de registratie te ontmoedigen. De enige sanctie die dan immers op een onjuiste verklaring zou staan, is het weigeren van de registratie, maar deze registratie zou zonder de onjuiste verklaring doorgaans ook niet worden verkregen. De onjuiste verklaring zal doorgaans worden gedaan vanwege de, al dan niet terechte, vrees dat de Registratie op basis van een verklaring die in overeenstemming is met de voor de aanvragen nadelige feiten zal worden geweigerd. 

4.18. Op grond van het bovenstaande komt de Tuchtcommissie tot de conclusie dat zij op basis van de status van Verweerder als Kandidaat de bevoegdheid heeft aan Verweerder maatregelen op te leggen.

5. De beoordeling van de klacht

5.1. De directie van DSI heeft een verklaring van de ex-werkgever overgelegd waarin staat dat de werkgeversverklaring niet door of namens hem is ondertekend (zie rov. 2.9 en 2.10). Verweerder heeft ook erkend dat hij de werkgeversverklaring zelf heeft opgesteld en ondertekend (zie rov. 2.16). Daarbij heeft hij aangegeven dat hij zich ervan bewust is dat hij de gedragsregels van DSI heeft overtreden en dat hij de verantwoordelijkheid voor de consequenties zal dragen. De Tuchtcommissie acht daarom voldoende bewezen dat Verweerder een valse verklaring heeft opgesteld en deze verklaring als zijnde echt aan DSI heeft overgelegd. 

5.2. De Tuchtcommissie oordeelt dat dit een overtreding inhoudt van artikel 7.1.2, 7.1.4 en 7.1.5 van de Gedragscode van DSI en acht daarom het opleggen van een maatregel (in de vorm van een boete) gerechtvaardigd.

5.3. De Tuchtcommissie volgt de directie van DSI in haar eis van een boete van € 1.250. Omstandigheden die bijzonder van belang zijn bij het bepalen van de hoogte van de boete zijn:
(i) Juist personen die werkzaam zijn in de financiële sector dienen zich van het opstellen en overleggen van valse verklaringen te onthouden. Verweerder heeft door de valse verklaring het vertrouwen in de financiële sector geschonden.
(ii) Verweerder heeft pas na aandringen van DSI toegegeven dat de werkgeversverklaring vals was.
(iii) Verweerder heeft de fout erkend en heeft aangeven de consequenties van zijn handelen te aanvaarden.

5.4. De Tuchtcommissie acht op basis van deze omstandigheden het opleggen van een boete 
€ 1.250 gerechtvaardigd.

6. De beslissing

6.1. De Tuchtcommissie legt Verweerder de sanctie op van een boete van € 1.250 met geanonimiseerde publicatie van de uitspraak.