Vermenging privé- en zakelijke belangen door beleggingsadviseur

Beslissing d.d. 30 juni 2007 van de Tuchtcommissie DSI 

Mr. C.J.B. Ebeling (voorzitter), Prof. Mr. R.E. van Esch en Mr. J.L.S.M. Hillen (leden van de Commissie), waarbij mr. M. van Luyn als secretaris optrad.


1. Het verloop van de procedure

1.1. Bij de Tuchtcommissie is via de directie van het Dutch Securities Institute, nader te noemen “DSI”, een klachtrapport binnengekomen, gedateerd 14 mei 2007. Dit rapport betreft gedragingen van Verweerder, die naar de mening van DSI in strijd zijn met de Gedragscode van het DSI, in het bijzonder artikel 7.1.1, 7.1.2, 7.1.4, 7.1.5, 7.3.1 en 7.3.5 van het Algemeen Reglement. 

1.2. De Tuchtcommissie heeft de zaak op 15 mei 2007 in behandeling genomen. Verweerder is uitgenodigd schriftelijk verweer te voeren en heeft dit middels brief van 12 juni 2007 gedaan. Daarnaast heeft hij zijn bezwaren tegen de klacht naar voren gebracht in een gesprek met het DSI, dat heeft plaatsgevonden op 2 april 2007.

1.3. Verweerder is tevens uitgenodigd voor de zitting van de Tuchtcommissie van 18 juni 2007, doch heeft aangegeven daarbij niet aanwezig te zijn. Verweerder is derhalve niet op deze zitting verschenen. 

1.4. Van de zijde van het DSI was bij de mondelinge behandeling aanwezig de heer Mr. M.A. van der Lecq. De Commissie bestond uit de heer Mr. C.J.B. Ebeling (voorzitter) en de heren Prof. Mr. R.E. van Esch en Mr. J.L.S.M. Hillen. De Commissie heeft beraadslaagd, de behandeling van de zaak gesloten en zal thans beslissen.


2. Onderwerp van de klacht

2.1. De klacht is vervat in het klachtenrapport van 14 mei 2007 en bevat de volgende elementen. 

2.2. Op 21 juni 2002 is Verweerder bij DSI geregistreerd als Senior Beleggingsadviseur. Op 20 december 2006 heeft Bank A (de “Werkgever”) bij DSI een incidentmelding gedaan. Nadat DSI met Verweerder contact heeft opgenomen en om toelichting heeft gevraagd, heeft Verweerder op 2 april 2007 een mondelinge toelichting gegeven ten kantore van DSI.

2.3. Uit het onderzoek van DSI is het volgende komen vast te staan: 

2.4. Verweerder zou in zijn contact met een drietal cliënten zich schuldig hebben gemaakt aan een ernstige mate van belangenverstrengeling. Het betreft een drietal adviescliënten van zeer hoge leeftijd. Verweerder zou gevolmachtigd zijn geweest over de privé- en de beleggingsrekeningen van de bewuste cliënten zonder dit te melden aan de werkgever, met enige regelmatig contant geld hebben opgenomen ten behoeve van de klanten en naast zijn werk als adviseur een veelvoud aan diensten verricht hebben (tegen betaling) voor bewuste cliënten. Daarnaast zou Verweerder van cliënten geld hebben aangenomen voor een privéreis naar het buitenland, en zou Verweerder van één van bewuste cliënten een huis tegen een korting van ongeveer 25% van de taxatieprijs hebben gekocht.

2.5. DSI is van mening dat deze gedragingen niet stroken met een integere handelswijze, zoals neergelegd in de Gedragscode van DSI. DSI is derhalve van oordeel dat de gedragingen van Verweerder moeten worden beschouwd als gedragingen in strijd met de Gedragscode van DSI, in het bijzonder de artikelen genoemd onder 1.1. van deze beslissing, en verzoekt de Tuchtcommissie Verweerder de maatregel van royement op te leggen, althans één van de maatregelen als bedoeld in artikel 13.11 van het Algemeen Reglement, zodanig als de Commissie in overeenstemming acht met de ernst van de gedragingen. 


3. Het verweerschrift

3.1. Verweerder heeft op 12 juni 2007 schriftelijk verweer tegen de klacht gevoerd. Zakelijk samengevat stelt Verweerder hierin het volgende: 

3.2. Verweerder stelt dat er nooit sprake is geweest van ongepast profiteren van zijn bijzondere relatie met zijn cliënten. 

3.3. Werkgever heeft Verweerder in het verleden nooit aangesproken op zijn gedrag of op een mogelijke belangenverstrengeling gewezen terwijl Werkgever al jaren op de hoogte zou zijn geweest. 

3.4. Verweerder ontkent niet dat hij gevolmachtigd is geweest, doch zou deze volmachten aan Werkgever hebben gemeld.

3.5. Verweerder ontkent niet dat hij regelmatig contant geld heeft opgenomen voor bewuste cliënten, doch dat hij dit altijd keurig heeft afgegeven aan cliënten.

3.6. Aangezien Verweerder een bijzondere band met de bewuste cliënten had, is de betaling van de privéreis voor Verweerder en zijn vrouw door twee van de bewuste cliënten en het accepteren van cadeaus van bewuste cliënten, die Verweerder als vrienden zag, niet vreemd te noemen en zou dit losstaan van zijn rol als beleggingsadviseur.

3.7. De korting die is toegepast op de taxatieprijs van de woning zou te maken hebben met de verkoop in bewoonde staat aangezien de bewuste cliënt nog in haar huis zou mogen blijven wonen, doch te verwachten viel dat zij nog lang in de woning zou blijven, hetgeen de waarde van de woning zou minderen. Dat reeds zeer korte tijd na de verkoop de cliënt besloten heeft uit het huis te trekken is een toevallige omstandigheid, waarvan Verweerder niet op de hoogte was. 


4. De mondelinge behandeling 

4.1. Gelet op het feit dat Verweerder niet op de zitting aanwezig is, licht de heer Van der Lecq de klacht kort toe en persisteert bij de klacht.


5. De beoordeling van de klacht 

5.1. Uit de stukken, de afgelegde verklaringen voor zover wederzijds erkend althans niet of onvoldoende betwist en het overige ter zitting behandelde, is het volgende komen vast te staan. 

5.2. Verweerder ontkent zelf niet dat:
• hij gevolmachtigd is geweest op de rekeningen van bewuste adviescliënten;
• hij en zijn familie privé cadeaus en geldbedragen hebben aangenomen van bewuste cliënten;
• hij tegen betaling privé diverse diensten heeft verricht voor zijn adviescliënten;
• hij met enige regelmaat contante bedragen voor bewuste cliënten heeft opgenomen;
• hij inderdaad tegen gereduceerde waarde privé een huis gekocht heeft van één van bewuste cliënten.

5.3. Voorts blijkt de Commissie uit de stukken, inclusief een door Verweerder ondertekende verklaring, dat Verweerder zich ook gerealiseerd heeft dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan belangenverstrengeling.

5.4. Zelfs al zou Werkgever van een deel van de verweten gedragingen (het overige deel van de gedragingen was ook volgens Verweerder niet bekend bij Werkgever) op de hoogte zijn geweest, dan nog ontslaat dit Verweerder niet van eigen verantwoordelijkheid en besef dat door te handelen als hiervoor beschreven, hij in ernstige mate zijn privé en zakelijk belang verstrengeld heeft. Zelfs al zou de vertrouwensrelatie gegroeid zijn in de loop der jaren, zoals Verweerder beschrijft, dan nog had Verweerder in een vroeg stadium moeten beseffen dat een professioneel handelend adviseur cliënten niet zowel zakelijk kan adviseren als hen in privé op andere wijze bij te staan (nog daargelaten of dit laatste tegen betaling geschiedt, dan wel enig voordeel daarvan wordt genoten). Nu in casu sprake is van een situatie waarin Verweerder substantieel voordeel heeft genoten in de privésfeer, vergroot dit naar het oordeel van de Commissie de mate van verwijtbaarheid, in het bijzonder van het gebrek aan besef bij Verweerder, dat deze handelswijze niet toelaatbaar is.

5.5. Voor de Tuchtcommissie zijn er derhalve geen gronden om aan te nemen dat de klacht van DSI niet gegrond zou zijn.


6. De beslissing

6.1. De Commissie is van mening dat de klacht van DSI gegrond is en dat er sprake is van een zeer ernstige overtreding van de normen van deskundigheid en integriteit. De Commissie legt de maatregel van royement op.