Wat de financiële sector kan winnen met zelfregulering
Onderzoeker Sanne de Lint over vakbekwaamheid, toezicht en waarom de financiële sector meer gebruik zou kunnen maken van zelfregulering
Toen Sanne de Lint begon aan haar onderzoek naar toezicht op vakbekwaamheid in de financiële sector, verwachtte ze niet dat ze vooral verrast zou worden door wat er níét gebeurde.
De docent en onderzoeker Staats- en bestuursrecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam bestudeerde de rol van DSI binnen het toezicht op beleggingsmedewerkers. Daarbij vergeleek ze het systeem met andere sectoren waar private partijen een rol spelen bij het bewaken van kwaliteit en naleving. Haar conclusie is opvallend eenvoudig. ”Ik was eigenlijk direct positief over hoe dit werkt. Juist daarom vind ik het jammer dat het niet bekender is.”
In onder andere de bouw, voedselveiligheid en de transportsector komt publiek-private samenwerking in het toezicht geregeld voor. Bijvoorbeeld in de vorm van een private instantie die een certificaat verleent voor een product of dienst en waar een publieke toezichthouder rekening mee houdt of op steunt in het toezicht. De financiële sector is daarin juist een uitzondering. Terwijl de sector volgens De Lint juist geschikt lijkt voor dergelijke vormen van samenwerking. ”De financiële sector is goed georganiseerd. Er zijn sterke brancheorganisaties, er is veel specialistische kennis en er zijn duidelijke normen. Dan vraag je je af: waarom gebeurt dit niet vaker?”
Een rijbewijs voor het vak
Vakbekwaamheid is een begrip waar vrijwel iedere financiële professional dagelijks mee te maken heeft. Toch blijkt het voor veel mensen lastig uit te leggen wat certificering nu precies toevoegt.
Tijdens haar interviews hoorde De Lint een vergelijking die bleef hangen. ”DSI is eigenlijk een soort rijbewijs voor het vak.” Geen garantie dat iemand een uitstekende adviseur wordt. Wel een bevestiging dat een professional beschikt over een bepaalde basis van kennis, ervaring en actuele vakkennis.
Juist die basis blijkt voor veel organisaties waardevol. Niet omdat klanten er expliciet naar vragen, maar omdat het intern duidelijkheid geeft. Een compliance officer hoeft niet telkens opnieuw aan te tonen dat medewerkers voldoen aan wet- en regelgeving. Dat werk is al gedaan. ”Er is geen discussie meer of iemand aan de eisen voldoet. Dat geeft rust.”
”Het alternatief is alles zelf organiseren, dat wordt enorm ingewikkeld.”
Volgens De Lint wordt vaak onderschat hoeveel werk daarachter schuilgaat. ”Vrijwel iedereen zei hetzelfde: als wij dit allemaal zelf moeten organiseren, dan wordt het enorm ingewikkeld. Examens, opleidingen, administratie, controles, verantwoording richting de AFM. Dat kost veel tijd en geld.”
Daarmee wordt ook duidelijk waar de rolverdeling ligt. De AFM blijft de wettelijke toezichthouder op de naleving van de vakbekwaamheidseisen. DSI neemt die rol niet over, maar helpt de sector met een herkenbare marktstandaard waarmee organisaties op een efficiënte manier kunnen aantonen dat medewerkers aan die eisen voldoen. Juist die combinatie van publiek toezicht en private uitvoering ziet De Lint als een van de sterke punten van het huidige stelsel.
Vrijwillig, maar niet vrijblijvend
Tegelijkertijd schuilt daar ook de kwetsbaarheid van het systeem. DSI-certificering is niet verplicht. Organisaties mogen ook op andere manieren aantonen dat medewerkers vakbekwaam zijn. Juridisch is daar niets mis mee. Maar daardoor ontstaat wel ruimte voor wat binnen het onderzoek ‘freeridergedrag’ wordt genoemd: organisaties die wel gebruikmaken van de infrastructuur en standaarden die door de sector zijn ontwikkeld, maar niet (volledig) deelnemen, en daarmee niet of minder betalen aan het systeem zelf.
Hoe groot dat probleem precies is, weet niemand. Juist de partijen die niet deelnemen, blijken lastig bereikbaar voor onderzoek. ”Dat vond ik eigenlijk een van de interessantste bevindingen. Je wilt begrijpen waarom sommige organisaties niet meedoen, maar juist die groep blijft vaak buiten beeld.”
Opvallend is dat een aantal observaties uit het onderzoek van De Lint terugkomen in de recente evaluatie die de AFM liet uitvoeren naar het convenant met DSI. Daarin wordt het systeem omschreven als efficiënt en effectief, maar wijzen de onderzoekers eveneens op aandachtspunten rond registratiegraad en ‘freeridergedrag’. Volgens De Lint bevestigt dat vooral dat een systeem van zelfregulering onderhoud vraagt.
”Je moet af en toe blijven kijken of het nog werkt zoals bedoeld.” Volgens haar is dat precies de reden waarom evaluaties belangrijk zijn. Niet omdat er iets mis is, maar omdat een systeem dat inmiddels bijna tien jaar bestaat, regelmatig tegen het licht gehouden moet worden. ”Ik vond het eigenlijk opvallend dat de AFM pas na zo’n lange periode zo’n uitgebreide evaluatie deed. Niet omdat het niet goed werkte, maar juist omdat je af en toe wilt toetsen of iedereen nog hetzelfde beeld heeft van hoe het systeem functioneert.”
Onafhankelijkheid blijkt vooral een kwestie van expertise
Een terugkerende vraag bij publiek-private samenwerking is onafhankelijkheid. Kan een organisatie die door de sector wordt gefinancierd wel voldoende afstand bewaren tot diezelfde sector? Op papier is dat een logische discussie. In de praktijk kwam De Lint nauwelijks twijfels tegen. ”Dat vond ik misschien wel de grootste verrassing. In andere sectoren wordt daar veel meer discussie over gevoerd.”
Volgens haar zit de verklaring niet zozeer in formele regels of governance-documenten, maar ergens anders. In expertise. Commissies, accreditatieprocessen en adviesgroepen worden gevormd door ervaren professionals uit de sector zelf die hun reputatie verbinden aan de kwaliteit van de normering. Daardoor ontstaat een natuurlijke tegenkracht tegen belangenbehartiging. ”Wat ik hoorde was eerder dat experts de lat hoger willen leggen dan lager.”
”DSI is eigenlijk een soort rijbewijs voor het vak.”
Dat raakt volgens haar aan een belangrijk misverstand over onafhankelijkheid. ”Onafhankelijkheid is geen doel op zichzelf. Het gaat er uiteindelijk om dat de kwaliteit van het systeem geloofwaardig blijft.”
Een spiegel voor de sector
Voor organisaties biedt DSI-certificering een efficiënte manier om vakbekwaamheid te borgen. Voor professionals is het een zichtbaar bewijs van kwaliteit, professionaliteit en integriteit. Voor de AFM biedt het ondersteuning bij het toezicht.
Na tientallen interviews en maanden onderzoek bleef uiteindelijk vooral één gedachte hangen. Niet dat het systeem perfect is. Niet dat alles wettelijk verplicht moet worden. Maar wel dat de financiële sector misschien te weinig gebruikmaakt van een instrument dat elders al jaren wordt toegepast.
”De financiële crisis ligt inmiddels behoorlijk achter ons. Misschien is dit juist het moment om opnieuw te kijken hoe je toezicht organiseert en waar publiek-private samenwerking kan helpen.”
Meer weten? Het volledige onderzoeksrapport van Sanne de Lint is beschikbaar via de website van de Vrije Universiteit Amsterdam. Daar vind je de volledige onderzoeksopzet, analyse en conclusies die ten grondslag liggen aan dit interview.