Wisseling van de wacht bij de Accreditatiecommissie
Marlène Jans volgt Clemens Spoorenberg op: over vakbekwaamheid, eigenaarschap en het belang van een sterke organisatiecultuur.
Clemens Spoorenberg was er meer dan 25 jaar geleden al bij toen DSI werd opgericht. Vanuit rollen bij NIBE-SVV, DSI-adviescommissies en Europese netwerken zoals EBTN en EFPA zag hij de reis van zelfregulering naar een volwassen, door de toezichthouder erkend systeem. Nu draagt hij het stokje over aan Marlène Jans, die met haar expertise op het snijvlak van compliance, governance en gedrag & cultuur de nieuwe uitdagingen aangaat.
Clemens, je hebt bij DSI verschillende rollen gehad. Welke periode of rol is je het meest bijgebleven?
Clemens: Eigenlijk twijfel ik tussen twee periodes. De beginperiode, in een tijd dat er nauwelijks toezicht was – de Stichting Toezicht Effectenverkeer stond nog in de kinderschoenen, de AFM bestond nog niet – werkten wij als sector aan vrijwillige vakbekwaamheidseisen voor medewerkers in de beleggingswereld. Dat was puur zelfregulering, uniek voor die tijd. En wat mij achteraf het meest treft: we combineerden vakdeskundigheid al met eisen op het gebied van ethiek, integriteit en sociale vaardigheden. Dat was echt vooruitstrevend. Daar zijn de fundamenten gelegd voor alles wat daarna kwam.
Maar ook de fase waarin we de Europese ESMA-richtlijnen naar de Nederlandse praktijk vertaalden, was bijzonder. Daar kwam alles samen: mijn nationale ervaring, mijn Europese netwerk via EFPA en EBTN, en de erkenning dat wat wij in Nederland bij DSI hadden opgebouwd toch wel bijzonder was.
Wat sprak jou het meest aan in het voorzitterschap van de Accreditatiecommissie, Marlène?
Marlène: ”Het is altijd mooi om in een professionele omgeving met een team van zeer ervaren specialisten te mogen werken. Met mijn expertise op het snijvlak van compliance, governance en gedrag en cultuur kan ik hier hopelijk nog een extra invalshoek aan bijdragen. DSI heeft sinds de start een grote ontwikkeling doorgemaakt. Financiële stabiliteit en gezondheid zijn essentieel voor iedereen in onze maatschappij, en de borging van de kwaliteit van medewerkers is de sleutel tot die stabiliteit.
In mijn eigen werk heb ik aan den lijve ervaren hoe belangrijk het is om met goed opgeleide mensen te werken – en hoeveel schade klanten kunnen oplopen door slecht opgeleide of slecht functionerende medewerkers. De klant heeft immers altijd een informatieachterstand en is daardoor volledig afhankelijk van de kwaliteit van de professional. Er kan veel fout gaan, en de consequenties daarvan kunnen echt groot zijn. Het borgen van de kwaliteit van opleidingen is daarom van groot belang voor de sector. Dit ligt direct in het verlengde van de werkzaamheden van de AFM, die DSI daartoe heeft gemandateerd. Ik zie het dan ook als een eer om hieraan bij te mogen dragen, en om Clemens te mogen opvolgen als voorzitter van de Accreditatiecommissie. Hij heeft een grote rol gespeeld binnen DSI en heeft op bijzondere wijze bijgedragen aan de ontwikkeling van vakbekwaamheid in de financiële sector.”
Accreditatie klinkt soms technisch, maar jullie bepalen mede wat en hoe professionals leren. Hoe heb jij die verantwoordelijkheid ervaren, Clemens?
Clemens: Voor mij ging accreditatie nooit alleen over procedures of formats, maar over vertrouwen. Jij geeft als commissie het kwaliteitsstempel dat bepaalt wat professionals leren en hoe ze zich ontwikkelen. Dat is een grote verantwoordelijkheid. Ik heb dat altijd gevoeld als iets eervols – je zit aan de knoppen van professionele cultuurvorming. Als niet-beleggingsspecialist wist ik mij altijd gesteund door de enorme beleggingsexpertise van mijn mede-commissieleden die echt weten wat het vak zou moeten inhouden. Het motiveert enorm als je ziet dat opleidingen en exameninstituten die ambitie delen.
In de financiële sector is de aanwezigheid van kennis van de regels en wetten alleen onvoldoende om het ‘juiste’ te kunnen doen. Het gaat ook om competenties van de medewerkers, dus wat in de praktijk met de opgedane kennis wordt gedaan.
Accreditatie is misschien niet het meest zichtbare werk, maar wel bepalend. Hoe kijk jij daar tegenaan, Marlène?
Marlène: Opleidingen voor financiële professionals worden door verschillende opleidingsinstituten aangeboden. Het is van belang dat die opleidingen aan specifieke eisen voldoen. Zo weet de financiële instelling dat de professional goed opgeleid en gekwalificeerd is, kan de professional aantonen dat hij of zij over de vereiste kwalificaties beschikt, en kan de klant zien dat hij of zij op het juiste of vereiste niveau wordt bediend c.q. geadviseerd. Ik beschouw de accreditatie van opleidingen als een onafhankelijk keurmerk waarmee wordt aangetoond dat opleidingen aan specifieke basiseisen voldoen. Dat is des te belangrijker in een wereld die snel verandert, en waarin de complexiteit snel toeneemt.
Kun je een moment noemen tijdens je werk voor DSI waarop je dacht: hier maken we echt verschil voor de sector, Clemens?
Clemens: Twee momenten springen eruit. Het eerste was de introductie van de online periodieke integriteittoets, de DSI PIT. Nog voordat permanente educatie gemeengoed was, hadden wij al een instrument om professionals periodiek te laten reflecteren op integer handelen. Er was discussie over – mensen speelden vragen door aan elkaar of deden de toets samen – maar terugkijkend was juist dát de les: over integriteit en ethisch handelen moet je samen spreken, niet in je eentje een toets afvinken. Het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Het tweede moment was toen ik op basis van mijn Europese betrokkenheid bij de ESMA-richtlijnen voor vakbekwaamheid DSI heb mogen adviseren hoe het stelsel in Nederland vorm te geven. De aanpak die DSI in Nederland heeft uitgewerkt werd door de AFM gesanctioneerd als een uitstekende manier om aan die Europese eisen te voldoen. Dat heb ik in mijn Europese netwerk met nauwelijks verholen trots rondverteld.
Hoe zie jij de toekomst van leren en vakmanschap in de financiële sector, met alle ontwikkelingen rondom AI en nieuwe manieren van leren, Marlène?
Marlène: Ik verwacht dat AI enorm gaat helpen, maar alleen als ondersteuning moet dienen voor de medewerker. Het is cruciaal dat de medewerker zelf heel goed begrijpt welke stappen waarom moeten worden gezet in bijvoorbeeld een beleggingsadvies of voor een financiële planning, en dat hij de impact van het resultaat goed kan overzien. Hij of zij blijft in the lead, het gaat om het ‘grotere plaatje’. Die kennis moet blijven, the human in the loop blijft essentieel. Dat impliceert ook dat hoge eisen moeten worden gesteld aan de kwalificaties en competenties van de medewerker. De onderwijsmethodes dienen hier goed op aan te sluiten.
Dit geeft ook nieuwe mogelijkheden om te leren, een ander opleidingsaanbod te creëren en casussen meer actueel en uitdagend te maken. Ik zie de omgang met AI als een belangrijk onderdeel van het opleidingsprogramma, en daar moeten we niet te lang mee wachten. In het kader van de ‘human in the loop’ en het gebruik van AI gaat het belang van ethisch besef en het morele kompas wat mij betreft zwaarder wegen dan nu het geval is. Blind vertrouwen op AI is en blijft wat mij betreft een grote valkuil; zelfstandig en autonoom nadenken blijft vereist.
Wat denk je dat mensen vaak niet zien van het werk van de Accreditatiecommissie, Clemens?
Clemens: Hoe grondig en zorgvuldig het werk is. De commissie beoordeelt niet oppervlakkig of een examen ”klopt” – we kijken of de eindtermen op een betekenisvolle manier worden getoetst, of actualiseringen echt iets toevoegen, of vernieuwde modules zoals onlangs de integriteitsmodule aansluiten bij wat de sector nodig heeft. Dat gebeurt altijd op basis van degelijke voorbereiding door de DSI-adviescommissies en na consultatie van organisaties die wij accrediteren.
Wat maakt een opleiding volgens jou écht relevant voor iemand die dagelijks in de praktijk werkt, Marlène?
Marlène: Een goede opleiding helpt om een goed overzicht en inzicht te krijgen in de materie, het laat het bredere plaatje zien, het ‘waarom’ achter een vraag of dilemma. Tegelijkertijd gaat een goede opleiding ook uitgebreid in op de nuances die het verschil kunnen maken tussen goede en slechte dienstverlening. In een goede opleiding ga je ook met de andere deelnemers en de docent het gesprek aan over de vraag waar en hoe je eigenaarschap kunt nemen voor de werkzaamheden die je uitvoert en de gevolgen daarvan. Dat gaat niet om weglopen voor de consequenties, maar op een volwassen wijze je vak uitoefenen, en gezamenlijk leren van eventueel gemaakte fouten.
Bij deze wil ik graag mijn dank uitspreken aan de (ex) directeuren van DSI: Kees Oosterholt, Dick Vis, Jerry Brouwer en nu Floris Mreijen en al hun medewerkers (vooral Nana Asante, Marin Schrijen en Mark van der Lecq).
Vanuit jouw eigen werkervaring: waar zag jij in de praktijk het verschil tussen “een opleiding volgen” en echt vakbekwaam zijn, Clemens?
Clemens: Een opleiding volgen kun je passief doen. Vakbekwaamheid is actief – het is de combinatie van vakdeskundigheid, integer handelen en goede sociale vaardigheden, en die moet je voortdurend onderhouden. Vandaar DSI Permanent Vakbekwaam. DSI heeft altijd begrepen dat registratie geen eindpunt is, maar een voortdurende belofte aan de sector.
Vanuit je eigen loopbaan: waar heb jij zelf gemerkt hoe belangrijk goede opleidingen zijn, Marlène?
Marlène: De opleidingen die ik heb gevolgd hebben voor mij een enorme verrijking en verdieping van kennis en inzichten opgeleverd; ze hielpen om de grotere structuren en het ‘waarom’ achter veel structuren en dilemma’s beter te begrijpen, waardoor de mogelijke oplossingen sneller zichtbaar werden en beter konden worden onderbouwd.
Ik heb van nabij ervaren hoe groot de schade kan zijn als financiële professionals een te grote broek aantrekken, en niet goed opgeleid aan een verantwoordelijke taak beginnen. Het kan een hele tijd duren voordat schadelijke patronen zichtbaar worden, en reparatie is dan vaak niet meer (goed) mogelijk. Dit is zeer schadelijk, niet alleen voor de financiële instelling en haar reputatie, maar ook voor de klant. En geen enkele medewerker is er uiteindelijk bij gebaat om niet goed beslagen ten ijs te komen; het draagt bij aan het zelfvertrouwen en dus aan het werkplezier.
Hoe heb jij jouw ervaring en blik concreet kunnen inzetten binnen de commissie, Clemens?
Clemens: Het was zeker een voordeel dat ik als voormalig directielid van een opleidings- en examenorganisatie veel kennis had opgedaan over het functioneren van de organisaties die bij DSI accreditatie aanvragen. Daarnaast inhoudelijk, onder andere door mijn betrokkenheid bij de ESMA-richtlijnen, begreep ik de Europese context achter de eisen die wij in Nederland beoordeelden. Dat gaf perspectief bij discussies over eindtermen en exameninhoud.
Maar misschien nog wel het meest als verbinder: ik kende de geschiedenis van DSI van binnenuit, wist waarom bepaalde keuzes waren gemaakt, en kon die continuïteit bewaken terwijl de commissie ook vernieuwde – met het ALM-register en de nieuwe integriteitsmodule als mooie voorbeelden.
Wat neem jij vanuit jouw ervaring bewust mee de commissie in om de commissie klaar te maken voor deze nieuwe uitdagingen, Marlène?
Marlène: Kijk naast het opleidingsprogramma ook naar de kwaliteit van de opleidingsorganisatie zelf. Als een opleiding wordt geaccrediteerd, maar het instituut zelf blijkt niet te beschikken over de gewenste robuuste en integere organisatie, kan dat alsnog de kwaliteit van de opleidingen in de praktijk beïnvloeden. Dan heeft de accreditatie ‘aan de voorkant’ alsnog niet het gewenste en benodigde effect.
In de financiële sector is de aanwezigheid van kennis van de regels en wetten alleen onvoldoende om het ‘juiste’ te kunnen doen. Het gaat ook om competenties van de medewerkers, dus wat in de praktijk met de opgedane kennis wordt gedaan. En hoe de risicocultuur van financiële instellingen wordt versterkt en bewaakt. Ik heb in de praktijk vele keren gezien hoe de organisatiecultuur invloed heeft op het gedrag van medewerkers – en omgekeerd. Het gedrag van de medewerkers kan een heel groot risico zijn, maar ook een enorme ‘asset’, een sterke beheersmaatregel. In de commissie wil ik graag bespreekbaar maken hoe wij in de opleidingen aandacht kunnen (laten) inbouwen voor deze gedrags- en cultuurcomponenten. En hoe de cursisten al in de opleidingen meekrijgen dat zij ‘ownership’ dienen te ontwikkelen voor het resultaat van hun werkzaamheden. (Het belang van een sterke organisatiecultuur was ook de reden waarom ik in 2016 de Kennistafel Gedrag & Cultuur voor de VCO – Vereniging voor Compliance Professionals – heb opgericht).
Als jij het werk van de Accreditatiecommissie in één zin zou moeten samenvatten, Clemens?
Clemens: De Accreditatiecommissie bewaakt niet alleen de kwaliteit van kennis, maar ook het hart van de professional: integriteit, ethiek en verantwoordelijkheid – de ware fundamenten van vakbekwaamheid.
Stel dat je over een paar jaar terugkijkt: wanneer kan je zeggen dat dit voorzitterschap voor jou geslaagd is, Marlène?
Marlène: Als wij als commissie hebben kunnen bijdragen aan verdere versterking van de opleidingen en daarmee aan de borging van de kwaliteit en de robuustheid van de financiële sector. En daarnaast – niet onbelangrijk – als wij als team in een constructieve en prettige setting hebben kunnen werken, waarbij er ruimte is voor ieders inbreng. Voor mij gaat het om de optelsom van ieders inbreng; ‘1+1 = 3’.

Dank aan Clemens Spoorenberg: ruim 25 jaar gids in vakbekwaamheid
Met het vertrek van Clemens Spoorenberg als voorzitter van de Accreditatiecommissie nemen we bij DSI afscheid van een boegbeeld van het eerste uur. Clemens was er ruim een kwart eeuw geleden al bij toen DSI werd opgericht. Van de prille begintijd van zelfregulering tot het volwassen stelsel van vandaag: Clemens was onze constante factor en verbinder.
Clemens, ik wil je namens heel DSI – en ook persoonlijk – ontzettend bedanken voor je tomeloze inzet en expertise in de afgelopen decennia.
Voor jou ging vakbekwaamheid nooit over het simpelweg afvinken van procedures of droge kennis. Je was een pionier op het gebied van ethiek en integriteit. Met de introductie van de DSI PIT liet je al vroeg zien dat een moreel kompas het échte fundament vormt van ons vak. Dankzij jouw sterke netwerk bij EFPA en EBTN hielp je bovendien de Europese ESMA-richtlijnen feilloos te vertalen naar de Nederlandse praktijk. Iets waar we als DSI nog dagelijks de vruchten van plukken en met recht trots op mogen zijn. Als voorzitter van de Accreditatiecommissie bewaakte je dit kwaliteitsstempel altijd met grote zorgvuldigheid en een scherp oog voor de praktijk.
Tegelijkertijd heet ik Marlène Jans van harte welkom als nieuwe voorzitter van de Accreditatiecommissie. Ik kijk enorm uit naar onze samenwerking om samen de kwaliteit en robuustheid van de sector verder te versterken.
Floris Mreijen
Directeur-bestuurder DSI