Boete wegens afleggen valse verklaring

De Tuchtcommissie legde aan een financiële professional een boete van €1250 op vanwege het vervalsen van een opleidingsdiploma. De vervalsing kwam aan het licht dankzij het screeningsproces van DSI Pre-employment Screening. Omdat het om een bij een DSI-registratie verplichte screening ging en de persoon zich had onderworpen aan de DSI gedragsregels, achtte DSI dat de persoon aangesproken kon worden op de overtreding van de regels. De Tuchtcommissie deelde de mening van DSI. De persoon gaf de vervalsing toe en de commissie legde een boete op.

Mr. J.L.S.M. Hillen (Voorzitter), waarbij mr. N.G. Wijnstekers als secretaris optrad.

Deze uitspraak is tot stand gekomen met inachtneming van de bepalingen van het DSI Reglement Tuchtcommissie.

1.              Het verloop van de procedure

De Tuchtcommissie heeft een klachtrapport van de directie van DSI (“DSI”) d.d. 29 oktober 2015 ontvangen. Dit rapport betreft gedragingen van Verweerder die naar de mening van DSI in strijd zijn met artikel 7.1.2, 7.1.4 en 7.1.5 van het Algemeen Reglement van DSI (“Gedragscode”).  

De Tuchtcommissie heeft de zaak op 14 december 2015 in behandeling genomen en heeft Verweerder bij brief van 14 december 2015 uitgenodigd schriftelijk verweer te voeren. Verweerder heeft geen schriftelijk verweer gevoerd.  

Verweerder en DSI zijn conform de bepalingen in het Tuchtreglement uitgenodigd voor de zitting van de Tuchtcommissie van 17 maart 2016.

Op 17 maart 2016 heeft de zitting plaatsgevonden. Verweerder is verschenen. Namens DSI is mr. M.A. van der Lecq verschenen.

Op verzoek van DSI heeft de Voorzitter toepassing gegeven aan artikel 6.2 van het DSI Reglement Tuchtcommissie en besloten dat deze zaak wordt behandeld door de Voorzitter alleen, omdat de aard van deze zaak zich daarvoor leent.

Ter zitting hebben Verweerder en DSI een aantal vragen van de Tuchtcommissie beantwoord. Verweerder heeft de gang van zaken en de achtergrond daarvan nader toegelicht en DSI heeft een nadere toelichting gegeven op zijn stellingen.

De Tuchtcommissie heeft hierna beraadslaagd en op 17 maart 2016 de behandeling van de zaak gesloten.

2.             Feiten

Op 21 januari 2015 heeft Verweerder via de website van DSI een verzoek tot registratie als Vermogensbeheerder ingediend. Verweerder heeft daarbij aangegeven de opleiding ‘CFA level 1’ te hebben behaald.

Bij de aanvraag heeft Verweerder op het online formulier de volgende verklaring afgelegd:

“Hierbij verklaar ik

  • het Algemeen Reglement en het Privacyreglement te hebben gelezen en met de inhoud akkoord te gaan.
  • de vragen in dit formulier en de eventuele bijlage(n) volledig te hebben beantwoord en dat de verstrekte informatie volledig en juist is.
  • mij te onderwerpen aan de statuten en reglementen van DSI waaronder met name de DSI-gedragscode en de procedures en uitspraken van de Tucht- en Geschillencommissie en de Commissie van Beroep.”

DSI heeft op 23 januari 2015 het CFA Institute gevraagd om bewijs van het behalen van deze opleiding. Het CFA Institute heeft op 30 januari 2015 aangegeven dat Verweerder deze opleiding niet heeft behaald.

Verweerder heeft op 9 februari 2015 desgevraagd aan DSI aangegeven de opleiding “CFA Level1” in december 2015 te hebben behaald. Verweerder heeft daarbij een kopie gevoegd van de verklaring daarover van het CFA Institute.

Op 17 maart 2015 heeft DSI het CFA Institute de kopie van de verklaring van het CFA Institute voorgelegd met de vraag om nogmaals te controleren of Verweerder de opleiding “CFA Level1” heeft behaald.

Op 23 maart 2015 heeft het CFA Institute aangegeven dat de verklaring is vervalst.

DSI heeft daarop op 20 april 2015 aan Verweerder gevraagd of de door Verweerder overgelegde verklaring door het CFA Institute is afgegeven. Verweerder heeft op diezelfde dag aan DSI bevestigd dat het een scan betreft van een email die destijds door het CFA Institute is verzonden. DSI heeft op dezelfde dag aangegeven aan Verweerder dat het CFA Institute heeft bevestigd dat deze de email niet heeft afgegeven. DSI heeft Verweerder gevraagd of hij op een andere manier kan aantonen dat hij heeft voldaan aan de eisen van ‘CFA level 1’. Verweerder heeft aangegeven hierover contact te zullen opnemen met het CFA Institute.

Op 12 mei 2015 heeft DSI aan Verweerder gevraagd om duidelijkheid over de verklaring van het CFA Institute en, bij het uitblijven hiervan, een tuchtrechtelijk onderzoek tegen Verweerder te zullen starten. Daarop heeft Verweerder aangegeven nog geen reactie te hebben ontvangen van het CFA Institute over de verklaring.

DSI heeft Verweerder op 19 mei 2015 nogmaals verzocht om duidelijkheid.

Nu hierop ook geen reactie is gekomen, is DSI op 4 juni gestart met een tuchtrechtelijk onderzoek en heeft hij Verweerder in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren.

Op 2 juli 2015 hebben DSI en Verweerder een telefoongesprek gehad waarin Verweerder heeft aangegeven onjuiste gegevens te hebben verstrekt aan DSI.

Op 7 juli heeft een bespreking tussen DSI en Verweerder plaatsgevonden, waarna Verweerder een schriftelijke verklaring heeft gestuurd aan DSI.

DSI heeft op 14 juli een gespreksverslag aan Verweerder gestuurd, dat door Verweerder met een kleine aanpassing ondertekend retour is gestuurd. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat zijn arbeidsovereenkomst inmiddels is beëindigd door zijn werkgever.

Vervolgens heeft DSI op 29 oktober 2015 het klachtrapport opgesteld en voorgelegd aan de Tuchtcommissie.

3.             De klacht van DSI

De klacht van de directie van DSI strekt tot het opleggen van een boete van € 1.250 aan Verweerder wegens overtreding van artikel 7.1.2, 7.1.4 en 7.1.5 van de Gedragscode.

Ter onderbouwing hiervan geeft DSI, kort samengevat, aan dat Verweerder opzettelijk een valselijk opgemaakt document heeft verstrekt aan DSI bij het verzoek om registratie als Vermogensbeheerder. Met dit document heeft Verweerder getracht een registratie van DSI te verkrijgen. Het vervalsen van documenten is volgens DSI bijzonder schadelijk voor het vertrouwen in financiële instellingen. Het handelen van Verweerder levert volgens DSI een overtreding van de Gedragscode op. DSI verwijst daarbij naar de uitspraak van de Tuchtcommissie van 1 mei 2013 (TC 2013-1), waarin is geoordeeld dat het vervalsen van een werkgeversverklaring een schending van de Gedragscode oplevert.

DSI wijst ook op zijn primaire doelstelling, te weten het bevorderen van de integriteit van de effectenbranche. DSI is van mening dat de integriteit van in de financiële sector werkzame personen met een DSI registratie, boven elke twijfel verheven moet zijn. Dit is de reden waarom DSI is opgericht. Met zijn handelen heeft Verweerder in strijd gehandeld met de  doelstelling van DSI om de integriteit van de effectenbranche te bevorderen.

4.               Ter zitting

Ter zitting hebben partijen over en weer hun stellingen nader toegelicht en zijn vragen door de Tuchtcommissie gesteld, die door partijen zijn beantwoord.

 Verweerder heeft aangegeven dat zijn handelen is ingegeven door stress op zijn werk en in zijn privé-situatie. Verweerder geeft aan dat hij spijt heeft van zijn handelen en zich ervoor schaamt. Hij erkent dat hij met zijn handelen het vertrouwen van onder andere zijn werkgever en de financiële industrie heeft geschaad. Verweerder geeft aan dat hij ook zijn baan hierdoor is verloren. 

DSI heeft aangegeven dat een sanctie van de Tuchtcommissie voor 3 jaar wordt aangetekend in het openbare register. Die aantekening vindt plaats vanaf de datum van de uitspraak. Verder geeft DSI aan dat een sanctie van een boete van € 1.250 passend is, omdat dit hetzelfde bedrag is dat in een vergelijkbare zaak is opgelegd. Er zijn geen verzachtende omstandigheden, nu het handelen van Verweerder DSI in zijn kern raakt en tevens een strafbaar feit oplevert. Ook heeft Verweerder meerdere momenten gehad waarop hij zich had kunnen bedenken. Dit heeft Verweerder niet gedaan. Verweerder heeft steeds, tot de start van het tuchtrechtelijk onderzoek, volgehouden dat hij de opleiding ‘CFA level 1’ heeft behaald.

5.             De bevoegdheid van de Tuchtcommissie

De Tuchtcommissie acht zich bevoegd om deze zaak te behandelen en jegens Verweerder maatregelen op te leggen.

Verweerder heeft zich op 21 januari 2015 bij de aanvraag van de registratie als Vermogensbeheerder op het aanvraagformulier akkoord verklaard met het Algemeen Reglement en heeft zich onderworpen aan de statuten en reglementen van DSI, waaronder met name de DSI-gedragscode en de procedures en uitspraken van de Tucht- en Geschillencommissie en de Commissie van Beroep. Dit blijkt ook uit artikel 5.2 van het DSI Algemeen Reglement, waarmee Verweerder bij de aanvraag akkoord is gegaan. In dit artikel is bepaald dat het verzoek tot registratie geschiedt op een door DSI vastgesteld model registratieformulier, waarin de verzoeker te kennen geeft dat hij zich onderwerpt aan de toelatingsprocedure van DSI, alsmede aan de statuten en reglementen van DSI waaronder de Gedragscode, en de procedure en uitspraken van de Geschillen-, Tuchtcommissie en de Commissie van Beroep.

Hieruit volgt dat Verweerder, ook voordat de registratie is voltooid, aan het Algemeen Reglement inclusief het Tuchtrecht is gebonden.

Op grond van artikel 13.11 van het DSI Algemeen Reglement kan de Tuchtcommissie maatregelen opleggen aan DSI-geregistreerden:

“De Tuchtcommissie kan, indien zij een klacht gegrond acht, in haar uitspraak tegen de betreffende Geregistreerde één of meer van de volgende maatregelen opleggen:

  • berisping;
  • een taakstraf in de vorm van opleiding of verplicht te volgen educatie;
  • schorsing;
  • een boete met een maximum van 25.000 euro;
  • royement;
  • publicatie van de maatregel met vermelding van de naam van de betrokken.”

De Tuchtcommissie is van oordeel dat, gelet op het hierboven onder 5.2 en 5.3 gestelde, art. 13.11 ook op personen als Verweerder van toepassing is en dat zij dus, op basis van artikel 13.11 in samenhang gelezen met artikel 5.2, bevoegd is om ook maatregelen aan Verweerder op te leggen, met dien verstande dat de sancties van schorsing en royement naar hun aard niet van toepassing kunnen zijn op personen als Verweerder.

De Tuchtcommissie overweegt hierbij dat indien aan personen als Verweerder geen Tuchtmaatregelen zouden kunnen worden opgelegd, aan DSI geen effectieve maatregelen ter beschikking zouden staan om het afleggen van onjuiste verklaringen bij de registratie te ontmoedigen en te voorkomen. De enige sanctie die dan immers op een onjuiste verklaring zou staan, is het weigeren van de registratie.

6.             De beoordeling van de klacht

De Tuchtcommissie acht de gedragingen van Verweerder in strijd met de Gedragscode.

Verweerder heeft bij zijn verzoek om registratie als vermogensbeheerder verklaard dat hij de opleiding “CFA Level 1” heeft behaald en heeft in een later stadium een verklaring van het CFA Institute hieromtrent aan DSI gezonden. DSI heeft een verklaring van het CFA Institute ontvangen en aan de Tuchtcommissie overgelegd waaruit blijkt dat Verweerder niet de opleiding ‘CFA level 1’ heeft behaald. Verweerder heeft uiteindelijk erkend dat hij de door hem ingezonden verklaring van het CFA Institute heeft vervalst. De Tuchtcommissie acht daarom voldoende bewezen dat Verweerder een vervalst document heeft ingediend en hij dit document als zijnde echt aan DSI heeft overgelegd.

De Tuchtcommissie oordeelt dat dit een overtreding inhoudt van artikel 7.1.2, 7.1.4 en 7.1.5 van de Gedragscode van DSI en acht daarom het opleggen van een maatregel gerechtvaardigd.

De Tuchtcommissie volgt de directie van DSI in zijn eis van een boete van € 1.250. Omstandigheden die bijzonder van belang zijn bij het bepalen van de hoogte van de boete zijn:

Juist personen die werkzaam zijn in de financiële sector dienen zich van het opstellen en overleggen van valse verklaringen te onthouden. Verweerder heeft door de valse verklaring het vertrouwen in de financiële sector geschonden.

Verweerder heeft op verschillende momenten de gelegenheid gehad op zijn frauduleus handelen terug te komen, maar heeft uiteindelijk pas na aandringen van DSI toegegeven dat hij de verklaring van het CFA Institute heeft vervalst.

De omstandigheden die Verweerder heeft aangevoerd om te verklaren waarom hij heeft gehandeld als in deze uitspraak beschreven, kunnen niet tot een andere beslissing leiden, omdat deze omstandigheden, hoe belangrijk deze voor Verweerder ook mogen zijn geweest, het indienen van een vervalste verklaring niet kunnen rechtvaardigen.

De Tuchtcommissie acht op basis van deze omstandigheden het opleggen van een boete € 1.250 passend.

7.              De beslissing

De Tuchtcommissie oordeelt dat de klacht van DSI gegrond is en dat er sprake is van een overtreding van de normen van integriteit zoals neergelegd in de Gedragscode waarop de klacht is gebaseerd.

De Tuchtcommissie legt Verweerder de sanctie op van een boete van € 1.250, met geanonimiseerde publicatie van de uitspraak.