Disciplinaire maatregelen

DSI heeft de bevoegdheid disciplinaire maatregelen op te leggen in de vorm van boetes of beëindiging van de DSI-registratie. Ook onderzoekt DSI kwesties die uiteindelijk niet leidden tot maatregelen. Hieronder vindt u een overzicht van beslissingen door de jaren heen.

2015

  • Sanctie voor delen vertrouwelijke informatie met cliënt

    DSI heeft aan een effectenhandelaar van een bank een sanctie van €1250 opgelegd voor het delen van vertrouwelijke informatie met een cliënt. DSI heeft in haar oordeel meegewogen dat de werkgever van de handelaar ook al disciplinaire maatregelen heeft getroffen.
     
    DSI ontving van een bij de stichting aangesloten financiële instelling een melding van een mogelijke schending van de gedragscode door een eigen medewerker. DSI heeft onderzoek gedaan en daarbij is, kort samengevat, het volgende gebleken.
     
    Uit het onderzoek kwam onder meer naar voren dat een bij een bank werkzame DSI-geregistreerde effectenhandelaar vertrouwelijke en koersgevoelige informatie met een cliënt heeft gedeeld.
     
    De effectenhandelaar werd door een collega op de hoogte gebracht van deze informatie. Het betrof gegevens die door een beursgenoteerde onderneming per ongeluk naar buiten zijn gebracht. Nadat de geregistreerde effectenhandelaar door een collega op deze informatie werd gewezen heeft de handelaar een cliënt gebeld en de vertrouwelijke informatie gedeeld. De handelaar wist dat deze cliënt op dat moment een beleggingspositie had in de onderneming waarvan de informatie afkomstig was.
     
    DSI heeft onderzoek verricht naar de feiten en de geregistreerde is om een reactie gevraagd.
     
    Geregistreerde heeft erkend een fout te hebben gemaakt door de cliënt te bellen zonder zelf eerst een factcheck uit te voeren. De handelaar heeft er echter op gewezen dat hij op het moment dat het zich afspeelde zich er niet van bewust was dat het een fout was.
     
    Tevens heeft de handelaar erop gewezen dat dergelijke beslissingen in seconden gemaakt worden.
     
    De handelaar heeft er ten slotte op gewezen dat hij zelf naar de afdeling compliance is gegaan om de kwestie te bespreken.

    De handelwijze van de effectenhandelaar is, naar het oordeel van DSI, in strijd met de artikelen 7.1.1, 7.1.2 en 7.1.4 van het Algemeen Reglement (de DSI Gedragscode). Op basis van bovengenoemde feiten heeft DSI in oktober 2015 als maatregel aan de geregistreerde een transactie van € 1.250,- aangeboden, welke door de geregistreerde is aanvaard.
     
    Bij de overwegingen om de zaak door middel van een transactie af te doen heeft DSI de reeds door de werkgever opgelegde disciplinaire maatregelen meegewogen.

2014

  • Uitspraak BO nr. 1 d.d. 05-11-2014 Handelen in strijd met professionele normen en onvoldoende supervisie management

    DSI legt boetes op wegens handelen in strijd met professionele normen en onvoldoende supervisie door het management

    DSI heeft onderzoek gedaan naar meerdere bij DSI geregistreerde personen die betrokken zijn geweest bij een proces van prijsvorming op een handelsvloer, waaronder enkele leidinggevenden die moesten toezien op dit proces. Aan vier personen is door middel van een transactie een boete opgelegd. 

    Uit het onderzoek van DSI kwam naar voren dat communicatie heeft plaatsgevonden tussen handelaren onderling die ingegeven kon zijn door het verlangen om te profiteren van bepaalde prijsontwikkelingen. DSI is van oordeel dat deze communicatie in strijd is geweest met de basisbeginselen van een professionele beroepsuitoefening. 

    Tevens is in het onderzoek van DSI de rol van leidinggevenden onderzocht. Drie van de vier geregistreerden aan wie een boete is opgelegd hadden een leidinggevende functie in de periode dat de ongepaste communicatie heeft plaatsgevonden. DSI is van oordeel dat op personen met een leidinggevende functie een verzwaarde verantwoordelijkheid rust om te bevorderen dat hun ondergeschikten handelen overeenkomstig de DSI Gedragscode. 

    De hoogte van de door DSI opgelegde boetes varieert tussen € 750,- en € 3.000. Bij de overwegingen om de vier zaken door middel van een transactie af te doen heeft DSI de reeds door de werkgever opgelegde disciplinaire maatregelen meegewogen.

2013

  • Delen vertrouwelijke informatie met journalist

    DSI ontving een melding van mogelijke schending van de gedragscode. DSI heeft onderzoek gedaan en daarbij is, kort samengevat, het volgende gebleken.
    Uit het onderzoek kwam onder meer naar voren dat een bij een beleggingsonderneming werkzame DSI-geregistreerde Vermogensbeheerder vertrouwelijke informatie met een journalist heeft gedeeld.

    De geregistreerde heeft de journalist onder andere een kopie van een vertrouwelijke brief verstrekt. Uit deze brief blijkt dat een beursgenoteerde onderneming in gebreke is gesteld en in verzuim verkeert inzake de couponbetaling op een obligatielening. Cliënten van de werkgever van de geregistreerde hadden de desbetreffende obligatielening in hun beleggingsportefeuille.

    DSI heeft onderzoek verricht naar de feiten en de geregistreerde is om een reactie gevraagd. Geregistreerde heeft er als eerste op gewezen dat de journalist niets met het doorgestuurde materiaal heeft gedaan.Bovendien heeft geregistreerde aangegeven dat zijn handelwijze werd ingegeven door het streven om een fatsoenlijke oplossing te vinden voor de cliënten van zijn werkgever die met het uitblijven van de couponbetaling werden geconfronteerd. Geregistreerde heeft tenslotte aangegeven in te zien dat hij in de onderhavige kwestie niet handig heeft gehandeld. 

    De handelwijze van de Vermogensbeheerder is, naar het oordeel van DSI, in strijd met de artikelen 7.1.1, 7.1.2 en 7.1.4 van het Algemeen Reglement (de DSI-gedragscode). Op basis van bovengenoemde feiten heeft DSI in oktober 2013 als maatregel aan de geregistreerde een transactie van € 500,- aangeboden, welke door de geregistreerde is aanvaard. Bij de overwegingen om de zaak door middel van een transactie af te doen heeft DSI de verregaande arbeidsrechtelijke consequenties die het incident voor de Vermogensbeheerder heeft gehad meegewogen.

2012

  • Toepassen van een gekunstelde constructie in een kredietovereenkomst

    Uit een door DSI uitgevoerde pre-employment screening in het kader van een wijziging van werkgever is een vermoeden ontstaan dat een beleggingsadviseur mogelijk in strijd met de DSI-gedragscode heeft gehandeld. 

    Uit het onderzoek van DSI kwam onder meer naar voren dat een medewerker van een bank in 2010 op staande is ontslagen wegens een ernstig incident. In het tuchtrechtelijke onderzoek is vastgesteld dat de medewerker een door een cliënt ondertekende pagina van een kredietovereenkomst heeft losgemaakt en heeft gehecht aan een aangepaste en niet ondertekenende kredietovereenkomst. 

    DSI heeft onderzoek verricht naar de feiten en de geregistreerde is om een reactie gevraagd. Geregistreerde heeft erop gewezen te hebben gehandeld onder grote druk waarbij hij geen andere mogelijkheid zag om de problematiek van de cliënt op een andere wijze op te lossen. Geregistreerde heeft aangegeven in te zien dat hij in de onderhavige kwestie onjuist heeft gehandeld. 

    De handelwijze van de beleggingsadviseur is, naar het oordeel van DSI, in strijd met de artikelen 7.1.1, 7.1.2, 7.1.4 en 7.1.5 van het Algemeen Reglement (de DSI-gedragscode). Op basis van bovengenoemde feiten heeft DSI in juli 2012 als maatregel aan de geregistreerde een transactie van € 750,- aangeboden, welke door de geregistreerde is aanvaard. Bij de overwegingen om de zaak door middel van een transactie af te doen heeft DSI de verregaande arbeidsrechtelijke consequenties die het incident voor de beleggingsadviseur heeft gehad meegewogen.

  • Structurele gebreken in vastleggen orders

    DSI ontving een melding van een mogelijke schending van de DSI-gedragscode. Vervolgens heeft DSI onderzoek gedaan.

    Uit het onderzoek van DSI is gebleken dat een beleggingsadviseur meerdere malen opdrachten van adviescliënten om orders uit te voeren niet heeft vastgelegd. Naar het oordeel van DSI heeft de geregistreerde hiermee in strijd gehandeld met de artikelen 7.1.1, 7.1.3 en 7.1.4 van het Algemeen Reglement van DSI. 

    Naast het opleggen van boetes kan DSI door middel van een transactie (schikking) ook andersoortige maatregelen opleggen aan geregistreerde beleggingsspecialisten indien er sprake is van een schending van de Gedragscode. Naar aanleiding van geconstateerde structurele gebreken in de vastlegging van orders heeft DSI aan een geregistreerde beleggingsspecialist de verplichting opgelegd om een aanvullend examen af te leggen. Tevens heeft DSI met de geregistreerde afspraken gemaakt omtrent het periodiek monitoren van de vereiste deskundigheid bij de nieuwe werkgever.

  • Verstrekken van onjuiste informatie bij een registratieaanvraag

     

    Op 3 april jl. heeft DSI aan een kandidaat geregistreerde een boete opgelegd van € 500,- wegens het verstrekken van onjuiste informatie over de voor een DSI-registratie vereiste werkervaring. Door het verstrekken van deze onjuiste informatie in het kader van zijn registratieaanvraag heeft de kandidaat geregistreerde naar het oordeel van DSI de Gedragscode geschonden. 

    Om te kunnen beoordelen of een kandidaat geregistreerde in aanmerking komt voor een registratie bij DSI wordt de kandidaat bij de aanvraag verzocht informatie te verschaffen over zijn werkervaring. Bij de ondertekening van het aanvraagformulier wordt een kandidaat geregistreerde er uitdrukkelijk op gewezen dat opgave van onjuiste of onvolledige informatie een zwaarwegende omstandigheid is bij de toetsing van integriteit. 

    Naar aanleiding van bij DSI gerezen twijfels over de juistheid van bepaalde afgelegde verklaringen is DSI een onderzoek gestart naar mogelijke onjuistheden of tegenstrijdigheden in het kader van een registratieverzoek van een Beleggingsadviseur. Uit het onderzoek van DSI is vervolgens gebleken dat de kandidaat geregistreerde ten onrechte heeft aangegeven bij een ex-werkgever vier jaar werkzaam te zijn geweest als Beleggingsadviseur. Naar het oordeel van DSI heeft de geregistreerde hiermee in strijd gehandeld met de artikelen 7.1.2, 7.1.4 en 7.1.5 van het Algemeen Reglement van DSI. 

    DSI heeft in dit specifieke geval gekozen voor het opleggen van een transactieboete. In de overweging om een transactieboete op te leggen heeft meegespeeld dat uit het onderzoek blijkt dat de door de kandidaat geregistreerde opgegeven werkervaring niet overeenkomt met hetgeen uit zijn latere verklaringen naar voren is gekomen. Gezien de ernst van de zaak is DSI van mening dat de zaak door een transactie kan worden afgedaan.

2010

  • Effectentransacties zonder autorisatie van de werkgever

    DSI ontving een melding van een mogelijke schending van de DSI-gedragscode. Vervolgens heeft DSI onderzoek gedaan en daarbij is, kort samengevat, het volgende gebleken.

    Een DSI-geregistreerde beleggingsadviseur heeft twee cliënten van zijn werkgever met een gezamenlijke effectenportefeuille, met wie hij tevens een langdurige privé relatie onderhield, geadviseerd over hun portefeuille. Deze advieswerkzaamheden vonden plaats zonder autorisatie van de werkgever. Tevens heeft de geregistreerde met gebruikmaking van de pas met bijbehorende pincode van één van de klanten, via internetbankieren, voor deze cliënten zelfstandig transacties verricht.

    DSI heeft onderzoek verricht naar de feiten en de geregistreerde is om een reactie gevraagd. Geregistreerde heeft aangegeven in te zien dat hij in de onderhavige kwestie onjuist heeft gehandeld en heeft spijt betuigd.

    DSI acht de handelwijze van de geregistreerde in strijd met de DSI-gedragscode. Op basis van bovengenoemde feiten heeft DSI als maatregel aan de geregistreerde een transactie van € 250,- aangeboden, welke door de geregistreerde is aanvaard. Bij haar overwegingen heeft DSI laten meespelen dat geen sprake was van schending van regels voor direct eigen gewin. Tevens heeft DSI de verstrekkende arbeidsrechtelijke gevolgen die deze kwestie voor geregistreerde heeft gehad meegewogen.

2009

  • Schending interne voorschriften effectentransacties

    Bij een DSI-geregistreerde vermogensbeheerder is door de werkgever geconstateerd dat voor cliënten transacties zijn verricht waarvoor geen schriftelijke of telefonische orderbevestiging is aangetroffen. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat de dienstverlening van de geregistreerde aan deze cliënten feitelijk neerkwam op vermogensbeheer en niet was gedekt door de met deze cliënten gesloten dienstverleningsovereenkomsten.

    DSI heeft onderzoek verricht naar de feiten en de geregistreerde is om een reactie gevraagd. Geregistreerde heeft verklaard dat hij met bovengenoemde cliënten vaker contact had over beleggingsbeslissingen dan uit de interne onderzoeksrapportage van de werkgever blijkt. Tevens stelt de geregistreerde dat met deze cliënten overeenstemming bestond over de fondsen waarin belegd werd en alleen de timing aan de geregistreerde werd overgelaten.

    DSI acht de handelwijze van de geregistreerde in strijd met de DSI-gedragscode. Op basis van bovengenoemde feiten heeft DSI als maatregel aan de geregistreerde een transactie van € 500,- aangeboden, welke door de geregistreerde is aanvaard. Bij haar overwegingen heeft DSI laten meespelen dat geen sprake was van schending van regels voor direct eigen gewin.

2008

  • Betrokkenheid fiscaal onoorbare handelingen

    DSI ontving een melding van mogelijke schending van de DSI-gedragscode. DSI heeft onderzoek gedaan en daarbij is, kort samengevat, het volgende gebleken.

    Bij een financiële onderneming werd op verzoek van DNB een onderzoek gestart naar het mogelijk door haar faciliteren van fiscaal onoorbare handelingen. Uit dit onderzoek kwam onder meer naar voren dat een DSI-geregistreerde beleggingsadviseur bij een overboeking gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakt document waarbij de administratie is aangepast en een brief is geantedateerd. Desgevraagd gaf de geregistreerde aan te zijn geconfronteerd met een verzoek van een cliënt tot het ongedaan maken van een overboeking van zakelijk rekening naar privé. Deze gaf voorts aan het verzoek in eerste instantie te hebben afgewezen maar later, na ruggespraak, alsnog te hebben gehonoreerd.

    Deze handelwijze is, naar het oordeel van DSI, in strijd met de artikelen 7.1.1, 7.1.2, 7.1.4 en 7.1.5 van het Algemeen Reglement (de DSI-gedragscode). Op basis van bovengenoemde feiten heeft DSI als maatregel aan de geregistreerde een transactie van € 2.000,- aangeboden, welke door de geregistreerde is aanvaard. Bij haar overwegingen heeft DSI laten meespelen dat het om een eenmalige schending van de regels ging waarbij geen direct eigen gewin heeft meegespeeld. Voorts zijn in dit kader meegewogen de arbeidsrechtelijke sancties die door de werkgever zijn opgelegd.

  • Schending van de locatieplicht

    Uit onderzoek van de compliance afdeling van een (ex-)werkgever is naar voren gekomen dat door twee DSI geregistreerde beleggingsadviseurs gedurende hun dienstverband (interne) regels en gedragscodes zijn overtreden. De beleggingsadviseurs hebben in strijd gehandeld met de locatieplicht bij de (ex-)werkgever, door privé te beleggen via een andere bank.

    DSI is een onderzoek gestart naar de feiten en heeft de geregistreerden gehoord. De geregistreerden hebben toegegeven via een andere bank in turbo’s te hebben gehandeld. De geregistreerden waren zich ervan bewust dat zij hiermee in strijd handelden met onder meer de regels voor privé-beleggingstransacties voor insiders.

    Naar de mening van DSI hebben de geregistreerden met hun handelen de DSI-gedragscode op ernstige wijze geschonden, met name artikel 7.1.4 van het Algemeen Reglement (de DSI-gedragscode). De geregistreerden is een transactie aangeboden van respectievelijk EUR 750,- en EUR 1.000,-, welke door de geregistreerden zijn aanvaard. Het onderscheid in hoogte van de boete is gelegen in het verschil in herhaling van de gewraakte handeling.

  • Ontoereikende supervisie en onzorgvuldige informatiebehandeling

    Bij een onderzoek van de AFM naar twee DSI-geregistreerde beleggingsadviseurs in de functie van bestuurder van een financiële onderneming, is als conclusie naar voren gekomen dat deze niet over de vereiste deskundigheid beschikten om als bestuurder te kunnen functioneren. De AFM heeft aangegeven dat het gebrek aan deskundigheid ziet op de praktische bestuurlijke vaardigheden om op juiste wijze als bestuurder leiding te geven aan een financiële instelling, door in staat te zijn om de interne processen op een juiste wijze aan te sturen. In de periode dat de beleggingsadviseurs bestuurder waren zijn er (mede) vanwege het gebrek aan supervisie een groot aantal ernstige tekortkomingen en omissies geconstateerd. 

    DSI heeft onderzoek verricht naar deze feiten en de geregistreerden om een reactie gevraagd. De geregistreerden bestrijden de conclusies van het rapport grotendeels en zijn van mening dat het besluit van de AFM geen gevolgen dient te hebben voor de DSI-registratie.

    Bovenbedoelde constateringen zijn, naar het oordeel van DSI, in strijd met datgene wat van een DSI geregistreerde in het algemeen, en van een DSI geregistreerde bestuurder in het bijzonder, mag worden verwacht. Met name voor laatstgenoemde categorie van geregistreerden geldt dat zij zich optimaal zullen inzetten om ervoor te zorgen dat niet alleen zijzelf “in compliance” met belangrijke wettelijke bepalingen zijn, maar in het bijzonder dat zij ervoor zorg dragen dat diegenen die onder hun leiding werkzaam zijn zulks ook doen in een omgeving waarin toepasselijke voorschriften zijn verankerd en kunnen worden gecontroleerd. Het in bovengenoemde zin verwaarlozen van dit belangrijke uitgangspunt acht DSI in strijd met artikel 7.1 van het Algemeen Reglement (de Gedragscode), met name de artikelen 7.1.3 en 7.1.4.

    Op basis van bovengenoemde feiten heeft DSI als maatregel aan de geregistreerden een transactie van respectievelijk € 1.500,- en € 2.500,- aangeboden, welke door de geregistreerden zijn aanvaard. Het onderscheid in hoogte van de boete is gelegen in het verschil in specifieke omstandigheden van het geval.

2007

  • Ongeoorloofde effectenhandel


    In 2006 is door de afdeling Risk Management van de toenmalige werkgever van geregistreerde vastgesteld dat er op door medewerkers gebruikte rekeningen handel op naam van de werkgever plaatsvond waar geen directe aanleiding voor leek te bestaan. Tot de werkzaamheden van geregistreerde behoorde het uitvoeren van orders van institutionele beleggers alsmede het handelen voor eigen boek van de werkgever. Er is vervolgens een steekproef uitgevoerd naar de activiteiten van geregistreerde waarbij driehonderd door hem behandelde orders zijn onderzocht. Terzake van enkele transacties werden onregelmatigheden geconstateerd.

    Uit het onderzoek bleek dat geregistreerde zich bij deze transacties op naam van werkgever mogelijkerwijs liet leiden door orders welke rondom die periode in opdracht van cliënten werden doorgegeven. Hiermee werd volgens de werkgever ten minste de schijn van frontrunning gewekt. Deze transacties hebben een voordeel van € 11.000 opgeleverd op de rekening van de werkgever. De werkgever heeft, nadat zij deze ongeoorloofde transacties heeft geconstateerd, dit bedrag vervolgens gestort op de rekening van een goed doel. 

    DSI heeft onderzoek verricht naar deze feiten en de geregistreerde om een reactie gevraagd. Geregistreerde erkent dat er in een aantal gevallen sprake is geweest van samenloop tussen orders voor het eigen boek en een order van de klant. Hij is zich ervan bewust dat door dergelijk handelen de schijn van frontrunning kan zijn gewekt en heeft daarvan spijt. De cultuur in het bedrijf en omgang met andere werknemers heeft volgens geregistreerde een klimaat doen ontstaan waarin hij heeft gehandeld zoals hem wordt verweten. Geregistreerde wijst er voorts op dat de scheiding van activiteiten binnen zijn huidige werkgever veel strakker en professioneler is geregeld dan bij zijn vorige werkgever. 

    DSI is van oordeel dat geregistreerde in zijn functie als effectenhandelaar te allen tijde de schijn van belangenverstrengeling had dienen te vermijden. Hoewel DSI niet heeft kunnen vaststellen dat er daadwerkelijk sprake is geweest van frontrunning, heeft geregistreerde de schijn van belangenverstrengeling en ongeoorloofde effectenhandel niet weg kunnen nemen. DSI is van mening dat geregistreerde hiermee de Gedragscode heeft geschonden en heeft naar aanleiding van de bovengenoemde feiten een boete van € 1.250.- aan geregistreerde opgelegd.

2006

  • Greep in de kas, fraude

    De ex-werkgever maakt een voorbehoud ten aanzien van de integriteit van geregistreerde op grond van het navolgende.

    Geregistreerde heeft zich volgens opgave van de werkgever schuldig gemaakt aan frauduleuze handelingen. De frauduleuze handelingen hebben plaatsgevonden vanaf mei 2004 tot de zomer van 2005. In acht tot tien gevallen heeft geregistreerde handtekeningen vervalst. Bij twee à drie gevallen is geen sprake van een valse handtekening, maar heeft geregistreerde zonder gebruikmaking van een valse handtekening gelden opgenomen van rekeningen van cliënten van de bank. Het totaalbedrag dat geregistreerde op deze wijze heeft ontvreemd, bedraagt circa € 55.000,-. In september 2005 heeft geregistreerde in totaal € 55.000,- aan de ex-werkgever terugbetaald.

    Op grond van het onderzoek dat DSI heeft verricht naar aanleiding van het ontbreken van de positieve referentie van de ex-werkgever, heeft DSI geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat te veronderstellen dat de ex-werkgever ten onrechte een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van de integriteit en deskundigheid van geregistreerde. Derhalve heeft DSI besloten de registratie met onmiddellijke ingang te beëindigen wegens ernstige overtreding van de DSI-Gedragscode.

  • Het in ontvangst nemen van contante betalingen


    De ex-werkgever maakt een ernstig voorbehoud ten aanzien van de integriteit van geregistreerde op grond van het navolgende.

    Geregistreerde is negen jaar in dienst geweest bij de ex-werkgever op de afdeling beleggingsadvies. Geregistreerde heeft provisie (van circa 0,5 %) in verband met obligatietransacties contant afgerekend met cliënten en privé in ontvangst genomen. Het in ontvangst nemen van contante betalingen heeft 20 à 25 keer plaatsgevonden in een periode van ruim anderhalf jaar. Geregistreerde heeft het contante geld op verschillende plekken bewaard, maar niet op het bankkantoor. Het betreft een totaalbedrag van circa € 100.000,- waarvan geen administratie is bijgehouden. Het geld was afkomstig van vier grotere cliënten van de ex-werkgever. 
    De werkgever heeft geregistreerde op grond van bovengenoemde omstandigheden op staande voet ontslagen. Het voorgaande is voor de werkgever bovendien aanleiding geweest om bij de politie aangifte te doen van diefstal en/of bedrog en/of verduistering. 

    Op grond van het onderzoek dat DSI heeft verricht naar aanleiding van het ontbreken van de positieve referentie, heeft DSI geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat te veronderstellen dat de ex-werkgever ten onrechte een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van de integriteit en deskundigheid. DSI heeft derhalve besloten om de registratie met onmiddellijke ingang te beëindigen wegens ernstige overtreding van de DSI-Gedragscode.

2005

  • Mededelen van voorwetenschap

    In 1999 werd door de toenmalige werkgever van geregistreerde gewerkt aan een omvangrijke deal: het opkopen en vervolgens liquideren van houdstermaatschappijen met een gezamenlijke waarde van circa 13 miljard euro. Daartoe was de medewerking van de fiscus nodig. Het ging hierbij om slapende, zogenaamde “houdstermaatschappijen” die slechts belegden in één aandeel, zoals Koninklijke Olie of Unilever. Deze houdstermaatschappijen, sommige opgericht in de 19e eeuw, met namen als Dordtsche Petroleum, Mura Enim, Maxwell en Calvé Delft, hadden een uitzonderlijke belastingstatus. 

    De fondsen vertegenwoordigden een aanzienlijke waarde en de werkgever zag interessante commerciële mogelijkheden, maar er moest dan wel zekerheid zijn dat er - bij overname van de fondsen - geen naheffing van de Belastingdienst zou plaatsvinden. Een overeenkomst met de fiscus werd daartoe nagestreefd. Diverse leden van de werkgever hebben daartoe in de loop van 1999 intensief een veelvuldig overleg gevoerd met het Ministerie van Financiën en begin december van dat jaar kwam een overeenkomst tot stand met het Ministerie, waarna de werkgever de overname van de houdstermaatschappijen deed effectueren. 

    Het Openbaar Ministerie achtte voldoende aannemelijk dat geregistreerde gedurende de besprekingen met Financiën informatie heeft doorgespeeld aan zijn vader, die op zijn beurt heeft gehandeld in aandelen van de betrokken houdstermaatschappijen. Deze transacties hebben geleid tot onderzoek door het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie heeft geregistreerde vervolgens als verdachte aangemerkt wegens “het mededelen van voorwetenschap”. Geregistreerde heeft een door het Openbaar Ministerie opgelegde boete betaald bij wijze van transactie.

    DSI heeft op grond van bovengenoemde feiten, waaronder de tot stand gekomen transactie, een boete van € 1.500,-- aan geregistreerde opgelegd, wegens het wekken van de schijn van het doorgeven van vertrouwelijke informatie die niet publiek was.

  • Handelen buiten het beleggingsprofiel van de cliënt

    De ex-werkgever maakt een voorbehoud ten aanzien van de deskundigheid en integriteit van geregistreerde, aangezien geregistreerde door de ex-werkgever op staande voet is ontslagen omdat hij herhaaldelijk buiten het beleggingsprofiel van cliënten heeft gehandeld.

    Bij brieven van 8 juli 2005 en 21 september 2005 heeft DSI geregistreerde uitgenodigd om op de klachten van de ex-werkgever te reageren. Ondanks diverse pogingen van DSI., is geregistreerde weigerachtig gebleven enige informatie aan DSI te verstrekken, hetgeen strijdig is met de bepalingen van het Algemeen Reglement van DSI.

    Op grond van het onderzoek dat DSI heeft verricht naar aanleiding van het ontbreken van de positieve referentie van de ex-werkgever, heeft DSI geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat te veronderstellen dat de ex-werkgever ten onrechte een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van de integriteit en deskundigheid.

    DSI heeft naar aanleiding van het voorbehoud en de weigerachtige houding vastgesteld dat geregistreerde niet langer voldoet aan de registratie-eisen en heeft de registratie beëindigd.

  • Betrokkenheid bij ongeoorloofde transacties en/of koersmanipulatie

    De ex-werkgever heeft geregistreerde op 1 augustus 2005 op non-actief gesteld in verband met beweerdelijke betrokkenheid bij ongeoorloofde transacties die tevens deel uitmaken van een onderzoek door de AFM. Geregistreerde heeft in 2002 éénmaal een telefoongesprek gevoerd met een bestuurder van een beursgenoteerd fonds, waaruit zou moeten blijken dat geregistreerde zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan het medewerking verlenen of medeplichtigheid aan (vermeende) ongeoorloofde transacties, koersmanipulatie en/of handel met voorkennis door deze bestuurder. De schorsing is mede een gevolg van het niet noemen van deze gebeurtenis uit 2002 tijdens een intern onderzoek door de Interne Accountantsdienst (IAD) in 2004.

    Naar de opvatting van DSI is voorshands niet, althans onvoldoende komen vast te staan dat geregistreerde zich schuldig heeft gemaakt aan het medewerking verlenen of medeplichtigheid aan (vermeende) ongeoorloofde transacties, koersmanipulatie en/of handel met voorkennis door de bestuurder van het beursgenoteerde fonds. DSI beschikt over onvoldoende concrete aanknopingspunten dienaangaande. De inhoud van het telefoongesprek uit 2002 en het niet noemen van dat gesprek tijdens een onderzoek twee jaar later is onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat in strijd met DSI-Gedragscode is gehandeld. De arbeidsovereenkomst met de ex-werkgever is bovendien met wederzijds goedvinden ontbonden.

  • De klacht is in de kern een civielrechtelijk geschil

    Een belegger heeft een civiele procedure aanhangig gemaakt tegen een aan DSI deelnemende instelling. Daarnaast heeft de belegger DSI verzocht om een tuchtprocedure aanhangig te maken tegen een bij deze deelnemer werkzame, DSI-geregistreerde senior vermogensbeheerder. 

    Geregistreerde zou geen zorgvuldig onderzoek hebben gedaan naar de financiële situatie van de cliënt alvorens beleggingsadviezen te geven (of: alvorens tot vermogensbeheer over te gaan). Daarnaast zou geregistreerde bij zijn beleggingsadviezen en beslissingen geen rekening hebben gehouden met de beleggingservaring en de beleggingsdoelstellingen van de cliënt. Tenslotte zou geregistreerde zich schuldig hebben gemaakt aan “churning”, aangezien de voor rekening van de cliënt uitgevoerde transacties een zodanige frequentie en omvang hadden dat dit enkel strekte tot bevoordeling van de effecteninstelling.

    Naar de opvatting van DSI betreft de klacht in de kern een verwijt over het tekortschieten in de tegenover de cliënt in acht te nemen zorgplicht ten gevolge waarvan de cliënt schade zou hebben geleden. Bijzondere omstandigheden daargelaten, betreft een dergelijk verwijt in de regel een geschil van overwegend civielrechtelijke aard. 

    In eerste instantie zijn dergelijke klachten voorbehouden aan het oordeel van de Klachtencommissie DSI, respectievelijk de civiele rechter als daarvoor wordt gekozen, en niet de Tuchtcommissie DSI. Deze taakverdeling kent ook een praktische achtergrond: het in onderlinge samenhang beoordeling van genoemde vragen – waaromtrent partijen doorgaans diametraal tegenovergestelde meningen hebben – vereist een specifieke kennis en ervaring die nu juist bij de Klachtencommissie DSI aanwezig is. Wanneer een klacht in de kern een civielrechtelijk geschil omtrent de zorgplicht betreft, brengt de systematiek van DSI en de doelmatigheid mee dat de vereiste beoordelingen in eerste instantie bij de Klachtencommissie DSI (of de civiele rechter) en niet bij de Tuchtcommissie DSI ligt. 

    Er kan aanleiding bestaan een uitzondering te maken op de bovengenoemde hoofdregel, indien bijzondere en voldoende ernstige gedragingen aan de orde zouden zijn die niet zodanig verweven zijn met de civielrechtelijke hoofdvraag dat zij al direct aan de Tuchtcommissie DSI kunnen worden voorgelegd.

    Voorts is mogelijk dat DSI aan het einde van het civielrechtelijk traject - in de vorm van een definitief vonnis van de civiele rechter of in de vorm van een uitspraak van de Klachtencommissie DSI - alsnog aanleiding ziet om een tuchtprocedure te starten tegen de betrokken geregistreerde. In het onderhavige geval is overwegend sprake van een diepgaand civielrechtelijk verschil van inzicht tussen betrokken partijen. Het gevolg is dat de klacht niet voor tuchtrechtelijke beoordeling is doorgeleid naar de Tuchtcommissie DSI.

2004

  • Beheer zonder overeenkomst en zonder cliëntenprofiel

    In 2002 is door de ex-werkgever een onderzoek ingesteld in circa 80 dossiers van cliënten waarover geregistreerde het beheer voerde. Bij dat onderzoek is onder meer het navolgende gebleken:

    1. veel cliëntendossiers waren niet compleet;
    2. in veel dossiers bevond zich geen beheerovereenkomst met volmacht;
    3. in veel dossiers bevond zich geen cliëntenprofiel;
    4. in veel gevallen was de identiteit van de cliënten niet vastgesteld.

    Met name het ontbreken van de cliëntenovereenkomsten en –profielen leidde bij de ex-werkgever tot de conclusie dat geregistreerde op onzorgvuldige wijze beheer heeft gevoerd. Geregistreerde erkent dat de dossiers niet in orde waren. Geregistreerde heeft verder opgemerkt dat de interne organisatie bij de ex-werkgever niet goed was. Het dossier bevond zich - mede op grond van de administratieve handboeken en richtlijnen van de ex-werkgever - bij de back-office en niet bij de betreffende accountmanager. Volgens de administratieve handboeken van de ex-werkgever, was de controle op de dossiers de verantwoordelijkheid van de back-office en niet van de accountmanager. 

    DSI is van oordeel dat geregistreerde zich er in de functie van senior vermogensbeheerder ook zelf van had dienen te vergewissen dat de dossiers in orde waren, met name op het punt van de cliëntenprofielen en de cliëntenovereenkomsten. Geregistreerde kan zich onder de gegeven omstandigheden niet aan zijn eigen verantwoordelijkheid onttrekken met een beroep op een (vermeend) gebrek aan toezicht door de back-office. DSI acht de handelwijze van geregistreerde derhalve in strijd met de Gedragscode. DSI heeft naar aanleiding van de bovengenoemde feiten en omstandigheden een boete ad € 500,-- aan geregistreerde opgelegd, omdat hij ook een eigen verantwoordelijkheid heeft zich te onthouden van beheer indien de noodzakelijke overeenkomsten en profielen ontbreken, zelfs indien de controle daarop binnen de organisatie ontoereikend zou zijn geweest.

  • (Fiscaal) onjuist toedelen van orders

    Geregistreerde heeft in 2000 (al dan niet bewust) medewerking verleend aan het fiscaal onjuist toedelen van orders. Geregistreerde heeft op verzoek van een cliënt grote hoeveelheden aandelen overgeboekt van privé naar een besloten vennootschap, omdat de betreffende orders volgens mededeling van cliënt aan geregistreerde abusievelijk zouden zijn uitgevoerd ten laste van de privé-rekening. Voor deze cliënt was het - zoals later vastgesteld - aantrekkelijk om de aandelen in de besloten vennootschap te houden, aangezien de verliezen in dat geval fiscaal aftrekbaar waren. Geregistreerde heeft tegenover DSI erkend dat hij onjuist, dan wel onzorgvuldig heeft gehandeld en dat het beter was geweest indien hij niet mee had gewerkt aan de overboekingen van privé naar de besloten vennootschap. 

    Geregistreerde heeft ontkend dat hij op de hoogte was van de intentie van de cliënt om de fiscus te misleiden. Toch heeft geregistreerde toegegeven dat hij kritischer had moeten zijn. Geregistreerde heeft simpelweg de opdracht van de klant uitgevoerd, terwijl geregistreerde - achteraf gezien - had moeten controleren of de eerder door de cliënt gegeven opdrachten inderdaad ‘foutief’ waren uitgevoerd, zoals cliënt had gesteld. Achteraf is immers gebleken dat de door de cliënt gegeven opdrachten door de ex-werkgever in eerste instantie volledig en correct zijn uitgevoerd. Naar aanleiding van de bovengenoemde feiten en omstandigheden heeft geregistreerde per 1 maart 2004 ontslag genomen bij de ex-werkgever. Aangezien DSI - gelet op de omstandigheden van het geval - verwijtbare onzorgvuldigheid heeft vastgesteld, maar vooropgezette medewerking door geregistreerde aan de misleidende gedragingen van de cliënt onvoldoende is komen vast te staan, heeft DSI een boete van € 1.500,-- aan geregistreerde opgelegd

  • Onregelmatigheden bij wisseling van werkgever

    Geregistreerde is in 2004 gewisseld van werkgever. Geregistreerde bekleedde bij de ex-werkgever een leidinggevende positie. Geregistreerde zou de ex-werkgever tijdens en na de overgang onrechtmatig concurrentie hebben aangedaan, mede omdat hij leiding zou hebben gegeven aan het vertrek van een groep medewerkers. 

    De voorzieningenrechter te Amsterdam heeft in september 2004 in kort geding uitspraak gedaan over deze vermeende onrechtmatige gedragingen. Uit het vonnis in kort geding blijkt niet - althans onvoldoende - dat is komen vast te staan dat geregistreerde onrechtmatig ten opzichte van de ex-werkgever heeft gehandeld. De voorzieningenrechter heeft voorts vastgesteld dat niet aannemelijk is dat geregistreerde in strijd met de bepalingen van de beëindigingsovereenkomst van 26 februari 2004 heeft gehandeld.

    DSI acht de ernst van de door de ex-werkgever geconstateerde overtredingen niet zodanig dat dit strijd oplevert met de Gedragscode van DSI. DSI is van oordeel dat de ex-werkgever louter op basis van de gestelde onregelmatigheden rond de overgang naar de huidige werkgever van geregistreerde in redelijkheid niet had kunnen beslissen om geen positieve ex-werkgeversverklaring af te geven. Van bijzondere bijkomende omstandigheden rond de wisseling van werkgever is DSI niet gebleken.

  • Uitvoeren van onbevoegd gegeven opdrachten

    Geregistreerden zijn door de werkgever geschorst in verband met beweerdelijk ongeoorloofde transacties. Geregistreerden zouden telefonische opdrachten van een derde hebben aanvaard en uitgevoerd, terwijl deze derde niet bevoegd was om die instructies te geven in de aandelenportefeuille van een besloten vennootschap. Het ging om transacties in een beursgenoteerd fonds. 

    DSI heeft geen actie ondernomen aangezien niet - althans onvoldoende - is komen vast te staan dat voor geregistreerden duidelijk was de derde niet bevoegd was om instructies te geven in de aandelenportefeuille van de besloten vennootschap. Uit een beschikking van de civiele rechter blijkt zelfs dat leidinggevenden bij de werkgever aan geregistreerden desgevraagd hebben laten weten dat zij met de handelingen konden doorgaan.

DSI. Voor een integere en deskundige financiële sector.