Berisping voor beleggingsadviseur wegens overtreding gedragsregels - II

Een beleggingsadviseur kreeg een berisping opgelegd door de Tuchtcommissie van DSI omdat hij gedragsregels schond. De (inmiddels ontslagen) adviseur ondernam op eigen initiatief transacties acties met geld van cliënten.

Uitspraak Tuchtcommissie DSI 2018-02 d.d. 4 januari 2019.

prof. mr. dr. K.W.H. Broekhuizen (voorzitter), drs. S. Klep, drs. A. Laghrich, drs. J.N.M. Pieterse, en mr. R.K. Pijpers (leden van de Commissie), waarbij mr. M.L.M.N. Heltzel als secretaris optrad. Deze uitspraak is tot stand gekomen met inachtneming van de bepalingen van het Reglement Tuchtcommissie.

1. Het verloop van de procedure

De Tuchtcommissie heeft een klachtrapport d.d. 27 februari 2018 van de Algemeen Directeur van de Stichting DSI (“DSI”) ontvangen. Dit rapport betreft gedragingen van Verweerder die naar de mening van DSI in strijd zijn met de artikelen 7.1.1, 7.1.2, 7.1.4, 7.1.5, 7.2.1 en 7.2.3 van het Algemeen Reglement van DSI (“Gedragscode”).

Verweerder is bij brief van 3 mei 2018 uitgenodigd schriftelijk verweer te voeren en Verweerder heeft dit verweer op 19 juni 2018 aan de Tuchtcommissie doen toekomen.

Op 19 oktober 2018 heeft de zitting plaatsgevonden. Verweerder is verschenen en werd bijgestaan door zijn advocaat mw. mr. F.M. Westra. Namens DSI zijn verschenen mr. M.A. van der Lecq en mr. M. Bijleveld.

Ter zitting heeft DSI haar stellingen nader toegelicht aan de hand van een pleitnotitie.
Namens Verweerder heeft mr. Westra het woord gevoerd en het standpunt van Verweerder nader toegelicht, mede aan de hand van een pleitnotitie. Voorts hebben beide partijen vragen van de Tuchtcommissie beantwoord.

De Tuchtcommissie heeft hierna beraadslaagd en de behandeling van de zaak gesloten.

2. Korte samenvatting van de feiten

Verweerder is vanaf 24 januari 2000 geregistreerd als beleggingsadviseur in het register van DSI. Verweerder werkte vanaf 1 mei 2007 als beleggingsadviseur bij Bank X (“de bank”) op het kantoor [plaatsnaam].

Verweerder was beleggingsadviseur voor klanten die belegden binnen de beleggingsconcepten Comfort Beleggen en Actief Beleggen.

Vanaf 2009 adviseerde Verweerder een aantal klanten dat belegde binnen het beleggingsconcept Actief Beleggen te beleggen in AEX-opties.

Vanuit het [plaatsnaam] hoofdkantoor van de bank werden begin 2015 zorgen geuit over de risico’s van AEX-opties van bedoelde klanten.  Binnen het kantoor [plaatsnaam] is vervolgens in maart 2015 een ‘Optiebeleid Private Banking binnen beleggingsadvies’ opgesteld, met daarin kaders met betrekking tot onder meer de typen opties waarin binnen het beleggingsconcept Actief Beleggen kan worden belegd en de respectieve omvang daarvan. Verweerder was betrokken bij het opstellen van dit beleid.

In juni 2015 is onder meer nader besloten dat het aantal AEX-opties van klanten die beleggen binnen het beleggingsconcept Actief Beleggen (verder) afgebouwd diende te worden, dat in het kader van dat beleggingsconcept geen weekopties op de AEX meer zouden worden gedaan en dat klanten die in bedoelde weekopties en/of buiten de gestelde omvangkaders in andere opties willen beleggen zouden worden geïntroduceerd bij het beleggingsconcept Trading dat vanuit het [plaatsnaam] hoofdkantoor van de bank wordt aangeboden.

Op 14 december 2015 is in afwijking van eerder ter zake geformuleerde uitgangspunten door het management van het kantoor [plaatsnaam] aangegeven dat optieposities die op 18 december 2015 zouden aflopen kort verlengd mochten worden als dat vanwege de omvang van voorziene verliezen noodzakelijk zou zijn.

Verweerder heeft na 18 december 2015 de optieposities van een aantal beleggers (kort) verlengd.

Op 5 en 13 april 2016 is Verweerder geïnterviewd door medewerkers van de afdeling Security & Intelligence Management (SIM) van de bank.

De bank heeft op 21 juli 2016 de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomst tussen de bank en de Verweerder te beëindigen. De kantonrechter heeft bij uitspraak van 12 oktober 2016 de arbeidsovereenkomst per 1 november 2016 ontbonden.

In hoger beroep heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden op 8 mei 2017 de uitspraak van de kantonrechter vernietigd. Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft vervolgens de arbeidsovereenkomst per 1 december 2016 ontbonden.

Op 27 december 2016 heeft de bank bij DSI een incidentmelding gedaan.

3. De klacht van DSI

De klacht van DSI strekt tot het opleggen van een boete aan Verweerder van €2.000 wegens overtreding van de artikelen 7.1.1, 7.1.2, 7.1.4, 7.1.5, 7.2.1 en 7.2.3 van de Gedragscode.

DSI stelt dat Verweerder op drie verschillende wijzen tekortgeschoten is in de naleving van de Gedragscode:

Verweerder heeft in strijd gehandeld met het beleid van de bank;

Verweerder heeft eigenhandig een transactie uitgevoerd zonder opdracht van de betrokken klant; en

Verweerder heeft onvoldoende aan dossiervorming gedaan: verslagen ontbreken of zijn niet correct.

DSI legt hieraan - kort weergegeven - de volgende handelingen van Verweerder ten grondslag:

Op 24 september 2015 heeft Verweerder een order voor een AEX-weekoptie aanvaard en uitgevoerd zonder hiervoor toestemming te vragen aan zijn leidinggevende en zonder hiervan een verslag op te nemen in het CRM-systeem van de bank (dit betreft een computerprogramma waarin verslagen van relevante gesprekken met klanten worden vastgelegd);

Op 27 november 2015 heeft Verweerder een order voor een AEX-weekoptie aanvaard op zijn mobiele telefoon;

Ondanks dat Verweerder betrokken is geweest bij het opstellen van het afbouwbeleid, heeft Verweerder dit beleid onvoldoende nageleefd. Verweerder heeft zich onvoldoende ingespannen om AEX-optieposities af te bouwen, hetgeen geresulteerd heeft in een ‘minimale afbouw’ per december 2015;

Op 28 augustus 2015 heeft Verweerder zonder opdracht van de klant een bedrag van € 60.000 overgeboekt van een spaarrekening van die klant naar diens beleggingsrekening zodat voldoende dekking werd geboden voor de AEX-optieposities;

Verweerder heeft van verschillende gesprekken die hij met klanten heeft gevoerd over de handel in AEX-opties, geen verslag opgenomen in het CRM-systeem van de bank; en,

Met betrekking tot een op 23 november 2015 met een klant gevoerd gesprek heeft Verweerder een gespreksverslag opgesteld dat op essentiële onderdelen afwijkt van het gevoerde gesprek.

DSI is van mening dat het beleid van de bank ten aanzien van de afbouw van AEX-opties duidelijk was. Desalniettemin heeft Verweerder in bepaalde gevallen in strijd met dat beleid aan zijn klanten voorgesteld om AEX-opties aan te houden, dan wel te verlengen. Verweerder heeft daarbij ‘op eigen houtje gehandeld’ zonder toestemming van het management van de bank en bij een enkele transactie zelfs zonder opdracht of toestemming van de klant.

De bank heeft in 2015 een nieuw beleid ingezet voor de handel in AEX-opties.
Deze beleidswijzing had tot doel om de werkwijze op kantoor [plaatsnaam] in lijn te brengen met het landelijke beleid van de bank. In maart 2015 zijn de eerste afspraken gemaakt om de desbetreffende optieposities te beperken. Dit is ook vastgelegd in een beleidsnotitie. Ook in de daaropvolgende maanden komt de afbouw van de optieposities verschillende malen ter sprake tussen Verweerder en het management van de bank. Desalniettemin waren er negen maanden later – op 18 december 2015 – nog tien beleggingsportefeuilles waarin door Verweerder geadviseerd werd die buiten de kaders van het optiebeleid vielen.

Verder geldt dat Verweerder voortvarender had moeten optreden bij klanten waarvan de optieposities niet bij hun risicoprofiel pasten. Bij een 86-jarige klant van Verweerder bevatte de portefeuille vanaf juni 2015 te veel risico’s vanwege de hoeveelheid opties. Toch wordt op 25 juni 2015 een nieuwe AEX-optiestrategie ingebracht. Verweerder heeft deze klant vervolgens op 23 november 2015 - drie weken voor de expiratiedatum - geadviseerd om de optieposities aan te houden en een stijging van de beurs af te wachten. De vastlegging van dit gesprek is door Verweerder bovendien gemanipuleerd. Uiteindelijk worden voor deze klant in februari 2016 de optieposities gesloten en bedraagt het verlies voor de klant circa € 100.000.

Verweerder was gehouden om het interne beleid van de bank na te leven. Verweerder heeft dit niet gedaan door te veel vrijheid te nemen bij de uitvoering van zijn werkzaamheden. DSI stelt zich op het standpunt dat Verweerder tekort is geschoten als beleggingsadviseur en de Gedragscode bij herhaling heeft geschonden.

4. Het verweer

Verweerder stelt - kort weergegeven - in zijn verweerschrift dat hij zich niet kan vinden in de klacht van DSI. Verweerder heeft vanuit zijn functie als beleggingsadviseur altijd integer gehandeld, zowel richting de bank als richting zijn klanten.

Verweerder stelt dat hij weliswaar na september 2015 orders voor een AEX-weekoptie aanvaard heeft maar dat geen aanleiding bestond om geen uitvoering te geven aan deze orders. Tot 1 maart 2016 konden beleggers die wensten te beleggen in weekopties door kantoor [plaatsnaam]  (Verweerder) bediend worden. Het beleid van de bank bracht niet met zich dat deze orders niet uitgevoerd mochten worden. Het management van kantoor [plaatsnaam] was er ook van op de hoogte dat nog immer belegd werd in weekopties. Deze orders werden bovendien gedaan op initiatief van klanten. Deze klanten waren ook geschikt bevonden voor de dienstverlening op basis van het beleggingsconcept Trading en de ingenomen optieposities zouden ook daarnaartoe overgaan.

Verweerder erkent eenmalig een order te hebben aangenomen middels zijn mobiele telefoon. Deze klant had zijn verzoek voor het innemen van een weekoptie eerst telefonisch doorgegeven middels een vaste lijn aan kantoor [plaatsnaam]. Nu de betrokken medewerker van kantoor [plaatsnaam] niet bekend was met de invoering van AEX-opties heeft de klant Verweerder gebeld. Verweerder heeft vervolgens middels een vaste lijn contact gezocht met een andere collega om de order te laten uitvoeren. De order is ook niet weersproken door de klant.

Aan Verweerder kan volgens hem niet het verwijt gemaakt worden dat per december 2015 slechts een ‘minimale afbouw’ had plaatsgevonden. Door het handelen van Verweerder waren de optieposities in december 2015 teruggebracht van circa 1200 naar circa 750 optieposities.
Er was daardoor volgens Verweerder sprake van een ‘forse afbouw’.

Verweerder heeft het management van de bank doorlopend op de hoogte gehouden van de afbouw van de optieposities. Verweerder verstrekte het management tweewekelijks een Excel-sheet waaruit de afbouw bleek. Verder werd regelmatig overleg gevoerd tussen Verweerder en het management.

Voor verschillende klanten was het volgens Verweerder niet in hun belang om de opties medio december 2015 te laten expireren omdat dan aanzienlijke verliezen zouden worden geleden. Verweerder heeft het management hierover geïnformeerd en in overleg met het management is besloten om een deel van de opties per ultimo 2015 kort te verlengen. Op 31 december 2015 waren er nog vijf klanten die buiten de kaders van het concept optiebeleid vielen.

Verweerder erkent op 28 augustus 2015 zonder expliciete opdracht van de klant een bedrag van € 60.000 overgeboekt te hebben van een spaarrekening (die tot het belegbare vermogen behoorde) naar diens beleggingsrekening zodat voldoende dekking werd geboden voor de AEX- optieposities. Dit was echter conform eerder gegeven instructies van de klant. De klant had Verweerder de instructie gegeven om in het geval dat Verweerder de klant niet kon bereiken ‘te doen wat hij hem zou adviseren om te doen’.

Verweerder is in het verleden door de bank verschillende malen expliciet gecomplimenteerd over zijn dossiervorming. Door de grote hoeveelheid telefoongesprekken die Verweerder dagelijks voerde (circa vijftien telefoongesprekken) kan het gebeurd zijn dat incidenteel een relevant gesprek niet is vastgelegd. In het geval van Verweerder betreft het de vastlegging van twee à drie telefoongesprekken. Ook heeft Verweerder weleens meerdere gesprekken samengevoegd in één verslag waardoor het verslag niet overeenkomt met hetgeen letterlijk in een gesprek gezegd is. Daarbij komt volgens Verweerder dat het CRM-systeem van de bank niet altijd naar behoren werkte waardoor een gespreksverslag dat niet tussentijds is opgeslagen soms ontbreekt.

Door Verweerder is tijdens de zitting benadrukt dat hij altijd goede beoordelingen van de bank ontving. Verweerder heeft altijd het belang van de klant vooropgesteld. Geen enkele klant van Verweerder heeft over hem geklaagd. De verschillende procedures met betrekking tot zijn ontslag bij de bank en de klacht bij DSI hebben een grote impact op het privé- en zakelijke leven van Verweerder.

Verweerder verzoekt de Tuchtcommissie om geen maatregel op te leggen, dan wel subsidiair te volstaan met een berisping. Mocht de Tuchtcommissie wel een boete opleggen, dan verzoekt Verweerder de Tuchtcommissie om de boete te matigen.

5. De beoordeling van de klacht

De Tuchtcommissie legt aan haar beoordeling van de klacht de volgende uitgangspunten ten grondslag:

(i)              Het door de bank in maart 2015 ingezette afbouwbeleid van AEX-optieposities bevatte algemene uitgangspunten, op basis waarvan Verweerder per klant moest bezien in hoeverre en op welke wijze de afbouw van de optieposities in de loop van 2015 gestalte kon worden gegeven, waarbij geldt dat beslissingen ter zake van die afbouw in belangrijke mate afhingen van de klant.

(ii)             Verweerder heeft in de bedoelde periode het management van het kantoor [plaatsnaam] geregeld voorzien van overzichten per klant, zodat de bank steeds in de gelegenheid is geweest het precieze verloop van de ingezette afbouwoperatie te volgen, hetgeen in het kader van een belangrijke wijziging van het beleggingsadviesbeleid als hier aan de orde ook tot de verantwoordelijkheid van de bank behoort.

(iii)            In de afgelopen jaren zijn medewerkers van banken en andere financiële ondernemingen in toenemende mate onderworpen aan stringente regels met betrekking tot zorgvuldige klantbehandeling en daarmee verband houdende procedurele voorschriften ten aanzien van vastlegging en verantwoording. De naleving van deze regels en voorschriften vereist niet alleen een daarop gerichte professionele attitude van de betrokken medewerkers, maar evenzeer de aanwezigheid van een organisatiecultuur waarin de medewerkers geen ruimte krijgen of ervaren om in bijzondere situaties op autonome wijze en naar eigen goeddunken te besluiten de desbetreffende regels en voorschriften niet of niet volledig na te leven, hoe klantgericht hun motieven in dat verband ook mogen zijn.

(iv)            Uit het dossier en het behandelde ter zitting maakt de Tuchtcommissie op dat Verweerder door de bank jarenlang als een succesvolle beleggingsadviseur is aangemerkt, mede gelet op zijn voor zijn klanten en de bank profijtelijke activiteiten op het terrein van optietransacties. Onder meer op basis van hetgeen Verweerder tijdens de zitting heeft verklaard, is de Tuchtcommissie gebleken dat Verweerder in die jaren binnen de bank de ruimte had om zijn werkzaamheden op een relatief zelfstandige wijze en in aanzienlijke mate naar eigen inzicht uit te oefenen, terwijl de bank Verweerder later, toen de bank de optieposities van klanten van Verweerder als een aanzienlijke risicopost opvatte, juist heeft tegengeworpen dat hij vooral op zijn eigen kompas voer. Omdat uit het dossier niet valt af te leiden dat Verweerder op enig moment door de bank te verstaan is gegeven dat hij zijn werkwijze zou moeten aanpassen – zijn personeelsbeoordeling van medio 2015 is ter zake bijvoorbeeld juist lovend – hanteert de Tuchtcommissie in het licht van hetgeen is opgemerkt in § 5.1(iii) als vertrekpunt dat het hem tegengeworpen  autonome optreden Verweerder vanuit tuchtrechtelijk perspectief in niet al sterke mate kan worden aangerekend.

5.2       In de volgende paragrafen wordt de klacht beoordeeld aan de hand van de verwijten zoals verkort weergegeven in § 3.2 en § 3.3.

5.3       Verweerder heeft in strijd gehandeld met het beleid van de bank

5.3.1   DSI verwijt Verweerder dat hij op 24 september 2015 een order voor een AEX-weekoptie heeft aanvaard zonder daarvoor toestemming te vragen aan zijn leidinggevende en zonder hiervan een verslag op te nemen in het CRM-systeem van de bank.

Anders dan DSI klaarblijkelijk meent kan naar het oordeel van de Tuchtcommissie uit het destijds geldende beleid van de bank niet worden afgeleid dat in het geheel geen transacties in AEX-weekopties meer konden worden verricht. In het beleid is verwoord dat klanten die transacties in AEX-weekopties willen verrichten zullen worden geïntroduceerd bij het beleggingsconcept Trading op het hoofdkantoor van de bank te [plaatsnaam]. Er is in het beleid niet bepaald wat met orders in AEX-weekopties dient te gebeuren zolang de bedoelde introductie niet heeft plaatsgevonden of is afgerond. In het beleid is evenmin vermeld dat Verweerder in een dergelijk geval toestemming zou moeten verkrijgen van zijn leidinggevende. Deze lacune in het beleid van de bank kan Verweerder naar het oordeel van de Tuchtcommissie niet worden aangerekend. Dit is niet anders nu Verweerder zelf betrokken was bij het opstellen van het bedoelde beleid. Die betrokkenheid, in combinatie met het niet in detail uitgewerkte beleid, wijst er volgens de Tuchtcommissie veeleer op dat de bank vertrouwen stelde in Verweerder om aan het beleid op een verantwoorde wijze invulling en uitvoering te geven.
Dit neemt niet weg dat Verweerder er naar het oordeel van de Tuchtcommissie verstandig aan had gedaan om in het beleid niet-voorziene situaties intern te bespreken, maar het gaat de Tuchtcommissie te ver om Verweerder in tuchtrechtelijke zin te verwijten dat hij onder de gegeven omstandigheden op een te autonome wijze heeft geopereerd.

Verweerder heeft voorts aangegeven ervan overtuigd te zijn dat hij met betrekking tot de hier besproken order een verslag in het CRM-systeem heeft opgenomen. Naar het oordeel van de Tuchtcommissie kan uit het dossier niet op onbetwistbare wijze worden afgeleid dat Verweerder niet een dergelijk verslag in het CRM-systeem heeft opgenomen. In dit verband kent de Tuchtcommissie betekenis toe aan de – blijkens de informatie in het dossier niet door de bank weerlegde – stelling van Verweerder dat het CRM-systeem geregeld kuren vertoonde, waardoor het volgens Verweerder voorkwam dat eenmaal vastgelegde gespreksverslagen later uit het systeem verdwenen bleken te zijn. Het argument van DSI dat het aan Verweerder was om vanwege deze systeemhaperingen steeds te controleren of de gespreksverslagen (nog) deel uitmaakten van het CRM-systeem onderschrijft de Tuchtcommissie niet. Het was aan de bank om zorg te dragen voor een goedwerkend CRM-systeem, nog daargelaten dat een dergelijke door DSI veronderstelde controletaak gelet op de hoeveelheid klanten van Verweerder naar de indruk van de Tuchtcommissie feitelijk onuitvoerbaar zou zijn geweest.

5.3.2   DSI verwijt Verweerder dat hij op 27 november 2015 een order voor een AEX-weekoptie heeft aanvaard op zijn mobiele telefoon, hetgeen in strijd is met het beleid van de bank.

Waar het gaat om het verwijt dat Verweerder de order via zijn mobiele telefoon heeft aanvaard, overweegt de Tuchtcommissie het volgende. Verweerder heeft uiteengezet dat deze gang van zaken weliswaar feitelijk in strijd is met het beleid van de bank, maar dat de desbetreffende klant door kantoorafwezigheid van Verweerder een collega-medewerker van de bank te spreken had gekregen die onbekend was met AEX-opties en de invoer hiervan, de klant vervolgens Verweerder op zijn mobiele telefoon heeft gebeld en dat Verweerder toen een andere collega-medewerker op de bank heeft verzocht om de desbetreffende order door te voeren. Aan het door de bank gevoerde beleid dat geen orders mogen worden aanvaard via de mobiele telefoon, ligt ten grondslag dat mondeling verstrekte orders voor bewijsdoeleinden steeds op een geluidsdrager moeten worden vastgelegd. De Tuchtcommissie gaat ervan uit dat die vastlegging op zich heeft plaatsgevonden toen de klant de collega van Verweerder had verzocht de order uit te voeren. Dit brengt met zich dat Verweerder in dit geval weliswaar het bedoelde beleid van de bank in formele zin niet heeft nageleefd, maar dat niet kan worden gezegd dat door de handelwijze van Verweerder het doel van het bankbeleid geweld is aangedaan. Op basis van deze omstandigheden vindt de Tuchtcommissie het te ver gaan om Verweerder ter zake een tuchtrechtelijk verwijt te maken, hetgeen onverlet laat dat de Tuchtcommissie groot belang hecht aan de juiste naleving van het bedoelde bankbeleid.

Het betoog van Verweerder dat zijn collega-medewerker die de order heeft ingevoerd tevens de vastlegging in het CRM-systeem had moeten doen, verwerpt de Tuchtcommissie op de grond dat het juist op de weg van Verweerder had gelegen om een dergelijke – via zijn niet-toegestane handelingen tot stand gekomen – order in de systemen van de bank vast te leggen.
De Tuchtcommissie acht de handelingen van Verweerder in zoverre derhalve tuchtrechtelijk verwijtbaar en in strijd met de artikelen 7.1.2, 7.1.4 en 7.1.5 van de Gedragscode.

5.3.3   DSI verwijt Verweerder dat hij het optie-afbouwbeleid in onvoldoende mate heeft nageleefd en zich onvoldoende heeft ingespannen om de optieposities af te bouwen, hetgeen heeft geresulteerd in een ‘minimale afbouw’ per december 2015.

Mede in het licht van de uitgangspunten zoals vermeld in § 5.1(i) en § 5.1(ii) kan de Tuchtcommissie DSI op dit punt niet volgen. Uit het dossier valt naar het oordeel van de Tuchtcommissie niet op te maken dat Verweerder het afbouwbeleid in onvoldoende mate heeft nageleefd of dat hij zich onvoldoende heeft ingespannen om de optieposities af te bouwen.

Het specifieke verwijt dat Verweerder de risico’s in de beleggingsportefeuille van de 86-jarige klant in de periode juli – december 2015 in onvoldoende mate heeft afgebouwd kan vanuit tuchtrechtelijk perspectief evenmin slagen. Op de eerste plaats heeft Verweerder zich op het standpunt gesteld dat de desbetreffende beleggingsportefeuille in de bedoelde periode steeds paste in de door de bank gestelde kaders, welk standpunt niet door DSI is bestreden. Voor zover het verwijt van DSI inhoudt dat Verweerder hoe dan ook – dus los van het antwoord op de vraag of de portefeuille paste binnen de bedoelde kaders – onvoldoende heeft gedaan om de risico’s in de portefeuille te verminderen, overweegt de Tuchtcommissie dat zij op basis van de stellingen van DSI, zonder een precies inzicht in de portefeuille van de klant en zonder gedetailleerde kennis van de afspraken die met de desbetreffende klant over de beleggingsportefeuille zijn gemaakt, dat verwijt niet kan staven, zodat het reeds uit dien hoofde moet worden afgewezen.

5.4       Verweerder heeft eigenhandig een transactie uitgevoerd zonder opdracht van de betrokken klant

DSI verwijt Verweerder dat hij zonder expliciete opdracht van de klant een bedrag van € 60.000 heeft overgeboekt van diens spaarrekening naar diens beleggingsrekening zodat voldoende dekking werd geboden voor de AEX-optieposities.

Verweerder heeft aangegeven zich er terdege van bewust te zijn dat hij nimmer zonder toestemming van de klant geld had mogen overboeken, maar destijds de overboeking heeft uitgevoerd omdat hij wilde voorkomen dat de klant een zogenaamde ‘vijfdagen-brief’ zou ontvangen op basis waarvan de klant een dekkingstekort zou moeten aanzuiveren.
Verweerder wilde verzending van de brief voorkomen omdat het systeem van de bank in zijn ogen ten onrechte uitging van een dekkingstekort en hij verwachtte dat de ontvangst van een dergelijke brief tot irritatie zou leiden bij de klant. Naar het oordeel van de Tuchtcommissie kan in het midden worden gelaten of het systeem van de bank al dan niet ten onrechte uitging van een dekkingstekort, aangezien Verweerder hoe dan ook de bewuste overboeking niet zonder toestemming van de klant had mogen uitvoeren. Daaraan kan niet afdoen de omstandigheid dat de desbetreffende klant achteraf heeft bevestigd de handelwijze van Verweerder te billijken.

De Tuchtcommissie is van oordeel dat Verweerder in dit verband tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en de artikelen 7.1.2, 7.1.4 en 7.1.5 van de Gedragscode heeft overtreden.

In dit verband overweegt de Tuchtcommissie nog dat de afspraak die Verweerder kennelijk met de betrokken klant heeft gemaakt om in het geval dat Verweerder de klant niet kon bereiken ‘te doen wat hij hem zou adviseren om te doen’ een beleggingsadviseur, zoals nu ook is gebleken, in een kwetsbare positie kan brengen. De Tuchtcommissie beschouwt dergelijke goedbedoelde, algemene afspraken in beginsel als ongewenst.

5.5       Verweerder heeft onvoldoende aan dossiervorming gedaan: verslagen ontbreken of zijn niet correct

DSI verwijt Verweerder dat hij van verschillende met klanten gevoerde gesprekken over de handel in AEX-opties geen verslag heeft opgenomen in het CRM-systeem van de bank. Voorts verwijt DSI Verweerder dat hij met betrekking tot een gesprek dat hij heeft gevoerd op 23 november 2015 een gespreksverslag heeft opgesteld dat op essentiële onderdelen afwijkt van het gevoerde gesprek.

 Het eerste hier vermelde verwijt is reeds besproken in § 5.3.1 en § 5.3.2, waarnaar de Tuchtcommissie op deze plaats kortheidshalve verwijst.

Naar aanleiding van het tweede hier vermelde verwijt overweegt de Tuchtcommissie het volgende. Wanneer het gespreksverslag wordt vergeleken met het (op band opgenomen) gesprek, dan kan niet anders worden geconcludeerd dat het gespreksverslag informatie over onder meer risico’s van AEX-opties en het begrip daaromtrent van de desbetreffende klant bevat die in het bedoelde gesprek met de klant niet aan de orde zijn geweest. Verweerder erkent dit maar stelt zich op het standpunt dat het gespreksverslag (daarom) mede het verslag moet vormen van een of meer andere met de klant gevoerde gesprekken, waarin de onderwerpen aangaande de AEX-opties wel aan de orde zijn geweest. DSI acht deze uitleg ongeloofwaardig, onder meer omdat in het gespreksverslag niet wordt vermeld dat het verslag meerdere gesprekken betreft. Nu de Tuchtcommissie uit het dossier niet op onbetwistbare wijze kan afleiden dat het verslag geen betrekking heeft op meerdere gesprekken, kan zij de door DSI ter zake getrokken conclusie niet onderschrijven.

Zij is wel van oordeel dat de door Verweerder gegeven verklaring op zich ook blijk geeft van handelen dat zich niet verhoudt met de handelwijze die ter zake van een professionele beleggingsadviseur mag worden verwacht, maar zal daaraan geen tuchtrechtelijke consequenties verbinden.

6. De beslissing

6.1       De Tuchtcommissie oordeelt dat sprake is van overtreding van de artikelen 7.1.2, 7.1.4 en 7.1.5 van de Gedragscode. Daarmee acht de Tuchtcommissie de klacht van DSI deels gegrond.                     De Tuchtcommissie wijst het overige in het klachtrapport gestelde af.

6.2       De Tuchtcommissie legt aan Verweerder een berisping op. Bij het opleggen van deze maatregel heeft de Tuchtcommissie mede rekening gehouden met de uitgangspunten als neergelegd in § 5.1(iii) en § 5.1(iv) en gewicht toegekend aan het feit dat de procedure bij DSI ruim twee jaar in beslag heeft genomen.

6.3       Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.