Berisping wegens het verstrekken van onjuiste informatie over de voor de registratie vereiste opleiding

Beslissing van de Tuchtcommissie DSI

1. Het verloop van de procedure

1.1 Bij de Tuchtcommissie is via de directie van het Dutch Securities Institute, nader te noemen “DSI”, een klachtrapport binnengekomen, gedateerd 19 mei 2006. Dit rapport betreft gedragingen van Verweerder, die naar de mening van DSI in strijd zijn met de Gedragscode van het DSI, in het bijzonder artikel 7.1.1 en 7.1.2 van het Algemeen Reglement. 

1.2 De Tuchtcommissie heeft de zaak op 23 mei 2006 in behandeling genomen. Verweerder is uitgenodigd schriftelijk verweer te voeren en heeft dit middels brief van 17 juni 2006 gedaan. Verweerder is tevens uitgenodigd voor de zitting van de Tuchtcommissie van 17 oktober 2006 is op deze zitting verschenen. 

1.3 Van de zijde van het DSI was bij de mondelinge behandeling aanwezig de heren mr. M.J. Drijftholt en mr. M.A. van der Lecq. De Commissie bestond uit de heer mr. C.J.B. Ebeling (voorzitter) en de heren M.W. Scholten en mr. P.M. Wortel. De Commissie heeft beraadslaagd, de behandeling van de zaak gesloten en zal thans beslissen.

2. Onderwerp van de klacht

2.1 De klacht is vervat in het klachtenrapport van 19 mei 2006 en bevat de volgende elementen. 

2.2 Op 1 april 2003 is Verweerder bij DSI geregistreerd als Effectenhandelaar in register I-A. Op 26 juli 2005 heeft verweerder een additioneel registratieverzoek gedaan voor opname in register II-A (Beleggingsadviseur). Nadat DSI een inconsistentie ontdekte en met Verweerder contact heeft opgenomen en om toelichting heeft gevraagd, heeft Verweerder samen met zijn leidinggevende op 20 december 2005 een mondelinge toelichting gegeven ten kantore van DSI.

2.3 Uit het onderzoek van DSI is het volgende komen vast te staan: 
Verweerder heeft in Formulier B van het voornoemde registratieverzoek uitdrukkelijk verklaard dat hij de NIBE-SVV opleiding voor het register Vermogensbeheerder heeft afgerond. Nader onderzoek heeft geleerd dat dit niet het geval was. DSI verwijt verweerder derhalve dat hij opzettelijk onjuiste informatie aan het DSI heeft verstrekt met betrekking tot behaalde diploma’s.

2.4 DSI is van mening dat dit niet strookt met een integere handelswijze, zoals neergelegd in de Gedragscode van DSI. DSI is derhalve van oordeel dat de gedragingen van Verweerder beide moeten worden beschouwd als gedragingen in strijd met de Gedragscode van DSI, in het bijzonder de artikelen genoemd onder 1.1. van deze beslissing, en verzoekt de Tuchtcommissie Verweerder de maatregel van een schorsing van zes maanden op te leggen, althans één van de maatregelen als bedoeld in artikel 13.11 van het Algemeen Reglement, zodanig als de Commissie in overeenstemming acht met de ernst van de gedragingen. 

3. Het verweerschrift

3.1 Verweerder heeft op 17 juni 2006 schriftelijk verweer tegen de klacht gevoerd. Zakelijk samengevat stelt Verweerder hierin het volgende: 

Verweerder ontkent dat hij opzettelijk verkeerde informatie aangaande de opleiding heeft verstrekt. Hij verwijst naar een telefonisch onderhoud dat hij met de heer Veendijk gehad zou hebben met betrekking tot het volgen van de opleidingen voor het register Vermogenbeheerder en reeds 75% van de opleiding af had. Verweerder geeft toe dat het verstandig zou zijn geweest een bijlage of aantekening toe te voegen met de vermelding dat de opleiding nog niet geheel voltooid was. 

4. De mondelinge behandeling 

4.1 Ter zitting zijn – zakelijk samengevat – voorts de volgende vragen gesteld en verklaringen afgelegd:

De heer Ebeling:
De vraag die mij het meeste interesseert is: waarom deed u dat? U wist dat u geen diploma had, u wist dat het eerste wat ieder instantie vraagt is, heeft u de papieren, en u had nog slechts enige maanden te gaan voor u het diploma zou behalen.

De heer A. verwijst naar zijn pleitnotie, die hij vervolgens voorleest: 

- De opleiding waar ik destijds mee bezig was, was de opleiding tot register-vermogensbeheerder en mijn aanvraag betrof registratie in register 2-A, beleggingsadviseur.
- September 2004 ben in dienst getreden bij X Bank, eerst via B en later in vaste dienst, als Beleggingsadviseur / Vermogensbeheerder.
- Ik had op dat moment de helft van mijn opleiding tot Vermogensbeheerder (IBO/NIBE) achter de rug. Omdat ik van mening was, dat ik nog onvoldoende kennis had vergaard en nog niet voldeed aan de opleidingseis, heb ik toen afgezien van een registratieverzoek voor register IIa.
Daarbij komt dat er voor mij ook geen een noodzaak aanwezig was om registratie te bewerkstelligen, omdat DSI-registratie voor de functie van Beleggingsadviseur bij X Bank tot op dit moment nog steeds geen vereiste is.
- Op grond van de door mij opgedane werkervaring bij X Bank, op basis van de ruime ervaring als vermogensbeheerder opgedaan bij mijn vorige werkgever, en op grond van het feit dat ik reeds meer dan driekwart van de opleiding tot vermogensbeheerder met succes had voltooid, heb ik op 26 juni 2005 een aanvraag gedaan om als beleggingsadviseur te worden geregistreerd in register IIa.
- Ik werd vervolgens geconfronteerd met een vragenlijst, welke naar mijn mening onvoldoende recht deed aan mijn persoonlijke situatie.
- Naast het feit dat ik de opleiding tot register Vermogensbeheerder bijna had voltooid, was ik inmiddels bij X Bank werkzaam als Beleggingsadviseur en Vermogensbeheerder. X Bank heeft mij aangesteld op basis van gebleken en getoetste deskundigheid (assessment) en integriteit.
- Ik was en ben van mening, dat ik op het moment van de aanvraag voldeed aan alle vereisten op het gebied van kennis en ervaring, om inschrijving in het register IIa te rechtvaardigen. De behaalde deelmodules van de opleiding tot register Vermogensbeheerder waren daarbij voor mij van belang. Dit heb ik ook willen aangeven op het vragenformulier.
- Op 28 juli is mijn aanvraag afgewezen. Als reden werd aangevoerd, dat 
1) mijn vorige werkgever, Y, verklaard heeft dat ik niet als vermogensbeheerder heb gewerkt. Deze verklaring is later onjuist gebleken. 
2) Ik de opleiding tot vermogensbeheerder nog niet had afgerond.
- Om alle verdere discussie omtrent de opleidingseisen verder te vermijden, heb ik direct (september 2005) naar aanleiding van uw schrijven alsnog ook het diploma NIBE Beleggingsadvisering behaald.
- Er bestond voor mij geen enkele reden om zaken anders voor te stellen dan ze op dat moment waren. X Bank was volledig op de hoogte van mijn situatie en het feit dat ik nog bezig was de laatste module van de opleiding tot Vermogensbeheerder te behalen. Ik heb vervolgens mijn opleiding tot vermogensbeheerder met succes afgerond en mijn diploma ontvangen op 12 december 2005
- Ik stel uitdrukkelijk, dat ik het formulier naar eer en geweten zo compleet mogelijk heb ingevuld. Op het vragenformulier heb ik slechts willen aangeven hoe zwaar het belang voor mij weegt van het behalen van de –inhoudelijk zware- deelmodules van de opleiding tot Vermogensbeheerder.
- Wel heb ik de overtuiging, dat ik mijn aanvraag zorgvuldiger had moeten toelichten en had moeten uitleggen waarom ik de keuze heb gemaakt om de vraag omtrent opleiding vermogensbeheer in te vullen op de door mij gekozen wijze.

De heer Ebeling:
Het is niet de registratie-aanvrager die de vereisten vaststelt en daar beslissingen over neemt, dat is het DSI. U vond wel dat u voldeed, maar DSI bepaalt dat en daarom begrijp ik niet dat u invult uw opleiding al afgerond te hebben terwijl dit niet het geval is.

De heer A.:
Ik vond en vind dat ik aan de vereisten van registratie voldoe op basis van opleiding en ervaring ondanks de mening van DSI dat daarvoor een voltooide opleiding voor nodig is. Refererend aan het telefonisch onderhoud dat ik heb gehad met de heer Veendijk: daaruit bleek dat ik met afgeronde CFA levels I, II en III geregistreerd zou kunnen worden in register 3-B en in 4-B maar niet in 2-B, terwijl de opleidingen die ik zojuist noemde, inhoudelijk vele malen zwaarder zijn dan de opleidingsvereisten voor register 2-A of 2-B. Daarop zei Veendijk dat hij mijn stelling begrijpt, dat ik een aanvraag moest indienen die in eerste instantie afgewezen zou worden. Ik zou daartegen dan in beroep kunnen gaan om te kijken of het DSI overtuigd kon worden haar mening ten aanzien van de opleidingseisen bij te stellen. Zo bekeken zit ik nu dus bij de verkeerde Commissie.

De heer Van Luyn:
Maar als u dat certificaat als behaald aankruist, dan weet u dat u mogelijk de indruk wekt, of dat welzeker doet, dat de opleiding af is.

De heer A.:
Inderdaad, dat had ik zeker niet moeten doen. Daarom heb ik ook aangegeven dat het niet zorgvuldig is ingevuld. Maar om te stellen dat er sprake is van fraude…

De heer Wortel:
Ik wil nog graag opgemerkt hebben dat de verklaring ook is ondertekend door de werkgever en dat die dat dus ook klakkeloos overnemen zonder er goed naar te kijken of het wel zo is.

De heer Van Luyn:
Over de procedure bij DSI: als dit vakje aangekruist wordt, vraagt het DSI dan nog om bewijsmateriaal? Vaak wordt dat toch ook meegestuurd door de kandidaat?

De heer Drijftholt:
Er wordt niet standaard naar gekeken. Maar dan nog, onderaan bij de ondertekening staat: “Naar waarheid ingevuld…”.

De heer Van Luyn:
In het kader van voorkoming van misleiding is het wel een idee om standaard de certificaten te laten meesturen.

5. De beoordeling van de klacht 

5.1 Uit de stukken, de afgelegde verklaring voor zover wederzijds erkend althans niet of onvoldoende betwist en het overige ter zitting behandelde, is het volgende komen vast te staan. 

- Verweerder heeft in het kader van een registratieverzoek onjuiste informatie verstrekt met betrekking tot afgeronde opleidingen. 
- Van de zijde van DSI is niet betwist dat tussen Verweerder en DSI een telefoongesprek heeft plaatsgehad, naar aanleiding waarvan Verweerder, al dan niet terecht, de indruk heeft gekregen de aanvraag te kunnen indienen op basis van een nog niet geheel behaalde opleiding. 
- De Verweerder valt aan te rekenen dat hij niet minimaal bij de vermelding Behaalde Opleidingen een korte schriftelijke aantekening heeft geplaatst “voor 75% behaald” of woorden van gelijke strekking heeft gebruikt. Hij had moeten beseffen dat zonder deze aantekening de vermelding geïnterpreteerd zou worden als een compleet afgeronde opleiding. 

5.2 Voor de Tuchtcommissie zijn er derhalve geen gronden om aan te nemen dat de klacht van DSI niet grotendeels gegrond is.

6. De beslissing

6.1 In overweging nemende dat Verweerder niet heeft aangetoond dat er omstandigheden zijn die zijn gedrag rechtvaardigen, noch dat hij inziet dat hem minimaal een zekere mate van onzorgvuldigheid te verwijten valt, legt de Commissie Verweerder de maatregel van een Berisping op.

Deze beslissing is tot stand gekomen met inachtneming van het Tuchtreglement DSI en is gewezen door de heren mr. C.J.B. Ebeling (voorzitter), M.W. Scholten en 
mr. P.M. Wortel (leden van de Commissie), waarbij mr. M. van Luyn als secretaris optrad.