Boete wegens onzorgvuldige omgang met vertrouwelijke informatie - III

De Tuchtcommissie DSI heeft een manager een boete van €1.000 opgelegd wegens een schending van de Gedragscode. De manager heeft volgens de Tuchtcommissie verwijtbaar gehandeld door vertrouwelijke informatie over de invoering van de Ultimate Forward Rate te gebruiken voor transacties in financiële instrumenten. Het argument van de manager dat hij een opdracht van hogerhand uitvoerde, gaat volgens de Tuchtcommissie niet op.     

Uitspraak Tuchtcommissie DSI 2018-05 d.d. 19 juni 2019 in de zaak van [Verweerder] (“Verweerder”).

prof. mr. dr. K.W.H. Broekhuizen (voorzitter), mr. S.A. Boele, mw. drs. S. Klep, mw. dr. D.A.M. Melis, prof. mr. dr. C.E. du Perron (leden van de Commissie), waarbij mw. mr. M.L.M.N. Heltzel als secretaris optrad. Deze uitspraak is tot stand gekomen met inachtneming van de bepalingen van het Reglement Tuchtcommissie.

1. Het verloop van de procedure

1.1      De Tuchtcommissie heeft op 4 mei 2018 een klachtrapport van de Algemeen Directeur van de Stichting DSI (“DSI”) ontvangen. Dit rapport betreft gedragingen van Verweerder die naar de mening van DSI in strijd zijn met de artikelen 7.1.1, 7.1.2, 7.1.4, 7.1.5, 7.3.1 en 7.3.2 van het Algemeen Reglement van DSI van 1 oktober 2009 (“Gedragscode”).

1.2      Verweerder is bij brief van 25 mei 2018 uitgenodigd schriftelijk verweer te voeren en Verweerder heeft dit verweer op 25 juni 2018 aan de Tuchtcommissie doen toekomen.

1.3      Op 6 februari 2019 heeft de zitting van de Tuchtcommissie plaatsgevonden. Verweerder is verschenen en werd bijgestaan door zijn advocaat mr. G.T.J. Hoff. Namens DSI zijn verschenen mr. M.A. van der Lecq en mr. M. Bijleveld.

1.4      Ter zitting heeft DSI haar stellingen nader toegelicht aan de hand van een pleitnotitie. Namens Verweerder heeft mr. Hoff het woord gevoerd aan de hand van een pleitnotitie. Voorts hebben beide partijen vragen van de Tuchtcommissie beantwoord.

1.5      De Tuchtcommissie heeft hierna beraadslaagd en de behandeling van de zaak gesloten.

2. Korte samenvatting van de feiten

2.1      Verweerder was van 25 februari 2003 tot 1 november 2015 geregistreerd als Senior Vermogensbeheerder in het register van DSI. Verweerder werkte in 2012 als Manager Fixed Income Duration van [Onderneming B].

2.2      In de tweede helft van mei 2012 heeft [Onderneming A] - teneinde te voldoen aan wensen van De Nederlandsche Bank N.V. (“DNB”) dienaangaande - diverse maatregelen getroffen om haar financiële risicoprofiel (het renterisico) te verlagen. Deze maatregelen bestonden onder meer uit het aangaan van OTC receiver swaps (hierna: de ‘Receiver Swaps’). Binnen [Onderneming A] bestond grote onvrede over deze interventie van DNB en de op verzoek van DNB doorgevoerde maatregelen ter beperking van het renterisico. [Onderneming A] was van mening dat [Onderneming A] door deze maatregelen ‘overhedged’ was.

2.3      Op 28 juni 2012 om 00:00 uur ontvangt Verweerder een mailbericht van de CEO van [Onderneming B]. De CEO stuurt daarbij aan Verweerder een mailbericht door van 27 juni 2012 om 22:26 uur van de CFO van [Onderneming A]. De CFO, die lid is van de Commissie Financiële en Economische Zaken van het Verbond van Verzekeraars (“CFEZ” respectievelijk “het Verbond”) geeft in dit bericht aan dat hij er door de voorzitter van de CFEZ van op de hoogte is gesteld dat deze laatste gevraagd is zich op vrijdagochtend bij DNB te melden en dat de boodschap van DNB was dat er iets zou veranderen aan de rentetermijnstructuur per 30 juni 2012. De CFO vermeldt dat het vermoeden is dat DNB iets met de Ultimate Forward Rate (“UFR”) zal doen en hij verzoekt de geadresseerden een transactievoorstel uit te werken, ervan uitgaande dat de RTS curve naar boven wordt bijgesteld en dat dit met name een positief effect zal hebben op de ECB AAA/swap rate voor de lange duren. In de onderwerp-regel van het desbetreffende mailbericht is het woord ‘vertrouwelijk’ opgenomen.

2.4      In zijn mailbericht aan Verweerder schrijft de CEO van [Onderneming B]:

“Ik weet niet of het verstandig is om op basis van deze informatie morgen al actie te nemen in de markt. Maar als de RvB hier toch voor kiest, wat is dan op het gebied van het weer openzetten van het renterisico de meest voor de hand liggende actie en hoeveel volume zouden we hier de laatste 2 handelsdagen in kwijt kunnen?”

2.5      Bij mailbericht van 28 juni 2012 om 8:02 uur aan de CEO van [Onderneming B] schrijft Verweerder:

“De swapcurve is al grotendeels genormaliseerd maar kan nog wel verder gaan.

Focus zal zijn om de langste swaps af te bouwen vanwege hoogste liquiditeit. Swaptions en andere instrumenten zou ik niet direct aankomen. Marktliquiditeit is de issue niet, hoe meer we moeten doen, hoe eerder we moeten beginnen. Vraag aan GARM moet zijn: wat is de curveimpact op de verplichtingen en hoeveel renterisicorisico in DV01 moeten we terug. Andere curve is een boekhoudkundige regel, die geen directe impact heeft op assets, alleen op verplichtingen.

Qua instrumentkeuze zijn swaps meest geschikt, waarbij we achteraan beginnen bij de swap met de langste maturity en stoppen als we bij de gewenste omvang zijn.

We kunnen in ieder geval beginnen om de swaps voor Imtech pensioencontract dat vandaag zeer waarschijnlijk getekend wordt niet te hedgen. Dat moeten we vandaag wel weten, we krijgen voor 12:00 bericht van contract doorgaat. Verder zitten we qua vorm van de curve al helemaal op UFR gepositioneerd, omdat bijna alle swaps tussen de 15 en 20 jaar zitten.

We moeten ook nadenken of dit voor of na maandeinde moet plaatsvinden. Stel we bouwen renterisico af en er verandert niets, hoe ziet het er dan uit of de halfjaarsfoto. Indien er overleg nodig of er een omvang bekend is, hoor ik het graag.”

2.6      Op 28 juni 2012 heeft om 8:30 uur telefonisch overleg plaatsgevonden tussen de CEO, de waarnemend voorzitter en de CFO van de Raad van Bestuur van [Onderneming A]. In dat overleg is besloten transacties uit te voeren waardoor de door DNB afgedwongen ‘overhedge’ zou worden teruggedraaid. Bij betrokkenen leefde immers de verwachting dat als gevolg van invoering van de UFR het renterisico en de noodzaak om dit af te dekken zou afnemen.

2.7      In een mailbericht van 28 juni 2012 om 9:39 uur stelt de CEO van [Onderneming B] aan onder meer de CFO van [Onderneming A], met kopie aan Verweerder, voor om het renterisico op het Imtech-pensioencontract, indien dat zou doorgaan, vooralsnog niet te hedgen en om daarnaast voor een bedrag van € 250-500 miljoen aan lange receiver swaps te sluiten. Per mailbericht van 28 juni 2012 om 9:57 uur aan onder meer de CEO van [Onderneming B] en met kopie aan Verweerder geeft de CFO van [Onderneming A] daarop het akkoord, mits de CRO dit advies ondersteunt.

2.8       De CEO van [Onderneming A], die lid was van het bestuur van het Verbond en de CFEZ in zijn portefeuille had, heeft in de ochtend van 28 juni 2012 telefonisch contact opgenomen met de algemeen directeur van het Verbond. Van dit telefoongesprek doet de CEO op 28 juni 2012 om 11:14 uur door middel van een mailbericht verslag aan zeven personen binnen [Onderneming A], waaronder Verweerder. Het onderwerp van dit mailbericht luidt “Vertrouwelijk: RTS / Verbond van Verzekeraars”. In dit mailbericht schrijft de CEO van [Onderneming A] onder meer:

“Volgens [de algemeen directeur, Tuchtcommissie] zal de sector geïnformeerd worden dat de Ultimate Forward Rate naar 4.2-4.3 % wordt verhoogd voor pensioenfondsen en verzekeraars. Dit is strikt vertrouwelijk en mag eigenlijk niet verder worden gedeeld. Heeft [directeur Verbond, Tuchtcommissie] DNB weten te ontfutselen.”

En:

“[De algemeen directeur van het Verbond, Tuchtcommissie] verwacht dat het morgen gewoon een mededeling wordt van DNB. Invoering per 30/6. Bevestigd mi onze vanochtend gemaakte keuzes. [Onderneming B] graag iom CRO/CFO verder actie ondernemen. Stel voor dat wij nog meer proberen te doen langs afgesproken lijnen.”

2.9       Verweerder stuurt het mailbericht van de CEO van [Onderneming A]  van 11:14 uur om 13:29 uur door aan een collega in Londen. Verweerder vermeldt hierbij:

“Hoe is het in Londen? Hier is de curve oorlog uitgebroken”.

2.10      Bij mailbericht van 28 juni 2012 om 15:23 uur schrijft de CRO van [Onderneming A]  aan de CEO van [Onderneming B] (met cc aan Verweerder) dat indien deze positie wordt gesloten, binnen bepaalde limieten zal worden gebleven. De Tuchtcommissie begrijpt dat de CRO hiermee zijn goedkeuring gaf aan de door de CEO van [Onderneming B] voorgestelde transacties (zie hiervoor onder 2.7).

2.11      Op 28 juni 2012 om 16:05 uur bevestigt Verweerder met een e-mail aan onder meer de CEO van [Onderneming B] en de CEO van [Onderneming A] dat twee swaps zijn teruggedraaid. Hij schrijft:

“Met de transacties van vandaag is de actie van vorige maand vrijwel geneutraliseerd qua renterisico voor [Onderneming C].”

Met de “transactie van vorige maand” doelt Verweerder kennelijk op de ‘overhedge’ die [Onderneming A] in mei 2012 op verlangen van DNB tot stand bracht.

2.12     Op 2 juli 2012 wordt door Verweerder nog een achttal swaps teruggedraaid.

2.13     Op 2 juli 2012 publiceert DNB nabeurs een persbericht waarin de invoering van de Ultimate Forward Rate (“UFR”) wordt aangekondigd.

2.14     Op 3 juli 2012 ontvangt DNB een melding van een marktpartij dat [Onderneming A] ‘transacties heeft verricht voorafgaand aan de bekendmaking van de invoering van de UFR’.  

2.15     Op 17 december 2014 heeft DNB [Onderneming A] een boete opgelegd van € 22,8 miljoen wegens overtreding van artikel 3:10 en 3:17 Wft.  

2.16     Op 5 juni 2015 heeft de AFM aan [Onderneming B] een boete opgelegd van € 75.000 wegens overtreding van artikel 4:14 Wft.

2.17        Op 28 december 2015 heeft [Onderneming A] bij DSI een incidentmelding gedaan.

3. De klacht van DSI

3.1      De klacht van DSI strekt tot het opleggen van een boete aan Verweerder van €1.250 wegens overtreding van de artikelen 7.1.1, 7.1.2, 7.1.4, 7.1.5, 7.3.1 en 7.3.2 van de Gedragscode. De kern van de klacht van DSI is dat Verweerder tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld door de wijze waarop hij is omgegaan met de vertrouwelijke informatie over de voornemens van DNB aangaande de rentetermijnstructuur die op 27 en 28 juni 2012 op verschillende momenten en via verschillende kanalen via het Verbond bij Verweerder is terechtgekomen.

3.2      Zowel de mail van de CFO van [Onderneming A] op 27 juni 2012 om 22:26 uur, als de mail van de CEO van [Onderneming A] op 28 juni 2012 om 11:14 uur bevatte in de onderwerpregel het woord ‘vertrouwelijk’. Ook bleek duidelijk uit de mail van de CEO van [Onderneming A] van 11:14 uur dat het vertrouwelijke informatie betrof die rechtstreeks afkomstig was van het Verbond. DSI stelt dat Verweerder – die werkzaam was in een senior functie bij [Onderneming B] – een eigen verantwoordelijkheid had en had moeten signaleren dat sprake was van vertrouwelijke informatie waarbij een afgewogen beoordeling had moeten worden gemaakt of deze informatie gebruikt kon worden. Het had voor Verweerder duidelijk moeten zijn dat het hier om een kwestie ging die de betrouwbare en integere reputatie van zowel [Onderneming A] als [Onderneming B] raakte. Verweerder had hieruit moeten concluderen dat het een kwestie betrof die aan compliance voorgelegd moest worden. Verweerder mocht niet afgaan op instructies van de Raad van Bestuur van [Onderneming A] of de CEO van [Onderneming B] maar had, indien een gesprek met zijn leidinggevende niets zou hebben opgeleverd, zo nodig zelf compliance moeten inschakelen. Verweerder heeft dit ten onrechte nagelaten en heeft zonder meer tien OTC-transacties uitgevoerd, aldus DSI.

3.3       Verweerder heeft zich tevens schuldig gemaakt aan oneerlijk marktgedrag, omdat hij heeft gehandeld op basis van informatie over de aanpassing van de rentestructuur op een moment dat de markt niet over dezelfde informatie beschikte. Deze informatievoorsprong is door [Onderneming B] misbruikt door tussen 28 juni 2012 en 2 juli 2012 tien OTC transacties te verrichten met partijen die niet over dezelfde informatie beschikten.

4. Het verweer

4.1       Verweerder betwist dat zijn gedragingen een schending van de Gedragscode opleveren.

4.2       Verweerder meent in de eerste plaats dat DSI niet-ontvankelijk is in haar klacht. DSI is volgens Verweerder niet-ontvankelijk nu de gebeurtenissen waarop de klacht van DSI betrekking heeft hebben plaatsgevonden in juni 2012 (op het moment van de klacht bijna 6 jaar geleden). Verweerder wijst in dit verband op art. 5:45 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin een vervaltermijn is opgenomen van vijf jaar, en op de vervaltermijnen in art. 70 lid 1 Wetboek van Strafrecht (Sr). Verweerder heeft zich bij privaatrechtelijke overeenkomst aan de reglementen van DSI onderworpen dus het gaat hier om contractenrecht. Volgens art. 3:14 BW mag een bevoegdheid die iemand krachtens het burgerlijk recht toekomt niet worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht, zoals de genoemde bepalingen van de Awb en Sr, daaronder begrepen de algemene rechtsbeginselen. Verweerder wijst in dit verband ook op de klachtplicht van art. 6:89 BW. DSI had binnen bekwame tijd moeten klagen en nu zij dat niet heeft gedaan is het klachtrecht vervallen, aldus Verweerder.

4.3       Verweerder voert vervolgens aan dat hij de brief van 21 juli 2017 van DSI, waarin hij in de gelegenheid wordt gesteld te reageren op het boetevoornemen van 10 januari 2015 en het boetebesluit van 5 juni 2015 van AFM, de zienswijze van [Onderneming A] van 7 oktober 2014 en kopieën van emailberichten uit de periode tussen 27 juni en 2 juli 2012, nooit heeft ontvangen. Ook geeft DSI in deze brief niet aan in welk opzicht deze documenten een reactie van Verweerder zouden behoeven. Deze bijlagen horen niet thuis in het dossier van Verweerder en moeten buiten beschouwing worden gelaten, aldus Verweerder.

4.4       Verweerder meent dat DSI een verkeerd begrip heeft van de rol die Verweerder binnen [Onderneming B] (en [Onderneming A]) vervulde. Verweerder had slechts een uitvoerende rol in een zeer grote verzekeringsorganisatie en hij heeft niet meer gedaan dan de opdracht van de top van [Onderneming A] en [Onderneming B] te goeder trouw uitvoeren. Verweerder mocht ervan uitgaan dat de vraag of op basis van de bewuste informatie gehandeld mocht worden op het niveau van de Raad van Bestuur van [Onderneming A] onder ogen was gezien en dat daarover binnen dat gremium een bevestigend besluit was genomen. Verweerder was bij die besluitvorming niet betrokken. Dat de zaak op het bord lag van de Raad van Bestuur van [Onderneming A] mocht Verweerder ook afleiden uit het mailbericht van de CEO van [Onderneming B] van 28 juni 2012 om 00:00 uur. Verweerder was bovendien niet (nauw) bij (de bron van) de informatie betrokken en was daardoor ook niet in staat om de ontvangen informatie te beoordelen. Overigens werd in de bewuste periode in het openbaar gespeculeerd over de invoering van de UFR.

4.5       Verweerder heeft tussen 9:39 en 9:57 uur van de Raad van Bestuur van [Onderneming A] en de CEO van [Onderneming B] de opdracht c.q. het mandaat gekregen om voor een bedrag van tussen de € 250 tot  € 500 miljoen van de lange receiver swaps te sluiten. Het betrof geen verzoek om transacties uit te voeren, maar een opdracht.

4.6       Verweerder heeft geen bijzondere herinnering aan de email van de CEO van [Onderneming A]  van 28 juni 2012 om 11:14 uur. Hij heeft de inhoud daarvan toen alleen maar ‘gescand’. Voor Verweerder was aan dit bericht slechts interessant dat daarin de aan hem gegeven opdracht niet werd ingetrokken.

4.7       Verweerder heeft in de ochtend van 28 juni 2012 ook met de CEO van [Onderneming B] gesproken. Aan Verweerder werd verteld dat de besluitvorming niet bij hem lag. Het lag daarom ook niet op de weg van Verweerder om compliance te benaderen. 

4.8      Verweerder wijst erop dat hij een vlekkeloze staat van dienst heeft. Verweerder kan het oordeel van DSI over de andere functionarissen van [Onderneming A] en [Onderneming B] niet betrekken in zijn verdediging, hoewel dit wel uiterst relevante informatie is.

5.  De ontvankelijkheid van de klacht

5.1      Naar aanleiding van het betoog van Verweerder dat DSI in haar klacht niet-ontvankelijk moet worden verklaard wordt het volgende overwogen.

5.2      De Tuchtcommissie is met Verweerder van oordeel dat te veel tijd is verstreken tussen de gebeurtenissen waarop de klacht betrekking heeft en het moment waarop de Tuchtcommissie over de klacht oordeelt. De Tuchtcommissie is echter van oordeel dat dit niet betekent dat DSI in haar klacht niet kan worden ontvangen. Daarbij neemt de Tuchtcommissie in aanmerking dat [Onderneming A] eerst op 28 december 2015 een incident heeft gemeld bij DSI, dat DSI reeds bij brief van 13 januari 2016 aan Verweerder om een schriftelijke reactie op deze melding heeft verzocht en dat DSI en Verweerder gedurende 2016 met elkaar over deze kwestie in gesprek zijn gebleven, dat [Onderneming A] eerst in de loop van 2017 volledige openheid van zaken heeft gegeven, en voorts dat het een omvangrijk en gecompliceerd dossier betreft waarin twee toezichthouders reeds hun oordeel hebben gegeven en ook de rechter uitspraak heeft gedaan. Dit neemt niet weg dat de Tuchtcommissie rekening zal houden met het tijdsverloop bij het bepalen van de aan Verweerder op te leggen maatregel.

5.3      De conclusie is dat DSI ontvankelijk is in haar klacht.

5.4      Verweerder heeft nog aangevoerd dat hij de brief van DSI van 21 juli 2017 niet heeft ontvangen en dat de bijlagen bij die brief niet in zijn dossier thuishoren. De Tuchtcommissie constateert evenwel dat, wat er ook zij van die brief en de bijlagen daarbij, niet blijkt dat Verweerder zich niet naar behoren tegen de klacht heeft kunnen verweren. Dat voert Verweerder ook niet aan. De Tuchtcommissie baseert haar oordeel voorts op de feiten die hierboven onder 2.1 tot en met 2.17 zijn vermeld. Deze feiten zijn niet in geschil. Bij de vraag of de bijlagen bij de brief van DSI van 21 juli 2017 wel of niet in het dossier thuishoren heeft Verweerder dus geen belang.

6. De beoordeling van de klacht

6.1      De kern van de klacht is dat Verweerder niet zorgvuldig is omgegaan met de vertrouwelijke informatie over de invoering van de UFR die via het Verbond bij [Onderneming A] bekend was geworden. Voor zover Verweerder wil betwisten dat sprake was van vertrouwelijke informatie, omdat de markt al verwachtte dat de UFR zou worden ingevoerd, gaat dit verweer niet op. Uit de informatie die via het Verbond bij [Onderneming A] binnenkwam kon immers worden afgeleid, en werd door [Onderneming A] ook afgeleid, dat invoering van de UFR per 30 juni 2012 zou plaatsvinden. Dat deze informatie over het tijdstip van invoering ook algemeen bekend was is niet gesteld of gebleken. Bovendien bereikte Verweerder nog verdere detailinformatie met de email van de CEO van [Onderneming A] van 28 juni 2012 om 11:14 uur, zoals de hoogte van de UFR (4.2-4.3%). Dat het daarbij zou gaan om algemeen bekende gegevens is evenmin gesteld of gebleken.

6.2      Het standpunt van Verweerder dat hij niet behoefde te beseffen dat de informatie aangaande de UFR vertrouwelijk was moet worden verworpen. Dat had Verweerder in ieder geval uit de email van de CEO van [Onderneming A] van 11:14 uur moeten begrijpen, waarin deze vertrouwelijkheid expliciet onder woorden is gebracht. De tegenwerping van Verweerder dat hij de inhoud van deze email niet tot zich heeft laten doordringen acht de Tuchtcommissie niet geloofwaardig. Verweerder heeft dit bericht immers niet lang daarna doorgestuurd aan een collega met de mededeling “Hier is de curve oorlog uitgebroken”, welke mededeling onmiskenbaar betrekking had op de invoering van de UFR in Nederland. Dit duidt er op dat Verweerder de inhoud van dat bericht interessant genoeg vond om aan een bekende door te sturen en daarmee valt niet te rijmen dat Verweerder dit bericht alleen maar zou hebben ‘gescand’ om te bezien of daarmee de eerder gegeven opdracht werd ingetrokken.  

6.3      Aan Verweerder valt te verwijten dat hij de twee transacties op 28 juni 2012 en de acht transacties op 2 juli 2012 heeft uitgevoerd, terwijl hij wist of had moeten weten dat gehandeld werd op basis van informatie die als strikt vertrouwelijk moest worden aangemerkt en die, via het Verbond, uiteindelijk afkomstig was van een toezichthouder (DNB). Verweerder had moeten beseffen dat informatie die door de toezichthouder op basis van strikte vertrouwelijkheid met het Verbond was gedeeld en die via het Verbond bij [Onderneming A] en uiteindelijk ook bij Verweerder terecht was gekomen, niet was bedoeld om te gebruiken voor het uitvoeren van transacties die uitsluitend het commerciële belang van [Onderneming A] dienden. Het had voor Verweerder duidelijk moeten zijn dat een dergelijke handelwijze de relatie tussen de toezichthouder enerzijds en het Verbond en de verzekeringsbranche anderzijds ernstig kan schaden, en ook de taak van de toezichthouder kan bemoeilijken. Verweerder had dit moeten onderkennen en het probleem bij zijn leidinggevende, de CEO van [Onderneming B], dan wel bij de Raad van Bestuur van [Onderneming A] moeten aankaarten en zo nodig, indien dat geen resultaat opleverde, aan compliance moeten melden. Dit alles heeft Verweerder ten onrechte nagelaten. Verweerder heeft hiermee niet op een integere en professionele wijze gehandeld.

6.4      Het argument dat Verweerder slechts een opdracht van hogerhand uitvoerde gaat niet op. Verweerder had geen ondergeschikte functie binnen [Onderneming A] maar was manager bij [Onderneming B] en bij DSI was hij geregistreerd als Senior Vermogensbeheerder. Gelet op die positie had van Verweerder als DSI-geregistreerde mogen worden verwacht, niet dat hij zonder meer zou weigeren de opdracht uit te voeren, maar wel dat hij de vraag of op de informatie kon worden gehandeld bij zijn meerderen aan de orde zou stellen en daarover zo nodig het standpunt van compliance zou uitlokken.

6.5      Uit het doorsturen van de informatie om 13:30 uur blijkt dat Verweerder in ieder geval op dat moment bekend was met het vertrouwelijke karakter van de informatie. Op dat moment waren de transacties nog niet afgesloten; de CRO heeft ook pas op 15:23 uur zijn goedkeuring aan de transacties gegeven. Er was dus nog ruimte om de uitvoering van de transacties (zowel die van 28 juni 2012 als die van 2 juli 2012) intern ter discussie te stellen. Verweerder heeft dat ten onrechte nagelaten.

6.6      DSI heeft aan haar klacht verder ten grondslag gelegd dat Verweerder in strijd heeft gehandeld met het beginsel van eerlijk marktgedrag, omdat gehandeld is op basis van kennis die de markt niet bezat. Dat Verweerder heeft willen profiteren van de voorsprong die de vertrouwelijke kennis omtrent de invoering van de UFR hem en [Onderneming A] gaf of dat bij hem anderszins sprake was van oneerlijk marktgedrag is echter niet aannemelijk gemaakt. Overtreding van de artikelen 7.3.1 en 7.3.2 van de Gedragscode is dan ook niet komen vast te staan.

6.7      Verweerder heeft nog aangevoerd dat hij het oordeel van DSI over de andere functionarissen van [Onderneming A] en [Onderneming B] niet kan betrekken in zijn verdediging, hoewel dit wel uiterst relevante informatie is. De Tuchtcommissie verwerpt dit verweer. Niet valt in te zien dat Verweerder belemmerd wordt in zijn verdediging indien hij niet weet wat het oordeel van DSI is over eventuele andere functionarissen van [Onderneming A]. Verweerder wordt aangesproken op zijn eigen verantwoordelijkheid onder de Gedragscode.

6.8      Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 7.1.2 van de Gedragscode, omdat hij niet op een zodanig professionele en integere wijze is opgetreden dat hij recht doet aan de goede naam en doelstellingen van DSI. Overtreding van de overige door DSI in de klacht genoemde bepalingen van de Gedragscode is niet komen vast te staan.

7. De beslissing

7.1       De Tuchtcommissie oordeelt dat sprake is van overtreding van artikel 7.1.2 van de Gedragscode. Daarmee acht de Tuchtcommissie de klacht van DSI deels gegrond. De Tuchtcommissie wijst het overige in het klachtrapport gestelde af.

7.2       De Tuchtcommissie legt aan Verweerder een boete op van €1.000. Bij het opleggen van deze maatregel heeft de Tuchtcommissie rekening gehouden met het feit dat de handelingen inmiddels ongeveer zeven jaar geleden hebben plaatsgevonden.

7.3       Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.