Excessieve en speculatieve beleggingstransacties (eindbeslissing)

Beslissing van de Tuchtcommissie DSI d.d. 20 december 2004 (DSI TC 04-02)


(Mr. C.J.B. Ebeling (voorzitter), Prof. Mr. R.E. van Esch, drs. A.J.J.C.M. Loonen)


1. Het verloop van de procedure

1.1 Bij de Tuchtcommissie is via de directie van het Dutch Securities Institute, nader te noemen “DSI”, een klachtrapport binnengekomen, gedateerd 13 februari 2004. Dit rapport betreft gedragingen van Verweerder, die naar de mening van DSI in strijd zijn met de Gedragscode van het DSI, in het bijzonder artikel 7.1.1, 7.1.2, 7.1.3, 7.1.4 en 7.1.5 van het Algemeen Reglement. 

1.2 Verweerder is uitgenodigd door DSI om een mondelinge toelichting te geven in een gesprek, hetgeen heeft plaatsgevonden op 12 november 2003. De Tuchtcommissie heeft de zaak op 19 februari 2004 in behandeling genomen. Verweerder is uitgenodigd schriftelijk verweer tegen het klachtrapport te voeren en heeft hiervan afgezien en is tevens uitgenodigd voor de zitting van de Tuchtcommissie 14 april 2004, en is niet ter zitting verschenen.

1.3 De Commissie heeft op 10 juni 2004 een tussenbeslissing genomen waarin zij DSI in de gelegenheid heeft gesteld nadere informatie te verzamelen ter ondersteuning van de klacht. DSI heeft op 25 augustus 2004 nadere informatie toegezonden aan de Commissie. De Commissie heeft de mondelinge behandeling van deze zaak voortgezet op 4 november 2004, waarvoor Verweerder is uitgenodigd, en niet ter zitting is verschenen.

1.4 Van de zijde van het DSI was bij de mondelinge behandeling aanwezig de heer Mr. J.R.F. Veendijk en mevrouw T. Constandse. De Commissie bestond uit de heer Mr. C.J.B. Ebeling (voorzitter), de heer Prof. Mr. R.E. van Esch en de heer drs. A.J.J.C.M. Loonen. De Commissie heeft beraadslaagd, de behandeling van de zaak gesloten en zal thans beslissen.


2. Onderwerp van de klacht

2.1 De klacht is vervat in het klachtenrapport van 13 februari 2004. Hieruit blijkt de volgende gang van zaken. 

2.2 Sinds 11 oktober 1999 is Verweerder bij DSI geregistreerd als beleggingsadviseur in register II-A, onder registratienummer … bij Bank A (hierna: de “Ex-werkgever”). Op 31 maart 2003 ontvangt DSI van de Ex-werkgever het bericht dat Verweerder uit dienst is en de Ex-werkgever voorbehoud maakt op de referentie. Naar aanleiding van het gemaakte voorbehoud heeft DSI Verweerder uitgenodigd voor een mondelinge toelichting op 12 november 2003 en nader onderzoek verricht. Dit onderzoek heeft uitgemond in de onderhavige klacht, welke primair op de gemaakte voorbehouden door de Ex-werkgever is gebaseerd, die betrekking hebben op de Gedragscode van de DSI. 

2.2 De door de Ex-werkgever gemaakte voorbehouden betroffen: (i) het verrichten van excessieve en speculatieve privé transacties met geleend geld in strijd met de interne richtlijnen van de Ex-werkgever; (ii) het geven van een onjuiste en/of onvolledige voorstelling van zaken aan de Ex-werkgever in een gesprek tussen Verweerder en Ex-werkgever d.d. 19 november 2002.

2.3 DSI baseert de klacht primair op de voorbehouden door de Ex-werkgever doch concentreert zich op het gestelde verrichten van excessieve en speculatieve privé-transacties, waarbij het al dan niet onjuist/onvolledig informeren van de Ex-werkgever niet als een aparte grond voor de klacht wordt aangevoerd. 

2.4 DSI stelt zich op het standpunt dat de gedragingen van Verweerder ten aanzien van de excessief/speculatief privé-beleggingtransacties moeten worden beschouwd als gedragingen in strijd met de Gedragscode van DSI; in het bijzonder artikel 7.1.1 t/m 7.1.5 van die Gedragscode, en verzoekt de Commissie Verweerder een boete op te leggen van EUR 1500,- en een berisping, althans één van de maatregelen als bedoeld in artikel 13.11 van het Algemeen Reglement, zodanig als de Commissie in overeenkomst acht met de ernst van de gedragingen. 


3. De mondelinge behandeling 

3.1 De heer Veendijk licht de klacht verder toe:

De heer Veendijk:
U heeft kunnen lezen wat er gekomen is uit het additioneel onderzoek door DSI. Daaruit wil ik twee aspecten lichten. Ten eerste: volgens Bank A had Verweerder ten tijde van het conflict met ex-werkgever een negatief vermogen van EUR 22.000. Ik weet niet of dat een indicatie is om te beoordelen of handelen speculatief is, en welke andere situationele omstandigheden de Commissie daarbij nodig acht. Verder vindt DSI het van belang, en dat hebben wij ook duidelijk in de klacht verwoord, dat 63 transacties in zo’n korte periode ronduit veel is. Ik begrijp uit de branche dat 5 à 10 gebruikelijk is. Dit wordt ook door Bank A bevestigd. Tevens heeft Bank A benadrukt dat het ontslag nadrukkelijk niet het resultaat is van een reorganisatie.

De heer Veendijk:
Er speelde nog iets: Verweerder had gemeld dat hij de beschikking had gekregen over een aanzienlijk geldbedrag (EUR 50.000) en Bank A kwam erachter dat dat geld niet, zoals Verweerder had beweerd, een schenking van zijn vader was. In de ogen van Bank A was dit een serieuze leugen. Dit verslechterde de verhouding.

3.2 Vervolgens zijn ter zitting – zakelijk samengevat – de volgende vragen gesteld en verklaringen afgelegd:

De heer Loonen:
De heer Verweerder had een dienstverband van jaren. Hij was deskundig en handelde naar ieders tevredenheid. In artikel 8 van de Regeling met betrekking tot privé-beleggingtransacties van Bank A wordt gesteld dat diverse maatregelen mogelijk zijn als er iets misgaat. Verweerder krijgt een waarschuwing per e-mail en vervolgens, twee maanden later wordt zijn dienstverband, via de kantonrechter en met vergoeding, beëindigd. Is het nu echt zo dat op basis van dit incident een man ontslagen wordt die tot op dat moment goed functioneerde? Blijkbaar dus wel.

De heer Veendijk:
In combinatie met het niet de waarheid vertellen over de herkomst van dat geldbedrag wel.

De heer Loonen:
Bank A stelt in haar stuk dat er “meestal bij 10 transacties per maand vragen worden gesteld”. Wat zijn dan andere criteria?

De heer Veendijk:
Dat gaat er wel heel specifiek op in. Het hangt volgens mij van de situatie af of er wordt ingegrepen of een waarschuwing wordt gegeven; maar ik kan u niet vertellen in welke situatie het een of het ander gebeurt.

De heer Loonen:
In het stuk van Bank A van 8 december wordt gesproken van een berekening van EUR 100.000 als tegenliggende waarde. Nu zie ik in het transactieoverzicht alleen maar long transacties en geen short transacties. Volgens mij zit er een fout in het schema. Ik kom (dan) ook niet aan die EUR 100.000 onderliggende waarde, maar dat bedrag is wel van belang bij het bepalen of iets excessief handelen of het aangaan van te zware posities betreft.

De heer Veendijk: 
Ik kan ook niet zien waar dat bedrag vandaan komt. Het zou gaan om onderliggende waarde.

De heer Loonen
Eigenlijk zegt Bank A: u heeft gelogen over de herkomst en de aard van het bedrag; een deel daarvan was geleend. Maar uit welk artikel blijkt nu dat je niet mag handelen met geleend geld? 

De heer Van Luyn:
De Commissie wil dan ook graag weten wat het salaris was van de heer Verweerder. Samen met informatie over de aantallen transacties en de aard ervan (long of short) kunnen we dan beter bepalen of het om excessief handelen ging, nl. de totale waarde van de transactie afgezet tegen het salaris. Daarbij kun je dan een factor betrekken als ‘heb je met geleend geld gehandeld of met je gespaarde eigen vermogen’. Dit allemaal om ‘de norm’ te kunnen invullen. Is ere informatie over het salaris?

De heer Loonen:
Bank A noemt ook “hoge betalingsverplichtingen” van de heer Verweerder. Ik zie dat niet concreet aangegeven. En wat is hoog? 

De heer Veendijk:
Los daarvan gaat het ook om het aantal transacties dat je aangaat.

De heer Loonen:
Het excessieve waar Bank A het over heeft, heeft Verweerder in twee maanden gedaan. Daarvoor is het niet aan de orde geweest volgens Bank A. Dus we hebben het over die twee maanden met het handelen in deze omvang en de gestelde leugen.

De heer Veendijk:
Dat is wel de reden geweest voor de verstoring van de verhouding en de beëindiging van het arbeidscontract.


4. De beoordeling van de klacht 

4.1 Uit de stukken, de afgelegde verklaring voor zover wederzijds erkend althans niet of onvoldoende betwist en het overige ter zitting behandelde, is het volgende komen vast te staan. 

4.2 Verweerder heeft in een periode van twee maanden 63 transacties verricht. De omvang van de transacties bedroeg EUR 15.000. Gelet op het volgens de door DSI ingebrachte (nadere) documentatie en de aard van de transacties (soorten optietransacties) is het de Commissie niet duidelijk dat sprake zou zijn geweest van een onderliggende waarde van EUR 100.000. 

4.3 Een deel van deze transacties is gefinancierd met geleend geld. Onduidelijk is gebleven hoe groot dit deel is geweest. Gegevens omtrent het inkomen van Verweerder ontbreken. Dit betekent dat moeilijk de totale waarde van de transactie afgezet kan worden tegen de draagkracht en evenmin de hoogte van het consumptief krediet van Verweerder van EUR 30.000 niet afgezet kan worden tegen het inkomen. 

4.4 Ten aanzien van het aantal transacties (63) die gedaan zouden zijn, lijkt uit het overzicht te volgen (uitgaande van een kennelijke beschrijving van de close-sell van 28 optiecontracten) dat sprake is van het openen en sluiten van 31 posities. 

4.5 De Commissie meent dat als hoofdregel dient te gelden dat men bij de beoordeling of sprake is van excessief/speculatief handelen, de omvang van de transacties moet kunnen afzetten tegen de financiële draagkracht. Nu, nadat DSI in de gelegenheid is gesteld nadere informatie omtrent financiële draagkracht in te brengen, deze informatie ontbreekt en het feitencomplex op een aantal punten onduidelijk blijkt, is Commissie op basis van de verschafte informatie van mening dat onvoldoende is aangetoond dat sprake is van excessieve/speculatieve privé-beleggingtransacties van Verweerder. 


5. De beslissing

5.1 De Tuchtcommissie DSI verwerpt de klacht van DSI.