Intraday handel, compliance-regeling

Uitspraak Commissie van Beroep DSI d.d. 28 juni 2002

Mr. A. Rutten-Roos (voorzitter), prof. Mr. A.S. Hartkamp, Mr. J.B. Fleers, C.J. Bijloos en Mr S.P.G.M van Hooijdonk.


1. De procedure in hoger beroep

1.1 Klager in beroep, de Algemeen directeur van DSI (hierna DSI), heeft bij beroepschrift van 27 juli 2001 op de voet van art. 14 lid 3 van het Algemeen Reglement DSI de beslissing van de Tuchtcommissie DSI (de Tuchtcommissie) van 2 juli 2001, waarbij de door DSI tegen verweerder in beroep ingediende klacht is afgewezen, ter toetsing voorgelegd aan de Commissie van Beroep DSI (de Commissie). DSI heeft dit beroep bij brief van 23 augustus 2001 nader toegelicht. 

1.2 Verweerder heeft bij brief van 28 januari 2002 op het beroepschrift gereageerd. 

1.3 De Commissie heeft de zaak ter zitting van 11 februari 2002 behandeld in aanwezigheid van mr F.B. Demenint, gemachtigde van DSI. Verweerder had laten weten niet aanwezig te zullen zijn. DSI heeft bij die gelegenheid zijn in het beroepschrift ingenomen standpunt dat aan Verweerder een schorsing of een berisping dient te worden opgelegd niet gehandhaafd: het beroep strekt er slechts toe dat de klacht alsnog gegrond bevonden zal worden. 

2. Beoordeling van het beroep

2.1 Verweerder is van 1 september 1997 tot 29 februari 2000 bij Bank X werkzaam geweest als beleggingsadviseur. Sedert november 1999 was hij ingeschreven in het Register voor Beleggingsadviseurs. Op 29 februari 2000 is hij ontslagen omdat hij in strijd met de bij de bank geldende voorschriften (compliance-regeling) een aantal malen binnen 24 uur voor zijn moeder, cliënte van de bank, opties had gekocht en weer verkocht (intraday handel). Verweerder, die naar zijn zeggen bij die transacties een winst van NLG 4.000 à NLG 5.000 heeft behaald, heeft destijds op de desbetreffende rekening van zijn moeder een ongeautoriseerde debetstand laten ontstaan. 

2.2 De tuchtcommissie heeft de klacht van DSI afgewezen op grond van haar oordeel dat de aan Verweerder verweten handelingen (intraday handel via een rekening van een familielid en het laten ontstaan van een ongeautoriseerde debetstand) ten enenmale onvoldoende grond vormen om hem van “registratie uit te sluiten en zijn verdere carrière zwaar te beschadigen om niet te zeggen af te breken. Die feiten vormen ook onvoldoende grond om hem in DSI-verband tuchtrechtelijk te treffen, zeker nu hij voor precies dezelfde feiten door de gebeurtenissen reeds zwaar is gestraft in juridisch, economisch en menselijk opzicht”. Met dit laatste doelt de Tuchtcommissie kennelijk op het ontslag, het niet meekrijgen van een afvloeiingsregeling en het gedurende een maand niet hebben van inkomen. 

2.3 Tegen dit oordeel, waarin – anders dan DSI veronderstelt – niet kan worden gelezen dat de Tuchtcommissie de opvatting huldigt dat overtreding van het verbod op intraday handel onder geen enkele omstandigheid tot verwijdering uit het Register zou kunnen leiden, voert DSI thans nog uitsluitend als bezwaar aan dat de Tuchtcommissie heeft miskend dat het handelen van Verweerder een schending oplevert van art. 7 eerste lid ten vierde van het Algemeen Reglement en van de binnen Bank X geldende compliance-regeling. 

2.4 Dit bezwaar is in zoverre gegrond dat Verweerder, door te handelen via de rekening van een familielid en door intraday handel te bedrijven, in de eerste plaats art. 7.1.1 van het Algemeen Reglement heeft geschonden voorzover dit inhoudt dat een geregistreerde op basis van integriteit handelt in de omgang met onder anderen zijn werkgever. Daarnaast is tevens sprake van schending van art. 7.3.5 van het Algemeen Reglement, bepalende onder meer dat een geregistreerde een door zijn werkgever ter vermijding van vermenging van zakelijke en privé-belangen opgestelde code steeds stipt zal naleven. De binnen de bank geldende compliance-regeling, die zowel het handelen via de rekening van een familielid als het bedrijven van intraday handel verbiedt, vormt een dergelijke code. 

3. Slotsom

3.1 De bestreden beslissing, waarin de vraag of een klacht gegrond is lijkt te worden vereenzelvigd met de daarvan te onderscheiden vraag of het opleggen van een tuchtrechtelijke maatregel geboden is, is niet juist. De Commissie zal de hierna te vermelden beslissing voor de bestreden beslissing in de plaats stellen.

4. Uitspraak

De Commissie vernietigt de bestreden beslissing en verklaart de klacht gegrond.