Oneerlijk marktgedrag

 

1. Het verloop van de procedure

1.1
Bij de Tuchtcommissie is via de directie van het Dutch Securities Institute, 
nader te noemen DSI, een klachtrapport binnengekomen, gedateerd 2 mei 2001. 
Dit rapport betreft gedragingen van Verweerder die in strijd zouden zijn met 
de gedragscode van het DSI, in het bijzonder de artikelen 7.1.1, 7.1.2, 7.2.1 
en 7.2.2 van het Algemeen Reglement.

1.2 
De Tuchtcommissie heeft de zaak in behandeling genomen. Verweerder is uitgenodigd 
voor de zitting van de Tuchtcommissie van 30 augustus 2001 om op de klacht 
gehoord te worden. Verweerder heeft geen schriftelijk verweer gevoerd. Verweerder 
heeft de Commissie laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen. Van 
de zijde van het DSI waren aanwezig Mr F.B. Demenint en mevrouw Mr N.C. de 
Haas. De Commissie heeft beraadslaagd, de behandeling van de zaak gesloten 
en zij zal thans beslissen.


2. De inhoud van de klacht

De klacht is vervat in het genoemde klachtrapport en bevat de volgende elementen. 

Op 19 oktober 2000 heeft de ex-werkgever van Verweerder bij DSI aangifte gedaan dat deze in strijd heeft gehandeld met de gedragscode van DSI, alsmede de interne regels van de ex-werkgever.
De klacht betreft het volgende. Verweerder heeft in het fonds X. vanaf 7 mei 1996 biedprijzen afgegeven die naar het scheen aantrekkelijk waren voor de wederpartijen. De wederpartijen verkochten certificaten aan Verweerder, waarna hij de dag erna de originele aandelen op buitenlandse markten verkocht. Verweerder maakte daarbij gebruik van het feit dat de aan hem verkopende wederpartijen er niet van op de hoogte waren dat een splitsing van het aandeel X. nog niet in de certificaten was doorgevoerd. Op deze wijze maakte hij 80 à 90 % winst op deze transacties.
Deze zaak was tevens aanhangig gemaakt bij de Tuchtcommissie AEX. Bij beslissing van 14 november 2000 heeft de Tuchtcommissie AEX op grond van dezelfde feiten aan de ex-werkgever een boete opgelegd van EUR 100.000.

DSI is van mening dat deze gedragingen zeer ernstig zijn en verzoekt de Tuchtcommissie de Verweerder een maatregel op te leggen als genoemd in artikel 13.11 van het Algemeen Reglement.


3. Het verweerschrift

Verweerder heeft geen schriftelijk verweer tegen de klacht gevoerd.


4. De mondelinge behandeling

Ter zitting zijn - zakelijk samengevat - de volgende verklaringen afgelegd.

De heer Demenint:
\\\"De heer R. is niet meer werkzaam in de branche en niet meer bij DSI geregistreerd maar de klacht handhaaf ik wel. We hebben ook nog steeds een belang, want straks vraagt hij misschien weer registratie aan. Dan willen we wel weten hoe uw Commissie erover denkt. 


5. De beoordeling van de klacht

Uit de stukken, de afgelegde verklaringen voor zover 
wederzijds erkend althans niet of onvoldoende betwist en het overigens ter zitting behandelde is het volgende komen vast te staan.

Verweerder is op 22 november 1999 bij DSI geregistreerd als Senior Effecten-Handelaar in register I-B, onder registratienummer SEH 5221. Hij was werkzaam als hoekman bij werkgever Y. Nadat tegen werkgever Y. een procedure bij de Tuchtcommissie AEX aanhangig is gemaakt heeft Werkgever Y. Verweerder ontslagen. Als gevolg daarvan is de registratie van Verweerder bij DSI geëindigd. Verweerder is op dit moment niet werkzaam als effectenspecialist.

Verweerder heeft de in de klacht omschreven handelingen niet betwist omdat de zaak uitvoering aan de orde is geweest bij behandeling door de tuchtcommissie AEX tegen Werkgever Y.
De Tuchtcommissie gaat uit van de volgende feiten, welke zij mede ontleent aan het in kracht van gewijsde verkerende tuchtvonnis van de beurs. Op 7 mei 1996 werd het aandeel X. gesplitst. Deze splitsing was door het administratiekantoor niet doorgevoerd in de aan de AEX-Effectenbeurs genoteerde certificaten van aandelen X. Toen Verweerder bemerkte dat wederpartijen hiervan niet op de hoogte waren, gaf hij daarop ogenschijnlijk aantrekkelijke biedprijzen af, waarop de marktpartijen hun certificaten aan verweerder verkochten, in de veronderstelling verkerend dat zij een goede prijs voor hun certificaten kregen. De volgende dag maakte Verweerder een veel hogere notering op en verkocht de originele aandelen short op buitenlandse markten. Aan de leveringsplicht werd voldaan door de certificaten te laten royeren. Met deze transacties heeft Verweerder enkele jaren achtereen vrijwel risicoloos 80 à 90% winst kunnen maken op deze transacties.

Met de hiervoor besproken handelingen heeft Verweerder wederpartijen bewust op het verkeerde been gezet. Hij heeft gebruik gemaakt van een kennelijk misverstand bij de andere marktpartijen over de werkelijke waarde van de stukken die zeer substantieel hoger was dan zij dachten. Naar het oordeel van de Tuchtcommissie heeft Verweerder zich schuldig gemaakt aan oneerlijk marktgedrag en heeft daarmee het vertrouwen van het beleggend publiek in de markt ernstig geschaad en zijn positie misbruikt. Een dergelijke gedraging rechtvaardigt een ernstige maatregel.

De Tuchtcommissie kan ingevolge artikel 14 van het Tuchtreglement DSI een maatregel opleggen ook indien de Verweerder niet meer geregistreerd is bij DSI, omdat de gewraakte feiten en gedragingen plaatshadden in de periode dat hij nog wèl geregistreerd was. Ook al is Verweerder niet meer werkzaam in de effectenbranche, de Tuchtcommissie acht bovenstaande gedragingen zeer ernstig en zal derhalve een beslissing nemen die door de hiervoorgenoemde feiten worden gerechtvaardigd. 


6. De beslissing 

De Tuchtcommissie verklaart de Verweerder schuldig aan de in de klacht genoemde overtredingen en bepaalt dat die feiten een royement zouden rechtvaardigen indien hij nog geregistreerd was. De Tuchtcommissie bepaalt dat DSI deze beslissing niet zal publiceren in samenhang met de naam van Verweerder en ook niet met vermelding van de naam van de werkgever noch van het fonds.