Opzegging registratie, integriteit

Uitspraak d.d. 11 januari 2002 van de Commissie van Beroep DSI

Mr. A. Rutten-Roos (voorzitter), prof. Mr. A.S. Hartkamp, Mr. J.B. Fleers, Drs. G.H. Heida en Mr S.P.G.M van Hooijdonk.

1. De procedure in hoger beroep

1.1 Klaagster (DSI) heeft bij aangetekende brief van 26 maart 2001 op de voet van artikel 14.1 van het Algemeen Reglement DSI de beslissing van de Geschillencommissie DSI (de Geschillencommissie) van 6 maart 2001 ter toetsing voorgelegd aan de Commissie van Beroep DSI (de Commissie). Bij brief van 20 april 2001 heeft DSI haar beroepschrift aangevuld met een uiteenzetting van de gronden. 

1.2 Verweerders (X en Y) hebben op 21 mei 2001 een verweerschrift ingediend. Op 31 oktober 2001 heeft X nog twee producties in het geding gebracht.

1.3 De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgehad op 5 november 2001. Daarbij was namens DSI aanwezig mr. F.B. Demenint en de gemachtigde van DSI. Van de geïntimeerden was X aanwezig, alsmede de beide gemachtigden. 

2. De ontvankelijkheid van het beroep

2.1 X en Y betogen dat DSI in haar beroep niet kan worden ontvangen, nu dit beroep niet voldoet aan de eisen zoals vermeld in artikel 5.1 en 5.2 van het Reglement van Beroep. Zij voeren aan dat het beroep te laat is ingesteld en dat het niet de gronden van het beroep vermeldt. 

2.2 Dit betoog gaat niet op. De beslissing van de Geschillencommissie is van 6 maart 2001. Het beroep van DSI is op 26 maart 2001, derhalve binnen de voorgeschreven termijn van een maand, ingediend. De omstandigheid dat het beroepschrift van 26 maart 2001 niet de gronden van het beroep bevat, is weliswaar in strijd met het bepaalde in artikel 5.2 van het Reglement van Beroep, maar dit betekent niet dat DSI in haar beroep niet-ontvankelijk is.

2.3 Immers, bij brief van 26 maart 2001 heeft DSI aan de Commissie verzocht haar een termijn te gunnen voor het indienen van de gronden van het beroep. Dit verzoek is ingewilligd in die zin dat de secretaris van de Commissie op 29 maart 2001 aan DSI heeft laten weten dat één week uitstel van de oorspronkelijke beroepstermijn werd verleend voor het indienen van de gronden van beroep. Op verzoek van DSI en op grond van bijzondere omstandigheden is aan DSI vervolgens nog een extra termijn van één week gegund. Per fax van 12 april 2001 is aan DSI medegedeeld dat de termijn liep tot uiterlijk 21 april 2001. DSI heeft de beroepsgronden op 20 april 2001 aan de Commissie doen toekomen.

2.4 Uit een en ander volgt dat DSI in haar beroep kan worden ontvangen. 

3. De procedure in eerste aanleg

3.1 Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de uitspraak van de Geschillencommissie van 6 maart 2001.

4. Inleiding op de beoordeling van het beroep

4.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.2 X en Y zijn (direct of indirect) bestuurders van A Opties B.V. (AO), alsmede van B Opties B.V. (BO). Op 15 mei 1998 heeft de Stichting Toezicht Effectenverkeer aan AO vergunning tot effectenhandel verleend en aan X en Y, als houders van een gekwalificeerde deelneming in AO, een verklaring van geen bezwaar verstrekt als bedoeld in artikel 16 lid 1 van de Wet Toezicht Effectenverkeer.

4.3 De afdeling Compliance van Amsterdam Exchanges N.V. (AEX) heeft met betrekking tot AO een rapport d.d. 25 januari 1999 opgesteld. Dit rapport maakt melding van overtreding van kapitaaleisen, onjuiste netliqrapportage en het niet voldoen aan de eisen van deskundigheid en betrouwbaarheid.

4.4 Genoemd rapport heeft geleid tot een klacht van AEX tegen BO en X. De Tuchtcommissie AEX heeft bij beslissing van 31 augustus 1999 aan BO een boete opgelegd en de klacht tegen X afgewezen. In het tegen die beslissing ingesteld beroep is AEX op 25 april 2000 door de Beroepscommissie AEX niet-ontvankelijk verklaard.

4.5 Het desbetreffende rapport van 25 januari 1999 leidde er voorts toe dat STE zich voornam de vergunning van AO in te trekken op de grond dat de betrouwbaarheid en deskundigheid van X en Y, als bestuurders van AO, niet buiten twijfel staat. Na hoorzittingen op 10 maart 1999 en op 25 mei 1999 heeft STE bij beschikking van 26 juli 1999 geoordeeld dat X en Y onvoldoende deskundig zijn en dat hun betrouwbaarheid niet buiten twijfel staat. STE bepaalt in genoemde beschikking dat X en Y binnen een termijn van drie maanden dienen terug te treden als bestuurders van AO. De verklaringen van geen bezwaar worden ingetrokken bij afzonderlijke beschikkingen die drie maanden na dagtekening in werking zullen treden, aldus de beschikking van STE van 26 juli 1999.

4.6 X en Y hebben op 11 augustus 1999 een bezwaarschrift ingediend tegen de beschikking van STE. Bij beschikking van 21 maart 2000 heeft STE het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen laatstgenoemde beschikking zijn X en Y in beroep gekomen bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (het College). Op 19 juni 2001 heeft het College het beroep van X en Y gegrond verklaard, het besluit van STE van 21 maart 2000 vernietigd en gelast dat STE opnieuw op de bezwaren van X en Y zal beslissen. 

4.7 Bij brief van 24 september 1999 hebben X en Y DSI verzocht om registratie als (senior) effectenhandelaar. Beiden hebben daartoe een formulier "Eigen Verklaring" ingevuld en toegezonden aan DSI.

4.8 In een toelichting bij deze verklaring, in het bijzonder bij de vragen 24 en 25, memoreert X dat hij in de door de AEX aangespannen tuchtzaak is vrijgesproken. Die uitspraak (van 31 augustus 1999) is door hem bijgevoegd. Voorts vermeldt X dat bij de STE op basis van de stukken die ten grondslag liggen aan de tuchtzaak van de AEX een procedure loopt ten aanzien van zijn deskundigheid en betrouwbaarheid.

4.9 Ook Y maakt in de toelichting bij haar verklaring (in verband met de beantwoording van vraag 24) melding van een lopende STE procedure ten aanzien van haar deskundigheid en betrouwbaarheid. Het gaat daarbij om een procedure op basis van de stukken die ook ten grondslag liggen aan de tuchtzaak van de AEX tegen BO, waarvan Y bestuurder was. Y memoreert dat zij zelf geen voorwerp is van tuchtrechtelijk onderzoek.

4.10 DSI laat op 21 oktober 1999, respectievelijk 25 november 1999, aan Y, respectievelijk X, weten dat zij op basis van de door hen verstrekte informatie als DSI (senior) Effectenhandelaar zijn opgenomen in het DSI Register. 

4.11 Op 23 maart 2000 berichten X en Y aan DSI dat STE een negatieve uitspraak heeft gedaan met betrekking tot hun deskundigheid en betrouwbaarheid. Zij vermelden voorts dat zij hun functie als directeur van AO mogen blijven uitoefenen totdat het College heeft beslist op het door hen ingestelde beroep. Op verzoek van DSI sturen X en Y vervolgens aan DSI de beschikkingen van STE van 26 juli 1999 en 21 maart 2000. Op 10 mei 2000 vindt ten kantore van DSI een bespreking plaats tussen -onder meer- de directeur van DSI en X. Een dergelijk gesprek vindt met Y plaats op 5 september 2000.

4.12 Bij brief van 22 september 2000 bericht DSI aan X en Y dat zij heeft besloten hun registratie door opzegging per 20 oktober 2000 te beëindigen. De reden is dat X en Y onjuiste en onvolledige informatie hebben verschaft bij het verzoek tot registratie. Zij hebben immers verzuimd te vermelden dat STE reeds op 26 juli 1999 een uitspraak ter zake van hun deskundigheid en betrouwbaarheid heeft gedaan en zij hebben de desbetreffende beschikking niet bijgevoegd. 

4.13 X en Y zijn tegen dit besluit in beroep gekomen bij de Geschillencommissie. De Geschillencommissie heeft bij beslissing van 6 maart 2001 geoordeeld dat het beroep slaagt. De beschikkingen van DSI van 22 september 2000 zijn door de Geschillencommissie vernietigd.

5. Beoordeling van het beroep van DSI tegen de beslissing van de Geschillencommissie van 6 maart 2001

5.1 DSI betoogt dat zij wel degelijk de registratie van X en Y op grond van het verschaffen van onjuiste en onvolledige informatie mag opzeggen. Zij maakt bezwaar tegen de overwegingen van de Geschillencommissie dat DSI aan X en Y opheldering had kunnen vragen en dat de keuze van DSI om te registreren terwijl zij de litigieuze feiten kende uit de (door X bijgevoegde) uitspraak van de Tuchtcommissie AEX, gevolgen dient te hebben.

5.2 Hieromtrent geldt het volgende. 

5.3 De Commissie stelt voorop dat DSI, zo blijkt uit haar statuten, ten doel heeft bij te dragen tot het in stand houden en verhogen van de kwaliteit van de effektenmarkt in Nederland en van het vertrouwen van het publiek in die markt, onder andere door het vaststellen en handhaven van een normatief kader met betrekking tot deskundigheid, integriteit en vakbekwaamheid van de in de branche werkende personen, alsmede de handhaving en bevordering van de goede beroepsuitoefening door deze personen. Tot de middelen om dit doel te bereiken behoort de registratie van effectenhandelaren. Deze kunnen op hun verzoek worden opgenomen in het DSI Register voor (Senior) Effectenhandelaren. 

5.4 Bij de beoordeling van een verzoek tot registratie gaat het derhalve om toetsing door DSI van de integriteit, deskundigheid en vakbekwaamheid van verzoeker. De toetsing vindt plaats op basis van de gegevens zoals die door verzoeker zijn verschaft op het formulier "Eigen Verklaring". 

5.5 Naar het oordeel van de Commissie zijn de gegevens op de aanvraagformulieren van X en Y niet volledig. Op die formulieren ontbreekt immers de vermelding van de STE beschikking van 26 juli 1999. Genoemde beschikking heeft betrekking op de deskundigheid en betrouwbaarheid van X en Y en vormt derhalve een relevant gegeven bij de beoordeling door DSI van het verzoek tot registratie. Aannemelijk is dat DSI op het verzoek tot registratie anders had beslist als zij de desbetreffende beschikking had gekend. 

5.6 Vervolgens komt de vraag aan de orde naar de gevolgen van het ontbreken van dit gegeven. 

5.7 De Commissie is van oordeel dat die gevolgen volledig voor rekening van X en Y zijn. Zij wisten dat het bij de beoordeling van het verzoek onder meer ging om een toetsing van hun deskundigheid en betrouwbaarheid. Dat de STE procedure bij die toetsing een belangrijke rol speelt, was hun eveneens bekend. Dit blijkt reeds uit het feit dat zij beiden tegenover DSI melding maken van een lopende STE procedure. Het enkele feit dat de beschikking van 26 juli 1999 niet onherroepelijk was nu X en Y bezwaar hadden aangetekend, doet aan de relevantie van die beschikking niet af. 

5.8 De omstandigheid dat DSI uit de door X bijgevoegde beslissing van de Tuchtcommissie had kunnen afleiden dat er met AO en haar bestuurders iets aan de hand was en dat DSI nadere informatie had kunnen inwinnen, doet te dezen niet terzake. Daarmee zijn X en Y niet ontslagen van hun verplichting tot het verschaffen van juiste en volledige informatie. In die verplichting zijn zij ernstig tekortgeschoten. De gevolgen van dat tekortschieten zijn voor hun rekening.

5.9 X en Y voeren voorts aan dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven inmiddels de beschikking van 26 juli 1999 heeft vernietigd. Zij wijzen er op dat het College heeft beslist dat STE niet aan de betrouwbaarheid van X en Y had kunnen twijfelen en dat het oordeel van STE met betrekking tot het ontbreken van deskundigheid onvoldoende is gemotiveerd.

5.10 Ook dit betoog kan X en Y niet baten. Het gaat te dezen immers niet om een beoordeling van de betrouwbaarheid en deskundigheid van X en Y, maar om de vraag of DSI de registratie kan opzeggen op grond van het verstrekken van onvolledige gegevens. Die vraag beantwoordt de Commissie, zoals gezegd, bevestigend.

5.11 X en Y wijzen er nog op dat DSI geen belang heeft bij een vernietiging van de beslissing van de Geschillencommissie, aangezien AO in overleg met STE haar bestuur heeft versterkt en X en Y, indien het onderhavige beroep gegrond wordt geacht, een nieuw verzoek tot registratie zullen indienen nadat de zaak met STE is afgerond.

5.12 Deze opvatting wordt door de Commissie niet onderschreven. De mogelijkheid van indiening van een nieuw registratieverzoek door X en Y ontneemt geenszins het belang aan een beoordeling van de gang van zaken bij het onderhavige verzoek. DSI heeft, gelet op haar doelstelling, wel degelijk belang bij opzegging van een registratie die is geschied op grond van onvolledige gegevens met betrekking tot de betrouwbaarheid en deskundigheid van de geregistreerde.

5.13 Dit betekent dat het beroep van DSI gegrond is.

6. Slotsom

6.1 Het beroep slaagt en de beslissing van de Geschillencommissie waarvan beroep moet worden vernietigd.

6.2 De Commissie acht geen termen aanwezig tot het uitspreken van een kostenveroordeling.

7. Uitspraak

De Commissie vernietigt de beslissing van de Geschillencommissie van 6 maart 2001.