Overschrijden positie limieten

Uitspraak van de Commissie van Beroep DSI van 2 juni 2006

Prof mr A. S. Hartkamp (vz), drs. H.P.J. Kruisinga, mr F.H.J. Mijnssen, mr A. Rutten-Roos en A. Vastenhouw.

1. De procedure in hoger beroep

1.1 DSI heeft bij een op 1 augustus 2005 gedateerd beroepschrift, aangevuld bij brief van 31 augustus 2005, op de voet van art. 14.3 van het Algemeen Reglement Dutch Securities Institute (verder: Algemeen Reglement) de beslissing van de Tuchtcommissie Dutch Securities Institute (verder: de Tuchtcommissie) van 4 juli 2005 ter toetsing voorgelegd aan de Commissie van Beroep Dutch Securities Institute (verder: de Beroepscommissie).

1.2 De heer X (hierna: verweerder) heeft bij een op 24 oktober 2005 gedateerd verweerschrift verzocht het beroep van de Stichting Dutch Securities Institute (hierna:DSI) te verwerpen. 

1.3 De Commissie van Beroep heeft het beroep mondeling behandeld op 24 april 2006. DSI werd daarbij vertegenwoordigd door mr J.R.F. Veendijk die het beroep heeft toegelicht aan de hand van een door hem overgelegde pleitnotitie. Verweerder was vergezeld van zijn raadsman mr Y. Deze laatste heeft het standpunt van verweerder toegelicht aan de hand van, eveneens overgelegde, verweeraantekeningen. 

2. De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst de Beroepscommissie naar de aan deze uitspraak gehechte uitspraak van de Tuchtcommissie van 4 juli 2005.

3. Inleiding op de beoordeling van het hoger beroep

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.
(i) Verweerder is op 11 november 1999 als effectenhandelaar geregistreerd bij DSI in register I-A.
(ii) Verweerder is in dienst geweest van Z B.V. 


(iii) Z heeft verweerder op 23 augustus 2002 op staande voet ontslagen.
(iv) Z heeft dit ontslag erop gegrond dat verweerder de met Z afgesproken positielimieten op 21 augustus 2002 had overschreden, waarbij mede een rol speelde dat verweerder ook in het verleden de positielimieten meer dan eens had overschreden.
(v) Z heeft op 24 december 2004 aan DSI meegedeeld dat zij bij het afgeven van de werkgeversreferentie betreffende verweerder een voorbehoud maakte ter zake van het overschrijden van de positielimieten.
(vi) Bij vonnis van xxx heeft de Rechtbank te Amsterdam sector kanton, de vordering van verweerder die onder meer ertoe strekte, kort gezegd, dat het ontslag zou worden nietig verklaard, afgewezen. Een afschrift van dit vonnis behoort tot de stukken van het geding. Tegen dit vonnis heeft verweerder hoger beroep ingesteld. Dit beroep is door het Gerechtshof te Amsterdam verworpen. Een afschrift van de desbetreffende uitspraak is niet in het geding gebracht.
(vii) DSI heeft de registratie van verweerder per 25 april 2003 beëindigd. Verweerder heeft zijn geschil met DSI met betrekking tot het beëindigen van zijn registratie op de voet van art. 11 van het Algemeen Reglement voorgelegd aan de Geschillencommissie Dutch Securities Institute (verder: de Geschillencommissie). De Geschillencommissie heeft bij haar uitspraak van 26 november 2003 het besluit van DSI tot beëindiging van de registratie van verweerder vernietigd. In het door DSI tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep, heeft de Beroepscommissie de uitspraak van de Geschillencommissie gehandhaafd.

3.2 Bij brief van 1 februari 2005 heeft DSI aan de Tuchtcommissie een klacht tegen verweerder voorgelegd ter zake dat verweerder artikel 7 van het Algemeen Reglement (de Gedragscode) en in het bijzonder het onder 7.1.1 en 7.1.2 daarvan bepaalde, niet heeft nageleefd. Op grond daarvan heeft DSI aan de Tuchtcommissie verzocht aan verweerder een boete van € 500,--, althans één van de in artikel 13.11 van het Algemeen Reglement bedoelde maatregelen, op te leggen. DSI heeft deze klacht, naar blijkt uit hetgeen hij onder 6 van zijn klacht heeft aangevoerd, erop gegrond dat vast staat dat verweerder de met Z afgesproken positielimieten herhaaldelijk heeft overschreden en dat verweerder zich zonder meer van deze gedraging had moeten onthouden. 

Naar het oordeel van DSI is verweerder door aldus te handelen in strijd gekomen met de artikelen 7.1.1 en 7.1.2 van de Gedragscode. In overeenstemming hiermee betoogt DSI in zijn beroepschrift onder 12 – 14 dat niet kan worden gezegd dat verweerder, gelet op de limietoverschrijdingen, integer, deskundig en professioneel heeft gehandeld. DSI voert aan dat hieraan niet af doet dat de interne autorisatieregel van Z niet primair de functie heeft van integriteitbescherming in de zin van de Gedragscode.

3.3 De Tuchtcommissie heeft bij haar beslissing van 4 juli 2005 de klacht van DSI afgewezen. Daartoe heeft de Tuchtcommissie, samengevat, het volgende overwogen. Er moet van worden uit gegaan dat verweerder de voor hem gestelde limieten heeft overschreden. Het gaat hierbij om overschrijding van interne autorisatieregels die niet primair strekken tot bescherming van de integriteit zoals bedoeld in de in artikel 7 van het Algemeen Reglement vervatte Gedragscode. Van verweerder kan, naar het oordeel van de Tuchtcommissie, niet worden gezegd dat hij niet integer, vakbekwaam of betrouwbaar heeft gehandeld in de zin van de genoemde Gedragscode.

4. Ontvankelijkheid van de inleidende klacht

4.1 Verweerder heeft doen betogen, samengevat, dat de feiten die tot de onderhavige klacht aanleiding hebben gegeven reeds door de Geschillencommissie en de Beroepscommissie zijn behandeld en dat geruime tijd, ruim twee jaar, is verstreken tussen het ontslag en het aan de Tuchtcommissie voorleggen van de onderhavige klacht. DSI heeft daarom, naar verweerder aanvoert, in redelijkheid niet ertoe kunnen komen de onderhavige klacht bij de Tuchtcommissie in te dienen. Verweerder verbindt hieraan de gevolgtrekking dat DSI geen belang heeft bij de onderhavige klacht en daarom niet in zijn klacht kon worden ontvangen.

4.2.1 Het is aan DSI om maatregelen te nemen ter bevordering van de naleving van de in art. 7 van het Algemeen Reglement vervatte gedragscode. Zo wordt in art. 13.8 daarvan aan de Algemeen directeur van DSI de bevoegdheid toegekend om, indien hiertoe naar zijn oordeel aanleiding bestaat, na overleg met de voorzitter een klacht tegen een geregistreerde aan de Tuchtcommissie voor te leggen. Hieraan ontleende de Algemeen directeur ook in het onderhavige geval de bevoegdheid zulks te doen. Gelet op de door het Algemeen Reglement aan DSI of zijn Algemeen directeur verleende bevoegdheden kan ook niet worden gezegd dat DSI geen belang hierbij had.

4.2.2 Dit een en ander leidt tot de gevolgtrekking dat DSI ontvankelijk was in zijn aan de Tuchtcommissie voorgelegde klacht. De Tuchtcommissie heeft die klacht terecht in behandeling genomen.

5. De ontvankelijkheid van het Hoger beroep

DSI heeft alle voor het instellen van hoger beroep geldende formaliteiten in acht genomen, en kan daarom in zijn hoger beroep worden ontvangen. Hetgeen verweerder onder 2.1 – 3.3 van zijn verweerschrift in hoger beroep heeft aangevoerd kan niet afdoen aan de ontvankelijkheid van het hoger beroep. 

6 Beoordeling van het beroep

6.1 Het beroep kan niet slagen. DSI heeft aan zijn standpunt alleen ten grondslag gelegd hetgeen de Rechtbank aan haar hiervoor in 3.1 onder (vi) vermelde vonnis heeft overwogen. Van de inhoud van de uitspraak van het Gerechtshof heeft de Beroepscommissie niet kunnen kennisnemen. Uit de uitspraak van de Rechtbank kan niet meer worden afgeleid dan dat verweerder heeft gehandeld in strijd met verplichtingen die voor hem uit zijn arbeidsovereenkomst met Z jegens deze voortvloeiden en dat dit handelen grond opleverde voor ontslag op staande voet.

5.2 De enkele omstandigheid dat de Rechtbank van oordeel is dat de gewraakte overschrijdingen van de limieten grond opleverden voor ontslag op staande voet, kan echter niet leiden tot het oordeel dat verweerder niet heeft gehandeld als een integer, vakbekwaam en betrouwbaar geregistreerde in de zin van artikel 1 van het Algemeen Reglement. Nu DSI geen aanvullende feiten en omstandigheden heeft gesteld die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de in artikel 7 van het Algemeen Reglement bestaat geen grond voor het aan verweerder opleggen van een maatregel zoals bedoeld in art. 13.11 van dit Algemeen Reglement.

7. Slotsom

Het beroep tegen de beslissing van de Tuchtcommissie moet worden verworpen. De Commissie van Beroep acht geen termen aanwezig tot het uitspreken van een kostenveroordeling.

8. Beslissing

De Commissie van Beroep stelt bij bindend advies vast dat de bestreden beslissing van de Tuchtcommissie wordt gehandhaafd.