Royement wegens belangenverstrengeling

Beslissing d.d. 26 februari 2007 van de Tuchtcommissie DSI 

Mr. C.J.B. Ebeling (voorzitter), drs. A.J.C.C.M. Loonen en en M.W. Scholten (leden van de Commissie), waarbij mr. M. van Luyn als secretaris optrad.


1. Het verloop van de procedure

1.1 Bij de Tuchtcommissie is via de directie van het Dutch Securities Institute, nader te noemen “DSI”, een klachtrapport binnengekomen, gedateerd 8 november 2006. Dit rapport betreft gedragingen van Verweerder, die naar de mening van DSI in strijd zijn met de Gedragscode van het DSI, in het bijzonder de artikelen 7.1.1, 7.1.2, 7.1.5, 7.2.1, 7.3.1, 7.3.4 en 7.3.5 van het Algemeen Reglement. 

1.2 De Tuchtcommissie heeft de zaak op 10 november 2006 in behandeling genomen. Verweerder is uitgenodigd schriftelijk verweer te voeren en heeft dit middels verweerschrift van 10 december 2006 gedaan. Daarnaast heeft hij zijn bezwaren tegen de klacht naar voren gebracht in een gesprek met het DSI, dat heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2006. Verweerder is tevens uitgenodigd voor de zitting van de Tuchtcommissie van 19 december 2006. Verweerder is niet ter zitting verschenen. 

1.3 Van de zijde van het DSI waren bij de mondelinge behandeling aanwezig de heer Mr. M. J. Drijftholt en de heer M.A. van der Lecq. De Commissie bestond uit de heer Mr. C.J.B. Ebeling (voorzitter), de heer Dr. A.J.C.C.M. Loonen en de heer M.W. Scholten. De Commissie heeft beraadslaagd, de behandeling van de zaak gesloten en zal thans beslissen.

2. Onderwerp van de klacht

2.1 De klacht is vervat in het klachtenrapport van 8 november 2006 en bevat de volgende elementen. 

2.2 Sinds 23 november 1999 is Verweerder bij DSI geregistreerd als Senior Beleggingsadviseur. Op 18 mei 2006 doet de werkgever (hierna: de “Ex-werkgever”) aan DSI een incidentmelding, vergezeld van een melding van einde dienstverband. Naar aanleiding hiervan heeft DSI Verweerder uitgenodigd voor een mondelinge toelichting op 21 augustus 2006 en nader onderzoek verricht. Dit onderzoek heeft uitgemond in de onderhavige klacht. 

2.3 De klacht spitst zich toe op een aantal elementen betreffende vermenging van privé- en zakelijke belangen. Verweerder zou een cliënte verzocht hebben een aanzienlijk bedrag beschikbaar te stellen uit haar beleggingsvermogen voor zijn eigen privédoeleinden en, beschikkende over een volmacht van zijn cliënte ter zake van beheer, collega’s opdracht gegeven hebben overboekingen te verrichten.

2.4 Hierdoor zou Verweerder gepoogd hebben geldelijke middelen uit het vermogen van cliënte, in beheer bij de Ex-werkgever, bedoeld voor beleggingen, te gebruiken voor privébelangen met het doel persoonlijk voordeel te behalen. Vervolgens zou Verweerder, toen collega’s en Ex-werkgever weigerden de gewraakte overboekingen te verrichten, zijn Ex-werkgever gedreigd te hebben met aansprakelijkheidsstellingen en negatieve publiciteit. Uit onderzoek zou gebleken zijn dat cliënte in eerste instantie niet geweten heeft wat de hoogte van het “geleende” bedrag was, wie de begunstigde was en waarvoor het bedrag daadwerkelijk bestemd was, noch dat afspraken geweest zouden zijn over terugbetaling en overige voorwaarden. DSI verwijt Verweerder naast bovengenoemde vermenging van zakelijke en privébelangen, noch naar werkgever, noch naar cliënte transparant geweest te zijn over de gewraakte transactie. Voorts zou uit onderzoek gebleken zijn dat voornoemde transactie niet op zichzelf stond en Verweerder stelselmatig privé- en zakelijke belangen vermengde. Gegeven de leidinggevende positie van Verweerder dient dit, volgens DSI, hem zwaar te worden aangerekend.

2.5 In het kader van het onderzoek door Ex-werkgever zou voorts gebleken zijn dat zowel Verweerder als diens familie zware emotionele druk gezet hebben op cliënte om ontlastende/verzachtende verklaringen ten behoeve van Verweerder op te stellen, hetgeen blijkt uit overlegde telefoonverslagen.

2.6 Een en ander zou volgens DSI moeten leiden tot de conclusie dat Verweerder op oneigenlijke wijze gebruik heeft gemaakt van zijn positie, de integriteit in het kader van zijn functie zwaar geweld aan heeft gedaan en daarbij geen enkel blijk heeft gegeven van besef van persoonlijk laakbaar handelen.

2.7 DSI stelt zich op het standpunt dat de handelingen van Verweerder niet stroken met een integere handelswijze zoals neergelegd in de Gedragscode van DSI, in het bijzonder de artikelen genoemd onder 1.1. van deze beslissing, en verzoekt de Tuchtcommissie Verweerder royement op te leggen, althans één van de maatregelen als bedoeld in artikel 13.11 van het Algemeen Reglement, zodanig als de Commissie in overeenstemming acht met de ernst van de gedragingen. 

3. Het verweerschrift

3.1 Verweerder heeft op 10 december 2006 schriftelijk verweer tegen de klacht gevoerd. Zakelijk samengevat stelt Verweerder hierin het volgende: 

3.2 Verweerder geeft aan dat een en ander heeft plaatsgevonden in een periode waarin hij kampte met ernstige fysieke problemen alsmede het vooruitzicht dat zijn functie bij Ex-werkgever zou komen te vervallen waardoor hij is gaan zoeken naar nieuwe mogelijkheden. In dit kader zou hij zelfstandig vermogensbeheer hebben willen gaan voeren via een aantal eigen BV’s. Hiervoor was financiering nodig. Toen dit via de bank niet rond kwam, heeft Verweerder besloten een “huisvriendin” om financiële hulp te vragen. Deze vriendin was door zijn familie jarenlang geholpen is toen zij alleenstaand werd in alle opzichten onder zijn hoede gekomen. De gewraakte lening moet dan ook worden gezien in het kader van die bijzondere relatie. Noch Verweerder, noch zijn familie zou haar onder enige negatieve druk hebben gezet, maar juist hebben willen stimuleren, waarbij tot spijt van Verweerder, uiteindelijk gebleken is dat cliënte niet meer de “huisvriendin” was, die hij en zijn familie in haar zagen. Verweerder ontkent de aantijgingen als zou hij uit zijn geweest op het vermogen van cliënte en betuigt voorts spijt voor het afreageren van zijn frustraties over de gang van zaken op collega’s, toezichthoudende instanties en cliënten.


4. De mondelinge behandeling 

4.1 De heer Drijftholt licht de klacht niet verder toe en verwijst naar haar klachtrapport. 

4.2 De Commissie krijgt van de zijde van Ex-werkgever bevestigd dat de cliënte in kwestie op leeftijd is (in de zestig), en dat de door Verweerder op te richten vennootschap bedoeld was voor financiële dienstverlening. Voorts krijgt de Commissie een korte toelichting van Ex-werkgever op welke wijze Verweerder getracht zou hebben druk te zetten op Ex-werkgever.


5. De beoordeling van de klacht 

5.1 Uit de stukken, de afgelegde verklaring voor zover wederzijds erkend althans niet of onvoldoende betwist en het overige ter zitting behandelde, is het volgende komen vast te staan. 

5.2 Verweerder heeft, niet enkel door het lenen van bedragen van cliënte, doch ook door op onbetamelijke wijze druk te zetten op cliënte, zowel zijn zakelijke belangen niet gescheiden gehouden van de persoonlijke levenssfeer, doch ook in ernstige mate afbreuk gedaan aan de integriteit en zorgvuldigheid die een beleggingsadviseur, en zeker een leidinggevende, dient te betrachten. 

5.3 Voor de Tuchtcommissie zijn er derhalve geen gronden om aan te nemen dat de klacht van DSI ten aanzien van het handelen in strijd met de DSI-Gedragscode, niet gegrond zou zijn.



6. De beslissing

6.1 De Commissie rekent Verweerder het gebrek aan berouw en inzicht over zijn handelswijze zwaar aan en vindt, gegeven de ernst van de geconstateerde feiten, royement de enige passende maatregel.

6.2 De Tuchtcommissie DSI legt aan Verweerder de maatregel op van royement.