Schending vertrouwelijke behandeling gevoelige informatie

Uitspraak van de Commissie van Beroep DSI van 3 december 2007.

Mr. A. Rutten-Roos (voorzitter), mr. F.J.H. Mijnssen en A. Vastenhouw.

1. De procedure in hoger beroep

1.1 Appellante (DSI) heeft bij brief van 27 maart 2007 op de voet van artikel 14.3 van het Algemeen Reglement DSI de uitspraak van de Tuchtcommissie DSI (de Tuchtcommissie) van 22 maart 2007 met betrekking tot de klacht van DSI tegen verweerder in beroep (Verweerder), ter toetsing voorgelegd aan de Commissie van Beroep DSI (de Beroepscommissie). DSI heeft het beroep bij brief van 27 juni 2007 toegelicht.

1.2 Verweerder heeft bij brief van 6 juli 2007, binnengekomen bij DSI op 9 juli 2007, verweer gevoerd. 

1.3 De Beroepscommissie heeft de zaak ter zitting van 12 november 2007 behandeld in aanwezigheid van Verweerder en de vertegenwoordiger van DSI, mr. M.A. van der Lecq.
Mr. Van der Lecq heeft het beroep toegelicht aan de hand van een pleitnotitie. 

2. De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst de Beroepscommissie naar aan de deze uitspraak gehechte beslissing van de Tuchtcommissie.

3. Beoordeling

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.2 Verweerder is werkzaam bij X Bank (X). Van 17 juni 2004 tot 9 mei 2005 stond hij als beleggingsadviseur bij DSI geregistreerd. 

3.3 Op 23 april 2004 is de afdeling waarbij Verweerder werkzaam was door middel van een “conference call” onder embargo geïnformeerd omtrent de emissie, op 24 mei 2004, van een obligatielening. Deze informatie is op 26 april 2004 door het hoofd van de afdeling beleggingen doorgegeven aan Verweerder. 

3.4 Op 17 mei 2004 heeft een cliënt van Verweerder contact opgenomen met X. Verweerder belt deze cliënt terug. Omdat hij denkt dat cliënt mogelijk in de aankoop van de nieuwe lening geïnteresseerd is, wil hij een afspraak maken voor een onderhoud op een tijdstip gelegen kort na de emissie van de nieuwe lening. Verweerder noemt het aspect “rentevariant”.
In het bewuste gesprek laat de cliënt echter weten dat hij geld wil vrij maken uit zijn beleggingen. Hij geeft Verweerder opdracht zijn belegging in de oude lening te verkopen. Verweerder voert de verkoopopdracht uit.

3.5 Naar aanleiding van een intern onderzoek bij X (het interne onderzoek) krijgt Verweerder op 4 februari 2005 een schriftelijke berisping van zijn werkgever op de grond dat hij een intern embargo heeft geschonden en aldus niet heeft gehandeld conform hetgeen de Algemene Gedragscode vermeldt in het hoofdstuk “Omgaan met informatie”.

3.6 Het interne rapport wordt in mei 2005 toegezonden aan DSI. Bij brief van 11 juli 2005 wordt Verweerder door DSI uitgenodigd te reageren op de inhoud van de interne uitspraak. Verweerder antwoordt bij brief van 20 juli 2005. Hij wijst erop dat hij niet op eigen initiatief de cliënt heeft benaderd en dat hij zich niet bewust is geweest van een schending van de Algemene Gedragscode.

3.7 Bij brief van 17 mei 2006 deelt DSI mede dat Verweerder, door uit eigen beweging contact te zoeken met een cliënt die in het bezit was van de oude lening en daarbij de introductie van de nieuwe lening expliciet te noemen, in strijd heeft gehandeld met de artikelen 7.1.1, 7.1.2, 7.2.1, 7.2.2 en 7.3.1 van het Algemeen reglement DSI (AR). DSI is echter bereid in het kader van de DSI-registratie van Verweerder een regeling te treffen. Gelet op de ernst van de overtredingen, kan worden volstaan met een transactie van € 300.-. DSI vermeldt hierbij voorts dat conform de reglementen gedurende een periode van anderhalf jaar achter de naam van Verweerder op de website zal worden aangetekend dat aan Verweerder een boete is opgelegd wegens schending van vertrouwelijke behandeling van gevoelige informatie in 2004. Op 7 september 2006 schrijft Verweerder dat hij het schikkingsaanbod niet aanvaardt. Hij wijst erop dat hij op het moment van de desbetreffende gedraging (17 mei 2004) nog niet bij DSI was geregistreerd en dat hij op het moment dat de kwestie bij DSI aan de orde kwam al geruime tijd niet meer ingeschreven stond.

3.8 Bij klachtrapport van 5 oktober 2006 dient DSI een klacht jegens Verweerder in bij de Tuchtcommissie. Verweerder verweert zich bij verweerschrift van 15 november 2006. De Tuchtcommissie heeft de zaak ter zitting van 11 december 2006 behandeld.


3.9 In haar beslissing van 22 maart 2007 overweegt de Tuchtcommissie dat DSI in haar klacht kan worden ontvangen. Het Algemeen reglement voorziet immers in de mogelijkheid een klacht in te dienen ook indien betrokkene niet meer geregistreerd is, terwijl voorts geldt dat degene die een aanvraagformulier invult, zich daarmee onderwerpt aan de statuten en Reglementen van DSI, waaronder de Gedragscode.

3.10 De Tuchtcommissie memoreert dat het transcript van het bewuste telefoongesprek ontbreekt zodat zij moet uitgaan van de citaten die zijn opgenomen in het interne rapport. Zij overweegt voorts dat het aannemelijk is dat Verweerder heeft gepoogd zijn cliënt te polsen voor een gesprek over de emissie van de nieuwe, welk gesprek zou moeten plaats vinden nadat het nieuws over de emissie publiekelijk bekend zou zijn gemaakt. Volgens de Tuchtcommissie was het raadzaam geweest niet over een aankomende rentevariant te spreken, maar zij heeft wel begrip voor de situatie van Verweerder. Verweerder is immers op initiatief van de cliënt in het gesprek verzeild geraakt, terwijl voorts geldt dat het de Tuchtcommissie uit vergelijkbare zaken bekend is dat Verweerder de instructie van zijn werkgever had gekregen omtrent de emissie van de nieuwe lening “voor te sorteren”. De Tuchtcommissie ziet geen aanleiding de klacht van DSI gegrond te verklaren en wijst deze af.

3.11 Het beroep van DSI strekt ten betoge dat de klacht wel degelijk gegrond is en dat aan Verweerder een maatregel moet worden opgelegd. Volgens DSI komt aan de afwezigheid van het transcript van het telefoongesprek geen betekenis toe, nu verweerder de inhoud van het interne rapport niet betwist. DSI wijst er voorts op dat de Tuchtcommissie niet heeft geoordeeld over de klacht voorzover deze betrekking heeft op het opzettelijk doorgeven aan cliënt van gevoelige informatie die intern en vertrouwelijk moest blijven. Dat de werkgever van Verweerder wellicht druk heeft uitgeoefend om de interesse voor de nieuwe lening te polsen, ontsloeg Verweerder niet van zijn verantwoordelijkheid op het gebied van omgaan met interne en vertrouwelijke informatie. Aldus DSI.

3.12 De Beroepscommissie stelt voorop dat zij de overwegingen en het oordeel van de Tuchtcommissie met betrekking tot de ontvankelijkheid van DSI in haar klacht onderschrijft.

3.13 De Beroepscommissie overweegt voorts dat het ontbreken, ook in de beroepsprocedure, van het transcript van het desbetreffende telefoongesprek, terwijl Verweerder de door de werkgever aan DSI ter beschikking gestelde weergave van dat gesprek (bijlage 9 bij het beroepschrift) gemotiveerd heeft betwist, ertoe leidt dat de Beroepscommissie moet uitgaan van de verklaringen die Verweerder heeft afgelegd. Het gaat daarbij met name om de verklaringen van Verweerder ter zitting van de Tuchtcommissie, in het verweerschrift en ter zitting in hoger beroep.

3.14 Deze verklaringen rechtvaardigen geenszins de conclusie dat Verweerder kan worden verweten dat hij opzettelijk gevoelige informatie die intern en vertrouwelijk moest blijven heeft medegedeeld aan zijn cliënt. Het enkele polsen van de interesse van de cliënt voor een aanstaande emissie zonder daarbij aan te geven om welk product het gaat, is niet als zodanige informatieverstrekking aan te merken. Bij dit oordeel neemt de Beroepscommissie in aanmerking dat de stelling van Verweerder, dat zijn werkgever instructie had gegeven tot “voorsorteren” op de emissie, door DSI niet is weersproken. De eigen verantwoordelijkheid van Verweerder voor zijn handelen te dezen brengt wel mee dat hij zich dient te onthouden van het verstrekken van vertrouwelijke informatie, maar niet dat hij in het contact met cliënten volledig buiten beschouwing laat dat de mogelijkheid bestaat dat in de nabije toekomst een aantrekkelijke emissie zal plaatsvinden. 

3.15 De Beroepscommissie is dan ook mét de Tuchtcommissie van oordeel dat de klacht van DSI jegens Verweerder niet gegrond is. Het beroep van DSI tegen de beslissing van de Tuchtcommissie faalt derhalve.

4. Slotsom

Het beroep faalt. De beslissing van de Tuchtcommissie kan in stand blijven.

5. Beslissing

De Beroepscommissie handhaaft de beslissing van de Tuchtcommissie.

Deze uitspraak is op de datum als in hoofde dezes vermeld tot stand gekomen met inachtneming van de bepalingen van het Reglement van Beroep.