(Schijn van) handel met voorwetenschap

Beslissing d.d. 1 februari 2006 van de Tuchtcommissie DSI


Mr. C.J.B. Ebeling (voorzitter), M.W. Scholten en Mr. P.M. Wortel (leden van de Commissie), waarbij mr. M. van Luyn als secretaris optrad.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Bij de Tuchtcommissie is via de directie van het Dutch Securities Institute, nader te noemen “DSI”, een klachtrapport binnengekomen, gedateerd 19 april 2005. Dit rapport betreft gedragingen van Verweerder, die naar de mening van DSI in strijd zijn met de Gedragscode van het DSI, in het bijzonder artikel 7.1.1 en 7.1.2 van het Algemeen Reglement. 

1.2 De Tuchtcommissie heeft de zaak op 21 april 2005 in behandeling genomen. Verweerder is uitgenodigd schriftelijk verweer te voeren en heeft dit middels brief van 20 mei 2005 gedaan. Daarnaast heeft hij zijn bezwaren tegen de klacht naar voren gebracht in een gesprek met het DSI, dat heeft plaatsgevonden op 22 maart 2005. 

Verweerder is uitgenodigd voor de zitting van de Tuchtcommissie van 6 september 2005 op welke zitting Verweerder is verschenen. Deze mondelinge behandeling is voortgezet op de zitting van de Tuchtcommissie van 22 november 2005, doch Verweerder heeft aangegeven daarbij niet aanwezig te (kunnen) zijn. Verweerder is derhalve niet op deze tweede zitting verschenen. 

1.3 Van de zijde van het DSI was bij de gehele mondelinge behandeling aanwezig de heer Mr. J.R.F Veendijk. De Commissie bestond uit de heer Mr. C.J.B. Ebeling (voorzitter) en de heren M.W. Scholten en Mr. P.M. Wortel. De Commissie heeft beraadslaagd, de behandeling van de zaak gesloten en zal thans beslissen.


2. Onderwerp van de klacht

2.1 De klacht is vervat in het klachtenrapport van 19 april 2005 en bevat de volgende elementen. 

2.2 Op 7 januari 2000 is Verweerder bij DSI geregistreerd als Senior Vermogensbeheerder in register III-B en als Senior Beleggingsanalist in register IV-B. 

Verweerder was destijds statutair directeur van een effecteninstelling, welke 1 januari 2001 is overgenomen door een andere vermogensbeheerder (hierna aan te duiden als “Werkgever”). 

2.3 DSI heeft kennis genomen van het feit dat Verweerder als verdachte is gedagvaard in een voorkenniszaak terzake waarvan de rechtbank thans dan in begin 2005 uitspraak heeft gedaan. DSI heeft naar aanleiding daarvan onderzoek gedaan en stelt dat het volgende is gebleken:
• Werkgever was in 1999 betrokken bij het overleg met het Ministerie van Financiën terzake van een eventuele fiscale kwijtschelding welke betrekking had op handelsmaatschappijen die slechts belegden in één aandeel van een beursgenoteerd fonds;
• Verweerder heeft in de periode dat deze besprekingen plaatsvonden gehandeld in betrokken houdstermaatschappijen op grond waarvan de rechtbank te Amsterdam Verweerder veroordeeld heeft wegens handelen met voorwetenschap;
• In privé heeft Verweerder één transactie gedaan, de overige transacties met betrokken fondsen zijn gedaan ten behoeve van cliënten.

2.4 DSI is van mening dat vaststaat dat Verweerder heeft gehandeld met voorwetenschap dan wel het risico heeft genomen dat Verweerder de schijn op wekte dat er sprake zou kunnen zijn van handelen met voorkennis, hetgeen een naar zorgvuldig handelende Senior Vermogensbeheerder had dienen te vermijden.

2.5 DSI is van mening dat beide incidenten niet stroken met een integere handelswijze, zoals neergelegd in de Gedragscode van DSI. DSI is derhalve van oordeel dat de gedragingen van Verweerder beide moeten worden beschouwd als gedragingen in strijd met de Gedragscode van DSI, in het bijzonder de artikelen genoemd onder 1.1 van deze beslissing, en verzoekt de Tuchtcommissie Verweerder een schorsing van 6 maanden op te leggen, althans één van de maatregelen als bedoeld in artikel 13.11 van het Algemeen Reglement, zodanig als de Commissie in overeenstemming acht met de ernst van de gedragingen. 


3. Het verweerschrift

3.1 Verweerder heeft op 20 mei 2005 schriftelijk verweer tegen de klacht gevoerd. Zakelijk samengevat stelt Verweerder hierin het volgende: 
• Reeds eind 1998 is de effecteninstelling van Verweerder overgenomen door Werkgever waarna per januari 1999 Verweerder reeds in dienst is getreden bij Werkgever;
• Verweerder zou in 1999 nooit inhoudelijk op de hoogte zijn geweest van de besprekingen van Werkgever met het Ministerie van Financiën aangezien die op directieniveau van Werkgever gevoerd werden;
• Verweerder heeft nooit beschikt over koersgevoelige informatie en derhalve niet naar aanleiding daarvan gehandeld;
• Verweerder heeft juist geprobeerd zorgvuldig te handelen doordat hij intern heeft nagevraagd of er ten aanzien van de betrokken fondsen een voorgeschreven handelswijze was, dan wel een verbod tot handelen was;
• De bewuste enkele privé transactie is geschied door de (interne) vermogensbeheerder die de vrije hand portefeuille van Verweerder beheert en is in lijn met transacties die ook voor andere vrije hand beheer cliënten gedaan zijn (en dus niet op initiatief van Verweerder geschiedt). Weliswaar is in de periode september tot en met december 1999 gehandeld voor rekening en risico van andere cliënten, doch Verweerder bestrijdt dat hij het initiatief tot plaatsen van de orders genomen heeft.


4. De mondelinge behandeling 

4.1 Op de eerste zitting van de Tuchtcommissie van 6 september 2005 licht de heer Veendijk de klacht verder toe. Het standpunt van DSI, zakelijk samengevat, is dat de rechtbank geoordeeld heeft dat Verweerder wel degelijk op de hoogte zou zijn van de besprekingen met het Ministerie van Financiën, of in elk geval dat hieruit blijkt dat niet aannemelijk is dat Verweerder niet op de hoogte zou zijn. Voorts verwijst DSI naar de bewezenverklaring van de uitspraak van de rechtbank, waaruit naar het oordeel van DSI blijkt dat Verweerder wel degelijk het initiatief tot zowel de privé transacties als de transacties ten behoeve van cliënten zou hebben genomen.

4.2 Voorts zijn ter zitting, zakelijk samengevat, de volgende vragen gesteld en verklaringen afgelegd:
• Op de vraag van de Commissie naar de schijnbaar onvolledigheid van het vonnis van de rechtbank te Amsterdam, verklaart Verweerder dat dit slechts het verkorte vonnis betreft en het uitgebreide, gemotiveerde, vonnis nog niet ontvangen was, doch intussen wel hoger beroep aangetekend is tegen dit vonnis in eerste instantie. Voorts wenst Verweerder een kopie van de uitspraak van de VBA Tuchtcommissie in het geding te brengen, welke volgens Verweerder aangeeft dat deze Commissie juist heeft geoordeeld dat Verweerder geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van enige gedragingen die een overtreding van de VBA regels zouden opleveren;
• Verweerder wijst vervolgens op het feit dat in eerste instantie nog 6 nadere personen als verdachten zijn aangemerkt die allen inmiddels hetzij een schikking, hetzij een mededeling van seponering hebben ontvangen;
• Op de vraag van de Voorzitter naar de omstandigheden rondom de bekendheid met de gesprekken tussen werkgever en het Ministerie van Financiën, geeft Verweerder aan dat in 1999 al langer tijd een discussie gaande was rondom de discount in de houdstermaatschappijen. Daar bovenop zou nog het effect van een nieuwe fiscale regelgeving zijn gekomen en dit alles is in september 1999 aan de werknemers en cliënten uitgelegd, hetgeen dus allemaal openbare informatie was;
• Verweerder geeft daarnaast aan dat zowel binnen de eigen effecteninstelling als bij de Werkgever al lange tijd werd belegd in de aandelen van de bewuste houdstermaatschappijen en Werkgever een advieslijst heeft voor model portefeuilles waar gedurende het hele jaar 1998 en 1999 de houdstermaatschappijen een 15% vertegenwoordigden. Dit verklaart volgens Verweerder dat gedurende 1999 reguliere verkoop is voortgezet. Ten aanzien van de privé transacties herhaalt Verweerder dat slechts één transactie is gedaan door zijn vrije hand portefeuillebeheerder en uit het onderzoek door de ECD is gebleken dat slechts 0,25% van het vermogen van Verweerder was belegd in één van de houdstermaatschappijen en de onderzoekende instanties de privé-transactie als “niet opmerkelijk” hebben aangemerkt. 

4.3 De Commissie besluit gegeven de nieuw in het geding gebrachte stukken en verdere nog na te zenden bewijsstukken, de zitting te schorsen om DSI en Verweerder in de gelegenheid te stellen over en weer op deze stukken te reageren en de mondelinge behandeling op latere datum voort te zetten, hetgeen heeft plaatsgevonden ter zitting van 22 november 2005. 

4.4 Op deze zitting licht de heer Veendijk de reactie van DSI op de nadere bewijsstukken kort toe. DSI wenst nogmaals nadruk te leggen op de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam. Voorts wenst DSI nogmaals te benadrukken dat een zorgvuldig handelende Senior Vermogensbeheerder in dit soort omstandigheden terughoudend had behoren op te treden. Ten aanzien van de VBA Tuchtcommissie uitspraak geeft DSI aan dat deze op geen enkele wijze onderbouwd of gemotiveerd is en derhalve in dit verband niet relevant zou moeten worden geacht.

4.5 Voorts zijn aan DSI in afwezigheid van Verweerder de volgende vragen gesteld en verklaringen afgelegd welke zakelijk samengevat luiden als volgt:
• Op een vraag van de Commissie of gekeken is naar de invulling van de portefeuilles hoe de percentages aandelen in houdstermaatschappijen die aangekocht zijn ten opzichte van de portefeuille en in welke verhouding staat tot reeds eerder aangekochte aandelen, verklaart DSI niet naar deze verhoudingen te hebben gekeken, doch erkent dat altijd al aandelen zijn gekocht in de bewuste houdstermaatschappijen;
• De Commissie constateert in dit verband dat tijdens de eerdere zitting reeds was aangegeven dat in de bewuste periode geen sprake is van een toenemend, doch van een afnemend aantal aankopen.

5. De beoordeling van de klacht 

5.1 Uit de stukken, de afgelegde verklaring voor zover wederzijds erkend althans niet of onvoldoende betwist en het overige ter zitting behandelde, is het volgende komen vast te staan. 

5.2 Gelet op het feit dat de aan de Commissie verstrekte informatie ten aanzien van de feiten uiterst summierlijk is, zowel het vonnis van de rechtbank als de uitspraak van de VBA Tuchtcommissie (nog) nauwelijks nadere informatie verschaffen of enige motivering bieden voor het reeds gevelde oordeel, dient de Commissie zich te baseren op de in deze tuchtprocedure ingebrachte overige schriftelijke stukken en afgelegde verklaringen. 

5.3 Naar het oordeel van de Commissie is niet aangetoond dat Verweerder op de hoogte was van de materiele inhoud van de besprekingen met het Ministerie van Financiën, noch dat Verweerder het initiatief tot een afwijkend aankoopbeleid terzake van de bewuste aandelen zou hebben genomen. Indien en voorzover bij Verweerder geacht zou moeten worden enige twijfel aanwezig te zijn geweest omtrent het ongewijzigd doen voortzetten van het aankoopbeleid door het niet wijzigen van de model portefeuillelijst, heeft zoals Verweerder heeft gesteld en niet of onvoldoende gemotiveerd bestreden, Verweerder juist intern nagevraagd of er problemen waren rond de aankoop van aandelen in houdstermaatschappijen of een handelswijze voorgeschreven.

5.2 Voor de Tuchtcommissie zijn er gelet op het voorgaande derhalve geen gronden om aan te nemen dat de klacht van DSI gegrond zou zijn.


6. De beslissing

6.1 De Commissie verwerpt de klacht van DSI.