Verstrengeling van zakelijke en privébelangen

Uitspraak van 28 september 2005 van de Commissie van Beroep DSI

prof. mr. A.S. Hartkamp (voorzitter), mr. A. Rutten-Roos, mr. R.J.F. Thiessen, C.J. Bijloos en drs. G.H. Heida

1. De procedure in hoger beroep

1.1 Appellante (hierna: betrokkene) heeft bij beroepschrift van 4 maart 2005, dat op 
7 maart 2005 bij de Commissie van Beroep DSI (hierna: de Beroepscommissie) is binnengekomen, de beslissingen van de Tuchtcommissie DSI (hierna: de Tuchtcom¬missie) en van de Geschillencommissie DSI (hierna: de Geschillencommissie) van 
2 februari 2005 op de voet van artikel 14 lid 3 en artikel 14 lid 1 van het Algemeen Reglement DSI ter toetsing voorgelegd aan de Beroepscommissie.

1.2 Verweerster in beroep (DSI) heeft een op 5 april 2005 gedateerd verweerschrift ingediend.

1.3 De Beroepscommissie heeft de beroepen ter zitting van 15 augustus 2005 gevoegd behandeld in aanwezigheid van betrokkene en van de vertegenwoordiger van DSI, 
mr. J.R.F. Veendijk. Betrokkene is ter zitting bijgestaan door mr. A, advocaat te Rotterdam. Mr. A heeft de beroepen toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen, met bijlagen. Mr. Veendijk heeft het verweer van DSI toegelicht aan de hand van een pleitnotitie.

2. De procedures in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedures in eerste aanleg verwijst de Beroepscommissie naar de beslissingen van de Tuchtcommissie en de Geschillencommissie. Die beslissingen zijn aan deze uitspraak gehecht. 

3. Inleiding op de beoordeling van de beroepen

3.1 Betrokkene was sedert 1976 werkzaam bij een als deelnemer bij DSI geregistreerde bank- en effecteninstelling (hierna: de bank). Sinds 1992 oefende zij de functie van beleggingsadviseur uit. In het DSI-register stond zij sedert 1999 geregistreerd als senior beleggingsadviseur. 

3.2 Op 17 maart 2004 heeft de bank betrokkene op staande voet ontslagen. Bij brief van 17 mei 2004 deelt de bank aan DSI mede dat dit ontslag is geschied wegens ontoelaatbare vermenging van zakelijke en privé belangen. 

Het beroep van betrokkene op de nietigheid van het ontslag is inmiddels bij onherroepelijk vonnis van de kantonrechter afgewezen. 

3.3 Op 18 mei 2004 vindt een gesprek plaats tussen mr. Veendijk en betrokkene. Bij brief van 25 juni 2004 laat mr. Veendijk aan betrokkene weten dat, op grond van het onderzoek dat DSI heeft verricht naar aanleiding van het ontbreken van een positieve referentie van de bank, DSI heeft geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat te veronderstellen dat de bank ten onrechte een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van de integriteit en deskundigheid van betrokkene. Door het ontbreken van een positieve referentie van de bank voldoet betrokkene niet langer aan de op grond van het Reglement van DSI gestelde vereisten voor registratie. De registratie wordt derhalve met onmiddellijke ingang beëindigd, aldus de brief van mr. Veendijk. 

3.4 Betrokkene heeft op 2 juli 2004 tegen de beëindiging van haar registratie beroep ingesteld bij de Geschillencommissie. Zij voert aan dat er door DSI ten onrechte wordt gesproken van een voorbehoud van de bank ten aanzien van haar deskundigheid. Wat betreft haar integriteit erkent betrokkene dat zij onjuist heeft gehandeld door, in februari 2004, om een lening te vragen bij een cliënt. Betrokkene erkent ook dat zij giften heeft ontvangen van iemand waarmee zij in het kader van de uitoefening van haar functie in contact is gekomen, maar bij de ontvangst van die giften was de zakelijke relatie volgens haar reeds beëindigd. Betrokkene betoogt voorts dat zij door de doorhaling van de registratie onevenredig zwaar in haar belangen is getroffen. 

3.5 DSI heeft op 30 augustus 2004 jegens betrokkene een klacht ingediend bij de Tuchtcommissie. Volgens DSI heeft betrokkene gehandeld in strijd met de Gedragscode DSI, met name zoals geformuleerd in de artikelen 7.1.1. tot en met 7.1.5, 7.3.1 en 7.3.5 van het Algemeen Reglement DSI. DSI verzoekt de Tuchtcommissie aan betrokkene de maatregel van royement op te leggen.

3.6 De Geschillencommissie en de Tuchtcommissie hebben, in identieke samenstelling, het beroep van betrokkene, respectie¬velijk de klacht van DSI gevoegd behandeld ter zitting van 20 december 2004 en afzonderlijk uitspraak gedaan bij de beslissingen van 2 februari 2005, waarvan beroep.

3.7 De Tuchtcommissie overweegt dat betrokkene gedurende een lange periode stelselmatig leningen voor privé-doeleinden heeft aangetrokken van klantenrelaties. Zij wijst er op dat ook vóór de codificatie in de Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999) en in de Gedragscode DSI gold dat een medewerker van een effecteninstelling zakelijke en privé belangen diende te scheiden. Gelet op het stelselmatig karakter van het gedrag van betrokkene en het persoonlijk voordeel, acht de Tuchtcommissie de maatregel van royement passend en legt zij deze op.

3.8 De Geschillencommissie constateert, mede op grond van de mondelinge behandeling, dat de bank, als ex-werkgever, terecht een voorbehoud heeft gemaakt en dat DSI terecht de registratie van betrokkene heeft doorgehaald. Zij wijst het beroep af.

4. Beoordeling van de beroepen

4.1 Tegen de beslissing van de Tuchtcommissie voert betrokkene aan dat van het stelselmatig aangaan van leningen en van een belangenverstrengeling over een lange periode geen sprake is. Bovendien ziet betrokkene, anders dan de Tuchtcommissie overweegt, wel degelijk de ernst van de zaak in. Royement acht betrokkene derhalve een te zware maatregel. 

4.2 Tegen de beslissing van de Geschillencommissie voert betrokkene aan dat ten onrechte door DSI de suggestie is gewekt dat er met haar deskundigheid iets mis is. Betrokkene wijst er voorts op dat de Gedragscode DSI en de NR 1999 vooral ten doel hebben het handelen met voorkennis te voorkomen. Daarvan is te dezen echter geen sprake. Daar komt bij dat de verweten handelingen volkomen los stonden van de adviserende taak van betrokkene. Het gebeurde rechtvaardigt volgens betrokkene dan ook niet een zo verstrekkende maatregel als doorhaling van de registratie.

4.3 De Beroepscommissie is van oordeel dat hetgeen betrokkene aanvoert tegen de beslissing van de Tuchtcommissie, niet opgaat. Zowel door het aanvaarden van de schenkingen, als door het aangaan van de lening in 1993 en het verzoek om de lening in 2004, heeft betrokkene de norm ge¬schonden dat zij als beleggingsadviseur in de omgang met haar cliënten dient te handelen op basis van integriteit. De omstandigheid dat betrokkene, zoals zij betoogt doch DSI betwist, de zakelijke relatie met de desbetreffende cliënte terstond na de eerste schenking heeft beëindigd, doet niet af aan het oordeel dat betrokkene niet integer handelde door de schenkingen te aan¬vaarden. Dat de desbetreffende integriteitsnorm pas in 1999 is gecodificeerd in de NR 1999 en het Algemeen Reglement DSI doet te dezen niet terzake. Vaststaat immers dat de norm ook voordien gold.

4.4 Het komt er derhalve op neer dat de Beroepscommissie van oordeel is dat betrokkene in haar functie van beleggingsadviseur wel degelijk meerdere keren de voor haar geldende integriteitsnorm heeft geschonden. Terecht heeft de Tuchtcommissie de klacht van DSI derhalve gegrond geoordeeld.

4.5 De Beroepscommissie acht voorts de opgelegde maatregel van royement, gelet op de ernst van de normschendingen, passend. Bij dit oordeel neemt de Beroepscommissie in aanmerking dat van de zijde van DSI ter zitting is verklaard dat een royement in de praktijk voor maximaal vijf jaar geldt.  

4.6 Dit betekent dat het beroep tegen de beslissing van de Tuchtcommissie wordt verworpen.

4.7 Hetzelfde geldt voor het beroep tegen de beslissing van de Geschillencommissie. Wat er zij van het betoog van betrokkene dat er geen aanleiding is te twijfelen aan haar deskundigheid, vast staat dat de bank als ex-werkgever een voorbehoud heeft gemaakt met betrekking tot de integriteit van betrokkene alsmede dat DSI op grond van eigen, zij het summier, onderzoek tot het oordeel is gekomen dat het voorbehoud terecht is gemaakt. Dat betrokkene behalve een zakelijke, ook een vriendschappelijke band onderhield met de desbetreffende cliënten, betekent niet dat de relatie tussen haar functie als beleggingsadviseur en de onderhavige handelingen ontbrak. De integriteitsnorm strekt, anders dan betrokkene betoogt, geenszins uitsluitend ter voor¬koming van handelen met voorkennis. 

4.8 De Beroepscommissie is dan ook van oordeel dat de onderhavige normschending, zowel op grond van het bepaalde in artikel 4.4.2 als op grond van het bepaalde in artikel 6.2.1 van het Algemeen Reglement DSI, beëindiging van de registratie rechtvaardigt en dat de Geschillencommissie terecht het beroep van betrokkene tegen de doorhaling door DSI heeft afgewezen.

4.9 Overigens geldt ook ten aanzien van het beroep tegen de beslissing van de Geschillencommissie, dat de Beroepscommissie in aanmerking neemt dat DSI desgevraagd heeft laten weten dat betrokkene, wanneer bovengenoemde periode van vijf jaar waarvoor het royement geldt is verstreken, opnieuw om registratie kan verzoeken.

5. Slotsom

De beroepen falen. De beslissingen van de Tuchtcommissie en van de Geschillencommissie kunnen in stand blijven. Er is geen aanleiding tot het uitspreken van een kostenveroordeling.

6. Beslissing

De Beroepscommissie handhaaft de bestreden beslissingen van de Tuchtcommissie DSI en de Geschillencommissie DSI van 2 februari 2005.