Weigering registratie, ontbreken positieve referentie

Uitspraak d.d. 4 maart 2002 van de Commissie van Beroep DSI

Prof. Mr. A.S. Hartkamp (voorzitter), Mr. A. Rutten-Roos, Mr. J.B. Fleers, Drs. G.H. Heida en Mr S.P.G.M van Hooijdonk.

1. De procedure in hoger beroep

1.1 Klager heeft bij aangetekende brief van 22 februari 2001 op de voet van artikel 14 lid 1 van het Algemeen Reglement DSI de beslissing van de Geschillencommissie DSI (de Geschillencommissie) van 29 januari 2001 ter toetsing voorgelegd aan de Commissie van Beroep DSI (de Commissie). Bij brief van 27 februari 2001 heeft klager zijn beroepschrift aangevuld met een uiteenzetting van de gronden.

1.2 Verweerster (DSI) heeft op 26 april 2001 een verweerschrift ingediend.

1.3 Bij brief van 22 november 2001 en (fax)brieven van 13 december 2001 heeft Klager achtereenvolgens de in eerste aanleg overgelegde stukken, een zestal producties, alsmede het beroepschrift en de pleitaantekeningen van zijn gemachtigde in eerste aanleg in het geding gebracht.

1.4 De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgehad op 17 december 2001. Daarbij waren aanwezig mr. F.B. Demenint namens DSI, mr. S.L.M. Follender Grossfeld als gemachtigde van DSI, Klager, alsmede diens gemachtigde. De beide gemachtigden hebben de zaak toegelicht, mr. Follender Grossfeld heeft zijn desbetreffende pleitaantekeningen overlegd. Op verzoek van DSI is als getuige gehoord drs. Y, directeur van de ex-werkgever.

2. De procedure in eerste aanleg

2.1 Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg wordt verwezen naar de uitspraak van de Geschillencommissie van 29 januari 2001.

3. Inleiding op de beoordeling van het beroep

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1 Klager is van december 1989 tot oktober 1997 in dienst geweest van de ex-werkgever, tot 1 januari 1993 als accountmanager particulieren en nadien als hoofd van de afdeling accountmanagement. Na korte tijd werkzaam te zijn geweest bij Bank A is hij op 1 januari 1998 in dienst getreden bij Bank B.

3.2 Op 21 oktober 1999 heeft Klager door middel van het daartoe bestemde registratieformulier inschrijving verzocht in het DSI register III-B, als Senior Vermogensbeheerder.

3.3 Omdat Klager ten tijde van dit verzoek korter dan drie jaar bij Bank B in dienst was, diende hij – zoals op het formulier vermeld – naast een werkgeversverklaring van Bank B ook een werkgeversverklaring van de vorige werkgever(s) gedurende de afgelopen vijf jaar over te leggen. Een dergelijke verklaring houdt in dat, de Statuten en Reglementen van DSI in aanmerking nemende, “er geen gronden zijn, op basis van de thans beschikbare gegevens en informatie, om de integriteit, deskundigheid en vakbekwaamheid van de (….) (kandidaat)geregistreerde in twijfel te trekken.” Klager heeft geen verklaringen van ex-werkgevers overgelegd, maar op het formulier vermeld: “Voor de verklaring van de ex-werkgever verwijs ik naar het tel. Onderhoud met Mevr. ter Wiel. Tevens voeg ik mijn verklaring en de briefwisseling tussen advokaten bij.”

3.4 De ex-werkgever heeft geweigerd voor Klager een ex-werkgeversverklaring af te geven. Deze weigering heeft ex-werkgever’s directeur Y, die op 17 januari 2000 door DSI was gehoord in het kader van een nadere onderzoek met het oog op de vraag of Klager voor registratie in aanmerking kwam, bij brief van 29 februari 2000 aan DSI onder meer als volgt toegelicht:

“Klager is eind jaren tachtig in dienst gekomen bij ex-werkgever voor de bediening van particuliere relaties. Op 1 januari 1993 werd Klager benoemd tot hoofd van de afdeling. Deze afdeling bevond zich op de vloer van de Amsterdamse Effectenbeurs en bestond toentertijd uit slechts 2 medewerkers (inclusief hemzelf). In de daarop volgende jaren zijn enkele malen controles uitgevoerd door Compliance van de Effectenbeurs. Daarbij zijn overtredingen geconstateerd die met name betrekking hadden op het niet of onvolledig invullen van de orderformulieren. Geconstateerd werd toentertijd dat Klager op dit punt erg slordig was.

Eind 1996 werd de directie van de ex-werkgever geconfronteerd met beschuldigingen door een medewerker van de afdeling particulieren ten aanzien van Klager, die wezen in de richting van onoorbaar handelen. Aangezien deze medewerker zijn beweringen niet met bewijzen kon staven en ook uit nader intern onderzoek geen belastend feitenmateriaal kon worden gevonden, had de directie op dat moment geen andere keuze dan zich op te stellen achter de chef van de afdeling, in casu Klager. Daaruit valt ook te verklaren waarom de directie geen argumenten had om Klager te korten op zijn salaris en een verzoek om verhoging zijnerzijds niet kon worden geweigerd. Na het vertrek van Klager doken, maar nu van andere zijde, opnieuw verhalen op over vermeend onoorbaar handelen van Klager. Na onderzoek van de IAD is besloten om een en ander te melden bij de STE. De nieuwe werkgever van Klager, Bank A, is omtrent dit feit geïnformeerd. De resultaten van het onderzoek van de STE, hetwelk in 1998 heeft plaatsgevonden, hebben bij ons het vermoeden versterkt dat Klager in ieder geval de schijn heeft gewekt dat sprake was van onoorbaar handelen. Vastgesteld is dat de regels voor het opgeven van collect orders zijn overtreden. De STE heeft tenslotte gemeend om de zaak niet aanhangig te maken en de directie gesommeerd haar interne controle te verbeteren, hetgeen is geschied. Wat de ex-werkgever betreft is daarmee de zaak gesloten. Voor de direct betrokkenen blijft een onaangenaam gevoel bestaan over de wijze van handelen van Klager (….)”.

3.5 Op 17 mei 2000 heeft DSI met Klager haar bevindingen uit het gesprek met directeur Y en uit diens brief van 29 februari 2000 besproken.

3.6 Bij brief van 26 juni 2000 heeft DSI het verzoek tot registratie van Klager afgewezen. Deze brief luidt, voorzover hiervan belang, als volgt:

“DSI is samenvattend tot de slotsom gekomen dat het ontbreken van de ex-werkgeversverklaring onder de omstandigheden van het geval een beletsel vormt om uw registratieverzoek te honoreren. Een en ander laat zich als volgt toelichten.
- De ex-werkgever heeft DSI desgevraagd mondeling en ook schriftelijk in kennis gesteld van haar weigering een ex-werkgeversverklaring af te geven. Naar de schriftelijke verklaring van de ex-werkgever van 29 februari, die aan deze brief is gehecht, wordt hierbij verwezen. Centraal in de weigering van de ex-werkgever staat de wijze waarin u als hoofd van de afdeling Particuliere Relaties invulling hebt gegeven aan de uitvoering van orders.
- Vaststaat dat de STE aanleiding heeft gezien een onderzoek in te stellen naar door u verrichte transacties. Dit is gebeurd nadat u uw dienstverband met Ex-werkgever al had beëindigd. Het staat ook vast dat de bevindingen van de STE over de door U uitgevoerde transacties niet onverdeeld gunstig zijn. In dit verband is aan de kant van de STE een ernstig vermoeden gerezen dat sprake is geweest van winsttoedeling en wijziging van optional data na bekend worden van het resultaat op transacties. In een van haar onderzoeksrapporten (eerste helft 1998) schrijft de STE onder meer:
“Wij hebben geconcludeerd dat de wijzigingen in de optional data met betrekking tot intraday transacties van de heer W. niet tijdig zijn doorgegeven. Op basis van ons onderzoek naar de transacties van cliënt W. hebben wij het ernstige vermoeden dat hier sprake is van winsttoedeling. De optional data zijn gewijzigd nadat het resultaat op de transacties reeds bekend was. (…).
- Tijdens het gesprek met u is uitvoerig stilgestaan bij de aan de kant van de STE gerezen verdenking. U heeft deze verdenking weersproken (…)
- Naar aanleiding van hetgeen u op 17 mei heeft meegedeeld, heb ik nader overleg gevoerd met respectievelijk de STE en Ex-werkgever.
- Bij mijn contacten met de STE heb ik geen bevestiging kunnen krijgen van uw mededeling dat de STE uw dossier “niet belangrijk vindt”.
- De ex-werkgever heeft mij desgevraagd verklaard dat uw mededeling op 17 mei aan DSI, namelijk dat het “in geval van cliënt W. nooit tot wijziging van de optional data is gekomen” haaks staat op hetgeen de ex-werkgever zelf heeft geconstateerd, respectievelijk door de STE in haar onderzoeken is vastgesteld.
- Samenvatend is DSI derhalve van oordeel dat het ontbreken van een ex-werkgeversverklaring gevoegd bij de omstandigheden van het geval (namelijk de gebleken noodzaak van een STE-onderzoek dat ernstige verdenkingen in uw richting deed rijzen, de discrepantie tussen uw verklaring aan DSI omtrent wijziging van optional data betreffende cliënt W. en de door STE/Ex-werkgever geconstateerde feiten alsmede de gebleken onjuistheid van uw mededeling dat de STE uw dossier niet belangrijk zou vinden) inwilliging van uw verzoek tot registratie in de weg staat.”

3.7 De Geschillencommissie heeft het door Klager tegen deze afwijzing ingestelde beroep verworpen.

4. Beoordeling van het beroep

4.1 De door Klager in zijn aanvullend beroepschrift naar voren gebrachte bezwaren tegen de beslissing van de Geschillencommissie komen tezamen genomen erop neer dat deze heeft miskend dat DSI een verzoek om registratie, waarbij niet de vereiste ex-werkgeversverklaring wordt overgelegd omdat de desbetreffende ex-werkgever heeft geweigerd die verklaring af te geven, slechts kan afwijzen indien de feiten die aan de weigering ten grondslag worden gelegd, door DSI nader zijn onderzocht en haar daarbij is gebleken dat die feiten de weigering kunnen dragen. Meer in het bijzonder betoogt Klager dat DSI ten onrechte is afgegaan op het STE onderzoek. Voorts voert Klager aan dat de Geschillencommissie rekening had moeten houden met de door Klager overgelegde verklaringen met betrekking tot zijn integriteit.

4.2 Dit betoog kan Klager niet baten. Uit de opzet van de toelatingsprocedure, zoals deze is geregeld in het Algemeen Reglement en in het door DSI op grond van artikel 5 lid 2 van dit Reglement vastgestelde model registratieformulier, volgt dat DSI de toetsing van de integriteit, deskundigheid en vakbekwaamheid van (kandidaat) geregistreerden, voorzover niet berustende op de door kandidaten in hun “Eigen verklaring” verstrekte informatie, heeft overgelaten aan haar Deelnemers. Deze dienen als (ex-)werkgever van degene die registratie verzoekt te verklaren dat er, de Statuten en Reglementen van DSI in aanmerking nemende, geen gronden zijn, op basis van de thans beschikbare gegevens en informatie, om de integriteit, deskundigheid en vakbekwaamheid van de kandidaat in twijfel te trekken. De toelatingsprocedure voorziet niet in een zelfstandig onderzoek door DSI naar de juistheid van die verklaring of van het oordeel van de (ex-)werkgever dat er wél gronden voor twijfel bestaan: DSI, aldus artikel 5 lid 5 van het Algemeen Reglement onderzoekt of de Kandidaat aan alle vereisten tot registratie heeft voldaan en beslist over diens inschrijving in één of meer Registers. Dit alles in aanmerking genomen moet worden geoordeeld dat het ontbreken van een (ex-) werkgeversverklaring dat, zoals in dit geval, zijn grond vindt in twijfel ten aanzien van de integriteit, deskundigheid of vakbekwaamheid van de kandidaat dient te leiden tot afwijzing van het verzoek tot registratie, tenzij uit een summier onderzoek blijkt dat voor die twijfel in redelijkheid geen grond bestaat.

4.3 Deze uitzondering doet zich hier niet voor. De directeur van de ex-werkgever heeft als getuige volhard bij de door hem reeds eerder – onder meer in zijn hiervoor onder 3.4 aangehaalde brief – aan DSI kenbaar gemaakte twijfels ten aanzien van Klager en de Commissie heeft geen reden die twijfels als van iedere redelijke grond ontbloot ter zijde te stellen. Ook ten aanzien van het STE onderzoek, voor zover DSI daarvan kennis heeft kunnen nemen, geldt dat daarmee genoemde twijfel niet is weggenomen. Aan verklaringen van derden met betrekking tot de integriteit van Klager, komt te dezen geen betekenis toe. De Geschillencommissie diende de handelwijze van DSI te beoordelen, niet de integriteit van Klager.

4.4 Dit betekent dat alle bezwaren van Klager tegen de beslissing van de Geschillencommissie falen.

4.5 De Commissie acht geen termen aanwezig tot het uitspreken van een kostenveroordeling.

5. Uitspraak

De Commissie handhaaft de bestreden beslissing van de Geschillencommissie van 29 januari 2001.