Verstrengeling van zakelijke en privébelangen

Beslissing d.d. 2 februari 2005 van de Tuchtcommissie DSI.


(Mr. C.J.B. Ebeling (voorzitter), de heer Prof. Mr. R.E. van Esch, en de heer drs. A.C.J.J.M. Loonen)


1. Het verloop van de procedure

1.1 Bij de Tuchtcommissie is via de directie van het Dutch Securities Institute, nader te noemen “DSI”, een klachtrapport binnengekomen, gedateerd 30 augustus 2004. Dit rapport betreft gedragingen van Verweerster, die naar de mening van DSI in strijd zijn met de Gedragscode van het DSI, in het bijzonder artikel 7.1.1 t/m 7.1.5, 7.3.1 en 7.3.5 van het Algemeen Reglement. 

1.2 De Tuchtcommissie heeft de zaak op 16 september 2004 in behandeling genomen. Verweerster is uitgenodigd schriftelijk verweer te voeren en heeft dit middels verweerschrift van 5 november 2004 gedaan. Verweerster is tevens uitgenodigd voor de zitting van de Tuchtcommissie van 20 december 2004, en is ter zitting verschenen, vergezeld door haar raadsman, Mr. Z. 

1.3 Van de zijde van het DSI was bij de mondelinge behandeling aanwezig de heer Mr. J.R.F. Veendijk. De Commissie bestond uit de heer Mr. C.J.B. Ebeling (voorzitter), de heer Prof. Mr. R.E. van Esch en de heer drs. A.J.J.C.M. Loonen. De Commissie heeft beraadslaagd, de behandeling van de zaak gesloten en zal thans beslissen.


2. Onderwerp van de klacht

2.1 De klacht is vervat in het klachtenrapport van 30 augustus 2004 en bevat de volgende elementen. 

2.2 Op 17 mei 2004 heeft de ex-werkgever (de “Ex-Werkgever”) DSI medegedeeld dat Verweerster op staande voet is ontslagen onder het maken van een voorbehoud bij het afgeven van de referentie, welke vereist is voor het behoud van de registratie. Na onderzoek is DSI tot de conclusie gekomen dat er geen gronden zijn om aan te nemen dat de Ex-Werkgever anders had moeten beslissen en heeft DSI Verweerster een gemotiveerd beëindigingsbesluit gezonden, doch tevens besloten dat het geconstateerde incident zodanig ernstig is dat zij tevens het oordeel van de Tuchtcommissie hierover wil vragen.

2.3 De klacht spitst zich toe op ontoelaatbare verstrengeling van zakelijke en privébelangen. DSI stelt dat Verweerster meermalen en gedurende een langere periode van meerdere klanten in privé leningen heeft ontvangen. Medewerkers van effecteninstellingen dienen onder andere op grond van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer iedere vermenging van zakelijke en privébelangen – of de schijn daarvan – te vermijden. Hetzelfde is neergelegd in de Gedragscode van het DSI. 

2.4 DSI stelt zich op het standpunt dat de handelingen van Verweerster niet stroken met een integere handelswijze zoals neergelegd in de gedragscode van DSI, in het bijzonder de artikelen genoemd onder 1.1 van deze beslissing, en verzoekt de Tuchtcommissie Verweersters registratie te royeren, althans één van de maatregelen op te leggen als bedoeld in artikel 13.11 van het Algemeen Reglement, zodanig als de Commissie in overeenstemming acht met de ernst van de gedragingen.


3. Het verweerschrift

3.1 Verweerster heeft op 5 november 2005 schriftelijk verweer tegen de klacht gevoerd. Zakelijk samengevat stelt Verweerster hierin het volgende: 

3.2 Verweerster ontkent dat zij misbruik zou hebben gemaakt van de situatie, aangezien zij met de klanten een hechte vriendschappelijke relatie onderhield. Voorts merkt Verweerster op dat er geen grondslag is voor de klacht voor zover de gedragingen voor 1999 hebben plaatsgevonden aangezien toen pas voornoemde Nadere Regeling en de Gedragslijn voor bankmedewerkers bij Ex-Werkgever is opgenomen.

3.3 Beide klanten zouden nimmer hebben laten blijken dat zij de handelingen van Verweerster afkeurden en de door bewuste klanten afgelegde verklaringen zijn niet afgenomen door onafhankelijke personen maar door medewerkers van de Ex-Werkgever. 

3.4 Verweerster erkent dat zij de recente geldlening van één van de twee klanten niet had moeten aannemen en dat het beter was geweest als zij de schijn van belangenverstrengeling was voorkomen, doch dat hierin geen aanleiding is aan haar integriteit te twijfelen.


4. De mondelinge behandeling 

4.1 De mondelinge behandeling betreft gelijktijdige behandeling van zowel de geschil- als de tuchtzaak terzake van dezelfde handelingen van Verweerster, welke geleid hebben tot zowel doorhaling van de registratie als de onderhavige klacht.

4.2 Ter zitting zijn – zakelijk samengevat – de volgende vragen gesteld en verklaringen afgelegd:

Mr Z
Een belangrijke grond voor het beroep tegen het beëindigen van de registratie is dat de regeling waar DSI zich op beroept nog niet bestond toen de verweten gedragingen plaatshadden. In 1993 heeft het echtpaar de lening gekregen van pastoor Y. Er is een betalingsregeling afgesproken en die is nagekomen. Pastoor Y heeft zelf op enig moment gezegd: “Laat dat laatste deel maar zitten”. Hij heeft dat schriftelijk aan het echtpaar kenbaar gemaakt en daar is nooit meer een onvertogen woord over gesproken. Toentertijd bestond er niet zo’n gedragslijn zoals later, in 1990, in de CAO is vastgelegd en zoals nu ook in het DSI-reglement terug te vinden is. Dat is pas een viertal jaar later. 

Voor wat betreft de situatie-X is van groot belang dat de verweten gedragingen zich afspeelden nadat de zakelijke relatie was beëindigd. De kwestie zou heel anders liggen als de zakelijke relatie niet beëindigd was. Ik meen dat cliënte – en dat moge ook wel duidelijk zijn – er goed aan heeft gedaan die zakelijke relatie te beëindigen toen deze zich veel meer in de richting van een vriendschappelijke relatie ontwikkelde. Dat daarna grote bedragen zijn gevraagd en gegeven en wat mevrouw daarmee gedaan heeft, stond op zich helemaal los van haar taak als beleggingsadviseur. Ik denk dat een heel belangrijk gegeven is dat in de arbeidszaak, maar ook hier een voorname een rol speelt. 

Wat nog overblijft is het verzoek dat cliënte heeft gedaan aan pastoor Y van februari 2004. Zij heeft in een benarde situatie een beroep gedaan op hem om haar te helpen door een lening van EUR 32.000. Er wordt gezegd dat dat niet zomaar een vraag in een panieksituatie is maar een weloverwogen vraag, gegeven het bedrag en de uitgebreide brief, waarin zelfs wordt gemeld in welke coupures het bedrag zou moeten worden geleend. Mevrouw zat in een moeilijke situatie waarvan zij de pastoor op de hoogte heeft gesteld; zij en haar echtgenoot wilden een het huwelijk in gemeenschap van goederen omzetten in één onder huwelijkse voorwaarden met het oog op het financiële welzijn van hun kinderen. Er viel veel te regelen, waaronder een schuld waarvoor die EUR 32.000 nodig was en die ook keurig zou worden afgelost. De lening is gevraagd en niet gegeven. Mijn cliënte beseft nu heel goed dat ze die lening ook niet had moeten vragen. Ze heeft hem gevraagd in het kader van de vriendschappelijke relatie die zij altijd al had met de pastoor, ook gezien hij al eerder een lening had gegeven. Dit verzoek heeft zoveel consequenties gehad. Had een verzoek als dit wel zodanige gevolgen moeten hebben? Mijn stelling is dat deze te groot zijn in verhouding tot het vergrijp, waarvan ze bovendien meermalen heeft laten blijken dat het haar spijt. De doorhaling van registratie is een onevenredig vergaande maatregel.

Voor wat betreft de klacht: hetzelfde feitencomplex is hier van toepassing, alsook mijn argumenten van zo-even, en voor zover de Commissie meent dat de klacht terecht is, verzoek ik haar in overweging te nemen een lichtere maatregel te bepalen dan royement.

De heer Veendijk
Ten aanzien van het onderzoek van DSI: wij hebben een gesprek gevoerd met Appellante/Verweerster en verschillende documenten opgevraagd en bestudeerd, en DSI heeft gemeend daarmee voldoende in handen te hebben om de beslissingen te nemen. Uiteraard is aan alle onderdelen van het verweer van Verweerster aandacht besteed, aangezien zij zijn verwoord in haar schrijven en dat van haar raadsheer. De feiten zijn als zodanig ook niet door haar ontkend. DSI vindt het zeer ernstig dat Verweerster haar privébelangen heeft gemengd in haar zakelijke relatie met de pastoor en zelfs zo ernstig dat dit wat betreft DSI tot beëindiging van de registratie moet leiden. Gegeven het totaalbeeld dat DSI van deze zaak heeft gekregen, is dit een gerechtvaardigde maatregel. Zwaar, maar noodzakelijk, met daarbij de opmerking dat indien de beëindiging niet als maagregel wordt gekozen door de Commissie in de geschilzaak, de royementseis in de tuchtprocedure blijft gelden.
Voor het overige verwijs ik naar de stukken, waarbij ik nogmaals opmerk dat de feiten als zodanig niet door Appellante/Verweerster worden ontkend.

Verweerster:
Ik wil wel graag de opmerking maken dat toen ik met beleggen te maken kreeg, ik een cultuur binnenstapte waar zakelijk en privé veel in elkaar overliepen. Collega’s kwamen vaak bij elkaar over de vloer buiten werktijd en zo ging het ook met cliënten waarmee het klikte. Ik ben het er mee eens dat ik het niet had moeten doen. De bank heeft ons echter nooit op de hoogte gesteld van een nieuwe gedragscode of ons gevraagd of wij misschien cliënten hadden waarmee wij ook privé contacten onderhielden.

De heer Loonen:
U gaf aan dat de bank een nieuwe regel invoerde met betrekking tot het omgaan met cliënten. U vond dat men dat met u had moeten bespreken?

Verweerster:
Nou, in het algemeen wel. Als er zulke risico’s verbonden zijn met het ‘oude’ gedrag wel. Vooral omdat de oude situatie wat beleggen betreft zo anders was en het, wanneer het met een cliënt klikte, veel meer een sociale relatie met die cliënt kreeg, in alle opzichten. Het was dan wel beter geweest om de medewerkers daar waakzaam op te maken. Tja, nu zal dat natuurlijk niet meer gebeuren, iedereen kent nu mijn situatie. Ik had in mijn perceptie privé en zakelijk gescheiden. Die lening vroeg ik niet in mijn hoedanigheid als bankmedewerker.

De heer Van Luyn:
Heeft u de bij DSI verplichte integriteitsmodules gevolgd?

Verweerster:
Jazeker. De goede relatie met de klant bestond echter al; ik zag er helemaal geen kwaad in.

De heer Van Luyn:
Ik vraag dat omdat u aangeeft dat u niet op de hoogte was van de nieuwe regeling van de bank, maar het verbod op vermenging van privé en zakelijke belangen komt ook aan de orde in die modules.

Verweerster:
Ik zag het verband niet met de relatie met de pastoor, omdat die al zo lang bestond. Ik zag dat er los van. Ik zou bijvoorbeeld niet een lening hebben gevraagd aan een latere cliënt. Daarvoor is het verbod overduidelijk.

De heer Loonen:
In het schrijven van Bank A waarin u uw ontslag krijgt, wordt gesproken over het feit dat u mevrouw X heeft verzocht om niet te melden dat u met haar had gesproken. 

Verweerster:
Dat zal ik even uitleggen. Het werd mij verteld dat ik op staande voet werd ontslagen en waarom. Ik ben toen onthutst naar huis gegaan en raakte in paniek. Ik dacht: als er zó gereageerd wordt op de relatie die ik met de pastoor heb, dan wordt er waarschijnlijk ook zo gereageerd op mijn relatie met mevrouw X. Dus heb ik haar gebeld om de schade te beperken.

De heer Loonen:
Met andere woorden: wat daar staat in de brief klopt niet.

Verweerster:
Inderdaad. Wat ook niet klopt is dat mevrouw X geklaagd heeft. Dat klopt absoluut niet.

De heer Loonen:
In uw stukken word gesteld dat het onbegrijpelijk is dat de pastoor zich tot een advocaat heeft gewend. U vraagt zich echter af wat de beweegredenen zijn geweest van de pastoor om een advocaat in de arm te nemen?

Verweerster:
Inderdaad. Ik zou niet weten wat zijn motief is. Hij had me ook kunnen bellen om aan te geven dat hij er niet van gediend was. 



5. De beoordeling van de klacht 

5.1 Uit de stukken, de afgelegde verklaring voor zover wederzijds erkend althans niet of onvoldoende betwist en het overige ter zitting behandelde, is het volgende komen vast te staan. 

5.2 Verweerster heeft gedurende een lange periode stelselmatig leningen aangetrokken van klantenrelaties voor privé-doeleinden. Nog daargelaten dat ook vòòr codificatie van de belangenverstrengelingregeling en vastlegging in de interne bancaire richtlijnen de norm gold dat een medewerker van een effecteninstelling zakelijke en privé-belangen diende te scheiden, heeft Verweerster haar handelswijze niet gestaakt en zelfs herhaald nadat zij op grond van de invoering van de regeling, alsmede door het volgen de modules van het DSI, beter had moeten weten. 

5.3 De Commissie neemt mede in overweging dat de bewuste handelingen aan het licht zijn gekomen doordat een van de bewuste klanten het nodig heeft geacht een advocaat in de arm te nemen bij het herhaalde verzoek van Verweerster om een lening en derhalve geen sprake is van beïnvloeding van bewuste klanten door de Ex-Werkgever.

5.4 Verweerster erkent dat zij in privé de lening heeft aangetrokken, doch meent slechts dat dit de schijn van belangenvermenging opwekt. Zij lijkt niet in te zien dat haar handelen de kern van financiële dienstverlening raakt en is niet voldoende doordrongen van de ernst van de verweten gedragingen, noch geeft zij blijk van noemenswaardig gevoel van wroeging of besef van persoonlijk laakbaar handelen.

5.5 Voor de Tuchtcommissie zijn er derhalve geen gronden om aan te nemen dat de klacht van DSI ten aanzien van het handelen in strijd met de DSI-Gedragscode, niet gegrond zou zijn.

5.6 De Commissie is unaniem van mening dat royement in deze tuchtzaak de passende strafmaat is, mede gelet op het stelselmatig karakter en het persoonlijk voordeel dat Verweerster door haar wijze van handelen heeft gekregen.


6. De beslissing

6.1 De Tuchtcommissie DSI legt aan Verweerster de maatregel op van royement.