Integriteit, deskundigheid

Beslissing van de Tuchtcommissie DSI

In de zaak tegen de heer Y. wonende te Z, 
hierna te noemen “Verweerder” (DSI TC 03 - 01)



1. Het verloop van de procedure

1.1 Bij de Tuchtcommissie is via de directie van het Dutch Securities Institute, nader te noemen “DSI”, een klachtrapport binnengekomen, gedateerd 17 februari 2003. Dit rapport betreft gedragingen van Verweerder, die naar de mening van DSI in strijd zijn met de Gedragscode van het DSI, in het bijzonder artikel 7.1.1, 7.1.4 en 7.1.5 van het Algemeen Reglement. 

1.2 De Tuchtcommissie heeft de zaak op 26 februari 2003 in behandeling genomen. Verweerder is uitgenodigd schriftelijk verweer te voeren en heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Wel heeft hij zijn bezwaren tegen de primaire klacht naar voren gebracht in een gesprek met het DSI, dat heeft plaatsgevonden op 16 december 2002. Verweerder is tevens uitgenodigd voor de zitting van de Tuchtcommissie van 9 april 2003, doch is derhalve niet op de zitting verschenen na daarvoor conform de reglementen te zijn opgeroepen. 

1.3 Van de zijde van het DSI was bij de mondelinge behandeling aanwezig de heer mr F.B. Demenint. De Commissie bestond uit de heer mr C.J.B. Ebeling (voorzitter), de heer M.W. Scholten en de heer Prof. mr R.E. van Esch. De Commissie heeft beraadslaagd, de behandeling van de zaak gesloten en zal thans beslissen.


2. Onderwerp van de klacht

2.1 De klachten zijn vervat in het klachtenrapport van 17 februari 2003 en bevat de volgende elementen. 

2.2 Sinds 2 december 1999 is Verweerder bij DSI geregistreerd als Beleggingsadviseur in register II-A bij Ex-werkgever A. Deze registratie is door DSI gecontinueerd nadat Ex-werkgever B Ex-werkgever A heeft overgenomen. In deze periode heeft Verweerder een procedure bij de Geschillencommissie gevoerd tegen de afwijzing van DSI om zijn registratie om te zetten naar Vermogensbeheerder. Op basis van verklaringen van Verweerder zelf en de toenmalige directeur van Ex-werkgever A heeft DSI Verweerder als vermogensbeheerder geregistreerd in register III-A.

2.3 Eind 2002 beëindigt Ex-werkgever B het dienstverband met Verweerder en is niet bereid tot het afgeven van een positieve ex-werkgeversverklaring aan Verweerder. Nadat DSI met Verweerder contact heeft opgenomen en om toelichting heeft gevraagd, heeft Verweerder op 16 december 2002 een mondelinge toelichting gegeven ten kantore van DSI, waarna DSI vervolgens contact heeft opgenomen met Ex-werkgever B en tenslotte Verweerder op 13 februari 2003 hierop nog telefonisch heeft kunnen reageren. 

2.4 De primaire klacht richt zich op de voorbehouden zoals deze gemaakt zijn door de Ex-werkgever B bij de referentie. Kort samengevat worden door de Ex-werkgever B de volgende verwijten gemaakt: 
- het toestaan dat een cliëntenremissier orders doorgeeft aan de bank;
- het toestaan aan cliënten van de bank van het nemen van een risico in hun portfolio’s dat niet overeenkomt met hun risicoprofiel;
- het passief toezien hoe portfolio’s van cliënten snel in waarde daalden zonder overleg met leidinggevenden;
- onvoldoende controle of alle dossiers op orde en volledig zijn teneinde risicoclaims uit te sluiten;
- het uitvoeren van transacties zonder daartoe bevoegd te zijn middels een beheerovereenkomst.

2.5 DSI stelt dat de handelswijze van Verweerder als weergegeven in voornoemde verwijten gedragingen oplevert die in strijd zijn met de heersende wet- en regelgeving. 

2.6 De subsidiaire klacht van DSI richt zich tegen onjuiste informatieverstrekking door Verweerder bij het indienen van de aanvraag voor registratie als vermogensbeheerder in september 2001 en tijdens de procedure bij de Geschillencommissie in januari 2002. DSI stelt dat de verklaringen van Verweerder dat Ex-werkgever A uitsluitend beleggingsadvies gaf en geen beheer deed, tijdens het gesprek met DSI op 16 december 2002, niet overeenkomt met de eerder afgelegde verklaring en Verweerder DSI derhalve bewust zou hebben misleid met als doel het verkrijgen van een registratie.

2.7 DSI is van mening dat de gedragingen van Verweerder als beschreven in de primaire en subsidiaire klacht moeten worden beschouwd als gedragingen in strijd met de gedragscode van DSI, in het bijzonder de artikelen genoemd onder 1.1. van deze beslissing, en verzoekt de Tuchtcommissie Verweerder een boete op te leggen van EUR 1500, een berisping en een taakstraf in de vorm van het verplicht volgen van een opleiding die door DSI is geaccrediteerd voor register II-B, althans één van de maatregelen als bedoeld in artikel 13.11 van het Algemeen Reglement, zodanig als de Commissie dit in overeenstemming acht met de ernst van de gedragingen.


3. De mondelinge behandeling 

4.1 Gelet op het feit dat Verweerder niet op de zitting aanwezig is, licht de heer Demenint de klacht verder toe. Hij geeft aan dat de zaak het gevolg is geweest van het weigeren van de positieve ex-werkgeversverklaring door Ex-werkgever B. 

4.2 Ter zitting zijn – zakelijk samengevat – voorts de volgende vragen gesteld en verklaringen afgelegd:

De heer Van Luyn:
Ten aanzien van de subsidiaire klacht: Ex-werkgever A zal wel vermogensbeheer moeten hebben gedaan, want er zijn vermogensbeheerovereenkomsten gesloten. Dat wil niet zeggen verweerder daarbij betrokken was, maar de instelling deed dus niet alleen aan advisering?

De heer Demenint:
Dat klopt niet, inderdaad.

De heer Van Luyn:
Ten aanzien van de eerste klacht zie ik in het dossier dat de verwijten die gemaakt worden allereerst in het gespreksverslag zijn vastgelegd en als een soort waarschuwing naar voren gebracht worden. Vrij kort daarna leiden deze waarschuwingen bij nadere evaluatie tot beëindiging van het dienstverband. Een aantal van de klachten zijn zaken waarvan ik in de praktijk merk dat ze vaker voorkomen, bijvoorbeeld dat vermogensbeheerovereenkomsten niet getekend zijn en dat sommige cliëntenprofielen niet helemaal opgemaakt of bijgewerkt zijn. Of dat nu reden moet zijn voor ontslag, laat ik in het midden. De vraag is of dit een tuchtzaak rechtvaardigt. Men zou het bijvoorbeeld ook aan de instelling kunnen wijten in plaats van aan de individu, of dit meenemen in de strafmaat.

Ten tweede: DSI heeft slechts een marginale toets gedaan, gebaseerd op de jurisprudentie van de Geschillencommissie. Indien bij geschillenzaken er geen werkgeversverklaring wordt gegeven, kan DSI weinig anders doen dan marginaal toetsen. Al dan niet registratie staat dan op het spel. Ik vind dat wat anders dan in een tuchtzaak, waar het om een disciplinaire maatregel gaat. Is een marginale toets voor de Tuchtcommissie voldoende? Kan de onderzoeksnorm die geldt voor een geschil, ook in een tuchtzaak worden toegepast?

De heer Demenint:
Daar wil ik graag op reageren. Ten aanzien van het eerste punt: bij de officiële waarschuwing werd niet direct ontslag uitgesproken omdat de werkgever eerst getracht heeft de zaak rond de cliëntenremissier goed af te handelen. 
Ten aanzien van de marginale toets: die is voldoende om te bepalen of iemand een registratie waardig is. Wanneer DSI overgaat tot beëindiging van de registratie is dat de hoogste straf die wij kennen, ook tuchtrechterlijk gezien. De toets die wij uitvoeren is bij een tucht- niet anders dan bij een geschilzaak; beide zijn even zorgvuldig. 

De heer Van Luyn:
De toets is derhalve volgens DSI een marginale, maar ik constateer echter ten aanzien van de primaire klacht dat wel degelijk hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. Zo marginaal is de toets in de praktijk kennelijk ook weer niet.

De heer Scholten:
Uit de gesprekken met verweerder komt een welwillendheid naar voren ten aanzien van het volgen van opleidingen, hetgeen ook iets zegt over zijn goede wil tot verbetering en voortzetting van zijn carrière. Toch besluit DSI er een tuchtzaak van te maken tegen verweerder terwijl leidinggevenden en collega’s volledig buiten schot blijven. Dat verweerder fouten heeft gemaakt, dat is duidelijk, maar wat is nou fair? 

De heer Van Luyn:
Iets dergelijks kwam voor in een recente tuchtzaak waarbij ook sprake was van fouten in een omgeving waarin dat min of meer werd toegelaten. In die zaak werd de verweerder niet minder schuldig bevonden, maar had deze factor wel invloed op de strafmaat. 

De heer Demenint:
We hebben besloten de zaak te onderzoeken en niet meteen de registratie te beëindigen. Hij geeft zelf aan dat hij zich niet bewust was van de veranderingen in de wet- en regelgeving, en dat hij bereid is opleidingen te volgen omdat hij echt door wil in het vak.

De heer Van Luyn:
We moeten ook de subsidiaire klacht beoordelen. Twee dingen staan tegenover elkaar: een gespreksverslag waarin staat dat Ex-werkgever A geen vermogensbeheer deed, en een verklaring alsmede de opgedane wetenschap dat er wel (wat) vermogensbeheer heeft plaatsgevonden.

De heer Van Esch:
Wat heeft hij precies gezegd in het gesprek met DSI?

De heer Demenint:
Dat verweerder, noch Ex-werkgever A zich met vermogensbeheer bezighield. Er zijn echter wel vermogensbeheercontracten meegestuurd door zijn werkgever, die in zijn brief meldt dat verweerder voor deze vermogensbeheercontracten verantwoordelijk was.

De heer Van Luyn:
Ik begrijp dat DSI de verklaringen in het gesprek van verweerder niet heeft voorgelegd aan Ex-werkgever A?. In hoeverre zijn de verklaringen van Ex-werkgever A getoetst? Ik vind het nog al wat wat Ex-werkgever A verklaart. Had dat niet voorgelegd moeten worden aan bijvoorbeeld een ander persoon binnen de organisatie van Ex-werkgever A die kan beoordelen of deze verklaringen correct zijn? 

De heer van Esch:
(richting de heer Demenint) Heeft u verweerder tijdens uw gesprek met hem gewezen op het feit dat zijn verhaal niet strookte met zijn eerdere uitspraken als zou Ex-werkgever A slechts adviseren en niet aan vermogensbeheer doen?

De heer Demenint:
Nee, toen verweerder hier ter kantore was ging het om de primaire klacht. Later, bij het doornemen van de gespreksnotities, werd de discrepantie mij duidelijk.


5. De beoordeling van de klacht 

5.1 Uit de stukken, de afgelegde verklaring voor zover wederzijds erkend althans niet of onvoldoende betwist en het overige ter zitting behandelde, is het volgende komen vast te staan. Ex-werkgever B heeft gesteld dat Verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan de verweten gedragingen zoals hierboven beschreven. Zoals van DSI verwacht mag worden, heeft zij Verweerder in de gelegenheid gesteld één en ander mondeling toe te lichten en argumenten aan te dragen voor een conclusie dat er aanleiding zou bestaan om te twijfelen aan de beweringen van Ex-werkgever B. Uit het gespreksverslag, dat door beide partijen als juist is erkend en daartoe is ondertekend, blijkt niet van bewezen feitelijke omstandigheden die de zaak anders maken.

5.2 Voor de Tuchtcommissie zijn er derhalve geen gronden om aan te nemen dat de primaire klacht van DSI niet gegrond zou zijn.

5.3 Bij de bepaling van een maatregel dient de Tuchtcommissie rekening te houden met de consequenties die de handelswijze van Verweerder reeds voor hem hebben gehad alsmede de verantwoordelijkheid van Ex-werkgever B.

5.4 Ten aanzien van de subsidiaire klacht constateert de Tuchtcommissie dat meer onderzoek gedaan zou moeten worden naar de uitspraken die hebben geleid tot de subsidiaire klacht voordat daar door de Tuchtcommissie een oordeel over kan worden gevormd.


6. De beslissing

6.1 De Tuchtcommissie DSI legt aan Verweerder ten aanzien van de primaire klacht de maatregel op van een voorwaardelijke boete van EUR 500 met een proeftijd van één jaar, alsmede het volgen van een opleiding zoals door DSI gespecificeerd in de klacht. 

6.2 De Beslissing ten aanzien van de subsidiaire klacht wordt aangehouden.